Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:123

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
12/01544
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2222, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:2201, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Wettelijke rente. Artt. 6:162.1, 6:119.1 en 6:83 aanhef en onder b, BW. Middel b.p.: HR herhaalt HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559 inhoudende dat uit de bepalingen van het BW voortvloeit dat verdachte t.g.v. zijn onrechtmatige gedragingen jegens de b.p. jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden. Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de b.p. pas vanaf de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het Hof het voorgaande miskend. De HR doet de zaak zelf af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/81 met annotatie van
RvdW 2014/211
NJB 2014/323
SR-Updates.nl 2014-0034
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 januari 2014

Strafkamer

nr. 12/01544

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 maart 2012, nummer 20/000687-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. C.M.H. van Vliet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij voor zover verzuimd is de vergoeding van de gevorderde wettelijke rente toe te wijzen vanaf het moment dat de schade is ingetreden, tot herstel van dat verzuim en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bepaald dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 en niet - zoals het middel betoogt - vanaf de datum waarop het delict plaatsvond.

3.2.1.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" waarmee [benadeelde partij] zich heeft gevoegd als benadeelde partij in het strafproces tegen de verdachte. Het aan het voegingsformulier gehechte "Schade-onderbouwingsformulier" houdt onder meer in:

"De schade die nog niet is/wordt vergoed en die in deze procedure wordt gevorderd bedraagt: totaal € 6.040,-.

Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum delict en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel."

3.2.2.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 5.600,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag.

Het hof is van oordeel dat het overige in hoofdsom gevorderde niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde waarop de vordering (zoals in eerste aanleg gematigd) is gegrond. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

(...)

Beslissing

(...)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 4.850,00 (vierduizend achthonderdvijftig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)"

3.3.

Het Hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij heeft gevorderd de verdachte tevens te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van haar vordering.

3.4.

In dat verband zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang:

- art. 6:162, eerste lid, BW:

"Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden."

- art. 6:119, eerste lid, BW:

"De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest."

- art. 6:83, aanhef en onder b, BW:

"Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

(...)
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen."

3.5.

Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de verdachte ten gevolge van zijn onrechtmatige gedragingen jegens de benadeelde partij jegens deze schadeplichtig is en dat hij zonder ingebrekestelling tevens de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ingetreden (vgl. HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3559). Door te bepalen dat het toegewezen bedrag van de vordering van de benadeelde partij pas vanaf 14 maart 2012 - de dag waarop het Hof zijn arrest heeft uitgesproken - wordt vermeerderd met de wettelijke rente, heeft het Hof het voorgaande miskend. Het middel is terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen en daarbij voor de datum waarop de wettelijk rente ingaat, uitgaan van de uit bewijsmiddel 6 blijkende data waarop de verschillende in de vordering van de benadeelde partij genoemde geldbedragen van de bankrekening van de benadeelde partij zijn afgeschreven, te weten 15 januari 2003, 20 februari 2003, 18 maart 2003, 26 maart 2003 en 23 mei 2003.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2012;

bepaalt dat het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag van € 4.850,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 350,- met ingang van 15 januari 2003;

- over een bedrag van € 2.000,- met ingang van 20 februari 2003;

- over een bedrag van € 750,- met ingang van 18 maart 2003;

- over een bedrag van € 250,- met ingang van 26 maart 2003;

- over een bedrag van € 1.500,- met ingang van 23 mei 2003;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van21 januari 2014.