Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1164

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
12/05065
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:407, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:2001. I.c. gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp, te weten een met een elastiekje gebundelde hoeveelheid geldbedragen, die in een kluis in de kelder van de woning van verdachte in een doos van een televisie lagen, dat afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen doordat de gedragingen van verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd. Dat verdachte op deze wijze geldbedragen op deze plaats in zijn huis verborg, brengt immers nog niet zonder meer mee dat verdachte daarmee i.h.b. ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0227
RvdW 2014/763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 mei 2014

Strafkamer

nr. 12/05065

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 oktober 2012, nummer 24/000010-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 15 september 2011, in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, geldbedragen tot een totaal van 18.140,= euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft met betrekking tot een bewijsverweer het volgende overwogen en beslist:

"Namens verdachte is ter terechtzitting van het hof betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen afkomstig zijn van misdrijf.

Het hof overweegt hieromtrent dat uit de (...) bewijsmiddelen een vermoeden naar voren komt van de criminele herkomst van de geldbedragen, namelijk van het dealen in cocaïne. Voor dit strafbare feit heeft de rechtbank verdachte ook - zij het voor een beperkte periode - veroordeeld.

Verdachte heeft geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen met een totaal van € 18.140,=, die in een afgesloten kluis in de kelder van zijn woning werden aangetroffen. Verdachte - destijds verslaafd en zonder regulier inkomen - heeft ter zitting van de rechtbank aangegeven dat hij de geldbedragen, waarvan hij de omvang niet wist, voor een derde bewaarde. Ter zitting van het hof heeft verdachte aangegeven dat hij de geldbedragen destijds van een derde had gekregen om daarmee een autowasstraat te beginnen. In beide gevallen wilde verdachte de naam van deze derde niet noemen. Het hof stelt vast dat een legale herkomst van de geldbedragen niet aannemelijk is geworden en verwerpt het verweer.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte met de geldbedragen geen handelingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan het verhullen of verbergen van de criminele herkomst daarvan.

Het hof stelt vast dat de geldbedragen met een totaal van € 18.140,- door verdachte gebundeld met een elastiekje en samen met een tasje, inhoudende een vuurwapen en munitie, in een kluis, middel formaat, in de kelder van zijn huis in een doos van een flatscreentelevisie werden bewaard. Door de geldbedragen op een dergelijke wijze te bewaren heeft verdachte met betrekking tot die geldbedragen op versluiering gerichte handelingen verricht waarmee hij het zicht op de illegale herkomst van deze geldbedragen heeft ontnomen."

2.3.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001.)

2.4.

In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een met een elastiekje gebundelde hoeveelheid geldbedragen met een totaal van € 18.140,-, die in een kluis in de kelder van de woning van de verdachte in een doos van een flatscreentelevisie lagen - dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (handel in cocaïne). Het Hof heeft geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van die geldbedragen doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd. Dat de verdachte, zoals uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid, op deze wijze geldbedragen op deze plaats in zijn huis verborg, brengt immers nog niet zonder meer mee dat de verdachte daarmee in het bijzonder ook de criminele herkomst van dat geld heeft getracht te verbergen of te verhullen.

2.5.

Het middel slaagt.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014.