Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1355

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
12/04945
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:503, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontucht, art. 247 en art. 248.2 Sr. Klacht m.b.t. het bewijsminimum van art. 342.2 Sv. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal, in het bijzonder gelet op de verklaring van verdachte over het oppassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2014/839
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juni 2014

Strafkamer

nr. 12/04945

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 oktober 2012, nummer 22/001505-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 1990 tot en met 01 november 1991 te Dordrecht meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983, immers heeft hij, verdachte, telkens

- zich laten aftrekken door [slachtoffer]

en

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 1990 tot en met 01 november 1991 te Dordrecht meermalen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het telkens ontuchtig

- zich laten aftrekken door [slachtoffer]."

2.2.

Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

"De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

Het hof heeft acht geslagen op het oordeel van de deskundigen dat geen van de scenario's die door hen wordt geschetst door hen wordt uitgesloten. Voorts heeft het hof in aanmerking genomen dat gedurende een lange periode steeds meer bronnen over het gestelde misbruik zijn ontstaan, die alle terug te voeren zijn op verklaringen van de aangeefster, waarbij echter wel het beschreven misbruik steeds ernstiger wordt van karakter.

Aangezien de aangeefster blijkens de na te noemen getuigenverklaringen al enkele jaren na het gestelde misbruik, toen zij nog een kind was, aan leeftijdsgenoten heeft verteld dat zij is misbruikt door de verdachte en zij ook al in een vroeg stadium hierover in haar dagboek heeft geschreven, acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van die vorm van misbruik die de aangeefster toen heeft beschreven. Het hof kan zich echter ook verenigen met de stelling die is ingenomen in de hiervoor genoemde rapporten dat de kans reëel is dat er sprake is geweest van een sneeuwbaleffect, waarbij het misbruik in de beleving van de aangeefster steeds heftiger is geworden. Gelet hierop zal het hof bij zijn beslissing over de bewezenverklaring alleen gebruik maken van bronnen die dateren uit een zo vroeg mogelijk stadium na het misbruik.

Het hof is gezien het voorgaande van oordeel dat, mede gelet op inhoud van de bovenstaande rapporten, de verklaringen van aangeefster met betrekking tot de vorm van het misbruik die zij heeft ondergaan als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt, voor zover deze door de hierna weergegeven "vroege bronnen" worden bevestigd. De desbetreffende verklaringen zijn in zoverre consistent en vinden bovendien ook steun in de verklaringen van de verdachte over het oppassen op de aangeefster in de ten laste gelegde periode en over de aanwezigheid van pornografische literatuur in de woning van de ouders van de aangeefster.

Doordat het hof ter bevestiging van de betrouwbaarheid van de aangifte zich heeft gebaseerd op deze "vroege bronnen", wordt tevens het risico, waar de rapporterende deskundigen gewag van maken, vermeden dat er sprake zou kunnen zijn van zogenaamde 'hervonden herinneringen' als gevolg van een therapie die aangeefster heeft gevolgd, aangezien over die therapie bekend is dat die omstreeks het jaar 2003 heeft plaats gehad.

Het hof merkt voorts nog het volgende op met betrekking tot het verweer dat de aangeefster tijdens haar verhoor als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 29 juni 2012 niet de in de (...) pleitnota gestelde kenmerken van het geslachtsorgaan van de verdachte heeft benoemd. Ook wanneer de - niet door de verdediging onderbouwde - stellingen betreffende deze kenmerken juist zouden zijn, maakt dit de verklaringen van de aangeefster niet onbetrouwbaar aangezien de aangeefster blijkens het proces-verbaal van de desbetreffende zitting wel heeft verklaard dat de vlekken op de huid van de verdachte ook te zien zijn wanneer de verdachte zijn onderbroek nog aan heeft. De door de verdediging genoemde brandwonden zijn haar dus niet ontgaan.

(...)

Bewijsmiddelen in verband met het subsidiair tenlastegelegde

Gelet op voorgaande overwegingen heeft het hof ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde acht geslagen op de volgende wettige bewijsmiddelen die uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken.

[slachtoffer], blijkens het proces-verbaal van aangifte geboren op [geboortedatum] 1983, heeft aangifte gedaan vanwege seksueel misbruik door haar oom, [verdachte]. Haar verklaring houdt onder meer het volgende in.

Mijn oom [verdachte] heeft mij seksueel misbruikt vanaf ongeveer mijn zevende tot ongeveer mijn negende levensjaar. Dat gebeurde in Dordrecht. Mijn oom paste altijd op mij en mijn broertje. Als ik ging slapen dan moest ik altijd de televisie uit zetten. Op een gegeven moment kwam mijn oom boven en zei dat ik wel televisie mocht kijken en dat het ons geheimpje was. Op den duur kwam hij naar boven als mijn broertje lag te slapen en hij wilde me dan wat laten zien. Mijn oom liet me toen pornoboekjes zien. Ik was toen ongeveer zeven jaar oud. Na een aantal keer haalde hij zijn penis uit zijn broek. Dat was de eerste keer dat ik een blote penis zag. Daarna leerde hij me hoe ik hem met mijn hand moest bevredigen. Hij gebruikte daarbij plaatjes uit de pornoboekjes. Ik vond het niet leuk om te doen. U vraagt mij wanneer ik stopte met de handmatige handelingen aan de penis van oom [verdachte]. Ik hield er tussentijds wel eens mee op omdat ik het niet meer wilde. Maar hij bleef dan weer op me inpraten waardoor ik het dan maar weer verder deed. Ik heb mijn oom ook wel klaar zien komen. Er kwam dan wit spul uit zijn penis. Het gebeurde altijd in de slaapkamer van mijn ouders.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de verklaring van aangeefster zoals zij die op 17 december 2009 heeft afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Dordrecht, welke onder meer het volgende inhoudt.

U vraagt mij over welke periode het misbruik zich uitstrekt. Van mijn zevende tot mijn negende jaar ongeveer. U vraag mij of ik kan zeggen aan wie ik er iets over verteld heb in de periode van na het stoppen van de seksuele handelingen. De eerste die ik het verteld heb is [betrokkene 1]. Later heb ik het nog tegen vriendinnen gezegd, onder andere [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2]). U vraagt of ik in mijn dagboek met de naam [verdachte], [verdachte] bedoel. Dat klopt.

U vraagt wanneer ik het aan [betrokkene 1] verteld heb. Tussen mijn tiende en elfde jaar. U zegt dat [betrokkene 1] verklaard heeft dat ik het haar op haar achtste jaar verteld heb. Dan kan wel kloppen dat zij dat zegt, maar volgens mij was ik tussen de tien en de elf jaar en ik ben één jaar ouder dan zij.

Ik heb twee aanknopingspunten waar ik honderd procent zeker van ben. [verdachte] had een relatie met [betrokkene 3] en die relatie is verbroken toen dit speelde. Verder weet ik dat de Bijlmerramp geweest was. Het oppassen is gestopt toen de broer van mijn moeder overleed. Ik weet zeker het tussen mijn zevende en negende jaar gebeurde. Ik weet dat aan de hand van de twee gebeurtenissen die ik beschreef en ik heb van mijn moeder gehoord dat de relatie tussen [verdachte] en [betrokkene 3] uitging toen ik een jaar of zeven was. Ik herinner mij deze twee meetpunten en daarom is deze periode genoemd. Het aantal keren dat het misbruik gebeurd is weet ik niet precies meer. Ik heb gezegd meer dan vijf keer. Iedere keer als hij de kans had en wij alleen waren.

[betrokkene 1] heeft op 29 april 2010 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Dordrecht welke onder meer het volgende inhoudt.

Ik ken [slachtoffer] sinds groep één van de basisschool. U vraag mij of [slachtoffer] wel eens iets tegen mij heeft gezegd over het misbruik. Ja dat klopt. Zij heeft het mij verteld toen wij acht of negen jaar waren. Het kan zijn dat wij negen of tien jaar waren. Het kwam ter sprake omdat wij het toen over misbruik hadden en toen zei zij dat haar oom dat ook bij haar had gedaan.

[betrokkene 2] heeft op 29 april 2010 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris in de rechtbank Dordrecht welke onder meer het volgende inhoudt.

Ik ken [slachtoffer] van de middelbare school. U vraagt mij wat [slachtoffer] ongeveer tien jaar geleden aan mij heeft verteld. Wij hadden toen allebei een vriendje. Ik merkte dat [slachtoffer] moeite had met aanrakingen door haar vriend en dat zij heel gesloten was. Zij heeft mij toen gezegd dat zij misbruikt zou zijn door de broer van haar moeder en dat deze aan haar borsten had gezeten en dat zij aan zijn penis moest zitten en dat zij dat moest toelaten. U vraagt mij of ik ten tijde van [slachtoffer] verhaal van tien á elf jaar geleden wist dat het om [verdachte] ging. Ja, dat wist ik.

Van het dagboek van aangeefster heeft het hof de volgende passages in aanmerking genomen.

18 februari 1998: 'Ik moet even me hart luchten. Vroeger ik was een meisje van een jaar of 6 a 8 jaar. Me vader en moeder gingen in het weekend af en toe op stap en dan past mijn oom [verdachte] altijd op en toen heeft hij mij seksueel misbruikt en nu heb ik het daar best moeilijk mee. Maar ik durf er niet met me ouders over te praaten want dan kom mijn famillie ook het te weten en die gaan met toch niet geloven. Me vriendinnen weten het wel. En ik zou zo graag willen dat hij er voor gestraft wordt en weet je wat ik nog het ergs vind dat hij gewoon met een staale gezicht bij ons langs kom maar sorry ik walg echt van hem. Ik haat hem. Tieves klootzak.'

17 augustus 1999: 'Tegen me eigen moeder kan ik niet eens eerlijk zijn. Ik kan slechts tegen me moeder gaan zeggen dat ik sexueel misbruikt ben door haar jongste broertje. Ik wil dood.'

18 augustus 1999: 'Ook dat wat er vroeger is gebeurd daar moet ik alleen uit zien te komen. Oke ik kies daar zelf voor maar heb wel mijn redenen daarvoor. Ik heb nu als enige daar verdriet van. Als ik het ga vertellen heeft de hele familie daar verdriet van en de banden zijn dan verbroken. Ze zouden echt niet allemaal mijn geloven en mijn moeder zal daardoor meer zenuwen krijgen en zo verslechter haar ziekte. (...) en als ik hem aangeeft, als hij al een straf krijgt is het maar 1 jr of 2 jr. Maar 1% van de gevallen worden ze veroordeeld. De andere 99 gevallen dus niet. Dat komt door gebrek aan bewijs. Nou ik heb geen bewijs. Er is niemand bij geweest die het heeft gezien. Dus het heeft dan toch geen nut dat ik het ga vertellen. Misschien heeft dan toch geen nut dat ik het ga vertellen. Misschien vertel ik het ooit nog wel maar nou kan ik het nog niet. Maar later moet hij niet gaan denken dat hij bij mij later over de vloer mag komen en mijn kinderen vasthouden. Misschien doet hij bij hun wel hetzelfde.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 juni 2012 heeft de verdachte een verklaring afgelegd welke onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende inhoudt.

Vanaf ongeveer mijn tiende levensjaar was ik elk weekeinde bij [betrokkene 4], mijn zus. Ik heb vaak opgepast op haar kinderen. Het klopt dat ik een relatie heb gehad met [betrokkene 3]. De relatie is geëindigd in de periode tussen mijn achttiende verjaardag en kerst. Dat zou dan in het jaar 1991 zijn geweest. De kast van mijn zus lag vol met pornoromans. Ik heb gezien dat [slachtoffer] die romans ook las. Seksboekjes lagen boven in de slaapkamer op een kast in een tas."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.

3.2.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515).

3.3.

In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal, in het bijzonder gelet op de verklaring van de verdachte over het oppassen. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake.

3.4.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2014.