Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1213

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
13/00823
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:32, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Insolventierecht. Belastingrecht. Na faillissement bedrijf blijkt dat aan productschap betaalde voorschotheffingen wettelijke grondslag missen. Reparatie met terugwerkende kracht. Voorschotheffingen onverschuldigd betaald? Moment ontstaan (nieuwe) vorderingen in verband met mogelijkheid van verrekening in faillissement; art. 53 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/133
JOR 2014/253 met annotatie van mr. R.J. Abendroth
NJB 2014/1096
JWB 2014/236
NJ 2014/276 met annotatie van
RvdW 2014/752
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 mei 2014

Eerste Kamer

nr. 13/00823

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PRODUCTSCHAP VEE EN VLEES,
gevestigd te Zoetermeer,

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. S.M. Kingma,

t e g e n

mr. Jan Janowitsj VAN DER MOLEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Groninger Vleeshandel B.V.,
kantoorhoudende te Groningen,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het productschap en de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 346096/HA ZA 09-2856 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 november 2009 en 29 september 2010;

b. de arresten in de zaak 200.075.655/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 26 juni 2012 en 13 november 2012.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft het productschap beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, alsmede door mr. J.W.A. Biemans, advocaat te Amsterdam, voor de curator.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing naar de rechter van eerste aanleg.

De advocaat van de curator heeft bij brief van 6 februari 2014 op die conclusie gereageerd. De advocaten van het productschap hebben dat gedaan bij brief van 7 februari 2014.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 14 juli 1993 heeft het bestuur van het productschap met het oog op de sanering van de runderslachtsector de Heffingsverordening PVV-fonds runderslachtsector (hierna: de heffingsverordening) vastgesteld. In art. 10 lid 2 van de heffingsverordening is bepaald dat de verordening in werking treedt op een nader door de voorzitter van het productschap te bepalen tijdstip.

(ii) Met verwijzing naar de heffingsverordening zijn aan Groninger Vleeshandel B.V. (hierna: GVH) maandelijks voorschotheffingen opgelegd, en daarna per jaar definitieve heffingen. De bedoelde heffingen betreffen de periode van (ongeveer) augustus 1995 tot 1 oktober 1998. In elk geval de voorschotheffingen zijn door GVH voldaan.

(iii) GVH heeft bezwaar gemaakt tegen de voorschotheffingen van 10 oktober 1995, 15 november 1995, 12 december 1995 en 11 januari 1996 (hierna: de vier bestreden voorschotheffingen). GVH heeft tegen de afwijzing van die bezwaren beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb).

(iv) GVH heeft tevens bezwaar gemaakt tegen de overige voorschotheffingen van 1996. Het productschap heeft die bezwaren bij besluit van 24 februari 1997 ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing op bezwaar is geen beroep ingesteld. Verder heeft GVH bezwaar gemaakt tegen de voorschotheffingen van januari-september 1997. Op deze bezwaren heeft het productschap, in overleg met GVH, nog niet beslist.

(v) Op 1 juni 1999 is GVH in staat van faillissement verklaard.

(vi) Op 1 december 1999 heeft het CBb in de procedure betreffende de vier bestreden voorschotheffingen geoordeeld dat de heffingsverordening niet in werking is getreden vanwege het ontbreken van het voor die inwerkingtreding vereiste besluit van de voorzitter van het productschap. Het CBb oordeelde dat de vier bestreden voorschotheffingen om die reden niet de vereiste wettelijke grondslag hadden.

(vii) Op 4 december 1999 heeft de voorzitter van het productschap een besluit genomen, met name inhoudende dat de heffingsverordening in werking treedt op de dag na afkondiging van dat besluit in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en dat die verordening terugwerkt tot en met 1 augustus 1995.

(viii) Op 11 mei 2001 heeft het productschap op grond van de heffingsverordening aan GVH nieuwe definitieve heffingen opgelegd over de periode 1995-1998.
De heffingen over de jaren 1995, 1996 en 1997 zijn opgelegd onder intrekking van de eerdere definitieve heffing over dat jaar.

(ix) Het productschap heeft op 29 maart 2005 de tegen deze (nieuwe) definitieve heffingen gerichte bezwaren afgewezen. Bij uitspraak van 6 december 2006 heeft het CBb het tegen deze beslissing gerichte beroep verworpen. De besluiten waarbij die definitieve heffingen zijn opgelegd, zijn daardoor onherroepelijk geworden.

(x) Het productschap heeft de vier bestreden voorschotheffingen op 29 maart 2005 ingetrokken.

3.2

In het onderhavige geding heeft de curator diverse vorderingen ingesteld die zijn gegrond op de stelling dat alle door GVH voldane (voorschot)heffingen uit de periode 1995-1998, onverschuldigd zijn betaald. De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat uitsluitend de vier bestreden voorschotheffingen onverschuldigd zijn voldaan. Wat betreft de betaling van de andere voorschotheffingen kan het productschap zich naar het oordeel van de rechtbank met succes beroepen op de formele rechtskracht van de desbetreffende heffingsbesluiten (zie rov. 2.6). Ter zake van de op 11 mei 2001 opgelegde definitieve heffingen heeft de rechtbank geoordeeld dat het productschap zich niet kan beroepen op verrekening op de voet van art. 53 Fw. Volgens de rechtbank vloeit de verplichting tot betaling van de desbetreffende heffingen voort uit het in werking treden van de verordening op 4 december 1999, en is de verplichting tot betaling van de heffingen derhalve een schuld die is ontstaan na de faillissementsdatum van 1 juni 1999. De heffingen vloeien evenmin voort uit handelingen die vóór de faillietverklaring met GVH zijn verricht (rov. 4.1-4.5). De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld.

3.3

Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat alle door GVH voldane voorschotheffingen betreffende de periode 1995-1998 als onverschuldigd betaald moeten worden aangemerkt. Volgens het hof kan het productschap zich niet met succes beroepen op formele rechtskracht van de desbetreffende heffingsbesluiten (rov. 2.8-2.15). Voorts was het hof van oordeel dat de vorderingen van het productschap die betrekking hebben op de op 11 mei 2001 opgelegde definitieve heffingen, niet voldoen aan de vereisten voor verrekening op de voet van art. 53 Fw (rov. 2.17-2.23). Het hof heeft in zijn eindarrest het productschap veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen GVH heeft voldaan op basis van voorschotheffingen betreffende de periode 1995-1998 (een bedrag van € 1.154.583,83 in hoofdsom).

3.4

Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat het productschap zijn vorderingen op GVH ter zake van de heffingen over de periode 1995-1998 niet op de voet van art. 53 Fw kan verrekenen met hetgeen het productschap ter zake van de voorschotheffingen aan GVH dient terug te betalen. De centrale stelling van de onderdelen 1 en 2 is dat de vorderingen uit de heffingsverordening van het productschap jegens GVH zijn ontstaan (in de zin van art. 53 Fw) vóór de faillietverklaring.

3.5

Bij de beoordeling van de onderdelen 1 en 2 wordt het volgende vooropgesteld.

De verordening is in werking getreden op het tijdstip dat door de voorzitter van het productschap is bepaald in zijn besluit van 4 december 1999, namelijk op de dag na afkondiging van dat besluit. Dat tijdstip is gelegen na de faillietverklaring. Het besluit bepaalt evenwel dat de verordening terugwerkt tot en met 1 augustus 1995. Het productschap heeft daardoor op grond van de verordening heffingen kunnen opleggen over de periode vanaf 1 augustus 1995, zoals ook blijkt uit de hiervoor in 3.1 onder (ix) vermelde uitspraak van het CBb van 6 december 2006. Dit betekent echter niet dat het productschap tevens geacht moet worden reeds voor 1 juni 1999 (de datum waarop GVH failliet is verklaard)vorderingen op GVH te hebben verkregen die het op de voet van art. 53 Fw in het faillissement in verrekening kan brengen. Dat dit het geval zou zijn, volgt niet uit art. 10 lid 2 van die verordening en evenmin uit het besluit van de voorzitter. Eerst vanaf het moment van inwerkingtreding van de verordening was het productschap tot heffing gelegitimeerd.

3.6

Hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen brengt voor de toepassing van art. 53 Fw op het onderhavige geval mee dat de schulden van GVH over de periode van 1995-1998 zijn ontstaan na 4 december 1999, dus na haar faillietverklaring. De onderdelen 1 en 2 stuiten hierop af.

3.7

Onderdeel 3 is gericht tegen een overweging ten overvloede en kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Onderdeel 4 behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt het productschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 6.275,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 mei 2014.