Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1382

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2014
Datum publicatie
13-06-2014
Zaaknummer
11/00519
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9329, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Douanerechten; art. 8:75 Awb; posten 2508 en 3802 van de GN; GS-aantekening 1 op hoofdstuk 25 van de GN; tariefindeling van met zwavelzuur en water gewassen bleekaarde; onzuiverheden verwijderen; wijziging van oppervlaktestructuur; eindarrest na HvJ 23 januari 2014, X B.V., C-380/12, BNB 2014/70; vergoeding van kosten van bijstand deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/31.11 met annotatie van Redactie
BNB 2014/164
V-N Vandaag 2014/1183
FutD 2014-1372
NTFR 2014/1727 met annotatie van mr B.A. Kalshoven
NTFR 2012/1843 met annotatie van mr B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2014

nr. 11/00519bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 december 2010, nrs. P09/00700 en 09/00701, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 Ontstaan en loop van het geding

Voor een overzicht van het ontstaan en loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 13 juli 2012, nr. 11/00519, ECLI:NL:HR:2012:BX0886, BNB 2012/264, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 23 januari 2014, X B.V., C-380/12, ECLI:EU:C:2014:21, BNB 2014/70, heeft het Hof van Justitie uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“1) Het begrip „onzuiverheden verwijderen”, als bedoeld in aantekening 1 op hoofdstuk 25 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006, moet aldus worden uitgelegd dat dit de verwijdering omvat van chemische deeltjes die door natuurlijke omstandigheden in een mineraal product in ruwe staat zijn opgenomen, voor zover deze verwijdering leidt tot een verbetering van het vermogen van de betrokken producten om de inherente bestemming ervan te vervullen. Het staat aan de nationale rechter om dit na te gaan.

2) Aantekening 1 op hoofdstuk 25 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1549/2006 moet aldus worden uitgelegd dat producten die een behandeling hebben ondergaan die het gebruik van chemicaliën met zich meebrengt en ertoe leidt dat onzuiverheden worden verwijderd, enkel kunnen worden ingedeeld onder tariefpost 2508 van deze gecombineerde nomenclatuur indien deze behandeling hun oppervlaktestructuur niet heeft gewijzigd. Het staat aan de nationale rechter om dit te bepalen.”

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2 Nadere beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Uit het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van het Hof van Justitie volgt dat wanneer door het wassen met behulp van chemicaliën de oppervlaktestructuur van de behandelde producten verandert, die producten niet kunnen worden ingedeeld in post 2508 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN).

In de bestreden Hofuitspraak is geoordeeld dat door de behandeling van de onderhavige producten met zwavelzuur en water niet alleen sprake is geweest van het verwijderen van onzuiverheden (calciumionen) maar door die behandeling ook de oppervlaktestructuur van de producten is gewijzigd. Dat oordeel en de daaraan verbonden conclusie dat deze producten daarom moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 3802 90 00 van de GN, geven, gelet op het zojuist vermelde arrest van het Hof van Justitie, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Die oordelen zijn ook niet onbegrijpelijk. Anders dan belanghebbende in haar reactie op het meergenoemde arrest van het Hof van Justitie heeft betoogd, is dit niet anders vanwege de omstandigheid dat de ionenuitwisseling die de door het Hof omschreven wijziging van de oppervlaktestructuur heeft veroorzaakt, inherent is aan de wijze waarop de onderhavige producten zijn gewassen. Het middel faalt derhalve.

3 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

3.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de goederen terecht in post 3802 van de GN heeft ingedeeld en dat de Inspecteur op die grond de meer verschuldigde douanerechten mocht navorderen. Enkel op de grond dat na het doen van uitspraak op bezwaar is gebleken dat – naar de Inspecteur niet bestreed - voor de ingevoerde producten, voor zover van oorsprong uit Maleisië, ten onrechte geen rekening was gehouden met een toepasselijk preferentieel tarief van 2,2 percent, heeft de Rechtbank geoordeeld dat het in de zaak met nummer AWB 08/946 ingestelde beroep gegrond was, en heeft de Rechtbank de desbetreffende uitspraak op bezwaar vernietigd, en het bedrag van de uitnodiging tot betaling verminderd, en aan belanghebbende een vergoeding toegekend ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Rechtbank zonder daaraan enige overweging te wijden, de Inspecteur niet veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de door belanghebbende ingeschakelde deskundige.

3.2.

Nadat het Hof – in navolging van de Rechtbank - de door belanghebbende in hoger beroep met betrekking tot de tariefindeling aangevoerde grieven had verworpen, heeft het Hof vervolgens belanghebbende in het gelijk gesteld wat betreft haar grief dat de Rechtbank heeft nagelaten haar een vergoeding toe te kennen voor de kosten van het inschakelen van een deskundige. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk te achten dat belanghebbende in het onderwerpelijke geschil een deskundige heeft ingeschakeld, gelet op het specialistische en technische karakter van de procedure. Op die grond heeft het Hof belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Awb de Inspecteur veroordeeld tot (mede) een vergoeding van de ten behoeve van het geschil voor de Rechtbank en het Hof gemaakte kosten van een deskundige.

3.3.

Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van het Hof dat de kosten van de deskundige moeten worden vergoed. Het voert daartoe aan dat de deskundige door belanghebbende was ingeschakeld om de door haar voorgestane tariefindeling toe te lichten. Aangezien zowel de Rechtbank als het Hof belanghebbende op het punt van de tariefindeling niet in het gelijk heeft gesteld, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van de kosten voor een deskundige, aldus het middel.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat indien een belanghebbende door de rechter geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als hoofdregel geldt dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld (vgl. HR 12 februari 2010, nr. 09/01205, ECLI:NL:HR:2010:BL3600, BNB 2010/134). Tot die kosten worden in beginsel op de voet van artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht ook gerekend de kosten van een deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen.

3.5.

Voor een veroordeling tot vergoeding van de kosten van een deskundige is nodig vast te stellen dat een belanghebbende ten tijde van het inroepen van de hulp van de deskundige, gezien de feiten en omstandigheden op dat moment, ervan mocht uitgaan dat die deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor de belanghebbende gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. Voor het toekennen van een vergoeding van de kosten van een deskundige is niet van belang of de deskundige daadwerkelijk heeft bijgedragen aan de beslissing van de rechter dat het beroep gegrond is (vgl. HR 16 november 2012, nr. 11/02517, ECLI:NL:HR:2012:BY2770, BNB 2013/41, onderdeel 3.10.1). Het middel faalt derhalve.

4 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2014.