Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:140

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
12/02580
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2409
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming.HR herhaalt HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 m.b.t. het feit dat ook in ontnemingszaken ttz. met voldoende duidelijkheid dient te worden aangegeven – eventueel bekort d.m.v. een duidelijke verwijzing naar de inhoud van i.h.k.v. een schriftelijke voorbereiding van de behandeling ttz. ingediende stukken – welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen. Nu het p-v van de tz. in h.b. niets inhoudt omtrent de in het middel bedoelde verweren en onderbouwde standpunten moet het ervoor worden gehouden dat die verweren en onderbouwde standpunten niet ttz. zijn voorgedragen. Aan de vermelding in het bestreden arrest dat het Hof kennis heeft genomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman naar voren is gebracht, kan niet de betekenis worden toegekend dat het Hof “vanzelfsprekend tot uitdrukking heeft willen brengen dat de standpunten en verweren die in de schriftelijke voorbereiding zijn gerelateerd als ttz. voorgedragen zijn beschouwd”. Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De HR stelt de AG alsnog in de gelegenheid zich uit te laten over het andere voorgestelde middel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/261
SR-Updates.nl 2014-0029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/02580 P

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 februari 2012, nummer 24/000252-06, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar (thans) het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Blijkens de toelichting klaagt het middel dat het Hof ten onrechte niet heeft gereageerd op verweren en onderbouwde standpunten die zijn vervat in de door de verdediging ingediende 'memorie van grieven' van 30 december 2011.

2.2.

Zoals in HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6159, NJ 2011/356 is overwogen, dient ook in ontnemingszaken ter terechtzitting met voldoende duidelijkheid te worden aangegeven - eventueel bekort door middel van een duidelijke verwijzing naar de inhoud van in het kader van een schriftelijke voorbereiding van de behandeling ter terechtzitting ingediende stukken - welke verweren worden gevoerd en welke onderbouwde standpunten worden ingenomen.

2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2012 heeft de raadsman aldaar het woord tot verdediging gevoerd. Dit proces-verbaal houdt evenwel niets in omtrent de in het middel bedoelde verweren en onderbouwde standpunten.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat die verweren niet ter terechtzitting zijn voorgedragen en dat hetzelfde geldt voor de onderbouwde standpunten. Anders dan het middel betoogt, kan aan de vermelding in het bestreden arrest dat "het hof voorts kennis (heeft) genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr H.J. Pellinkhof, naar voren is gebracht" niet de betekenis worden toegekend dat het Hof hiermee "vanzelfsprekend tot uitdrukking heeft willen brengen dat de standpunten en verweren die in de schriftelijke voorbereiding zijn gerelateerd als ter terechtzitting voorgedragen zijn beschouwd". Het middel mist derhalve feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

2.4.

De Advocaat-Generaal heeft zich niet uitgelaten over het andere voorgestelde middel. De Hoge Raad is van oordeel dat de Advocaat-Generaal daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 januari 2014;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014.