Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1098

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
11/04254
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:1814, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:1242, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 184.1 Sr. Falende bewijsklacht. Het Hof heeft uit de vastgestelde f&o niet onbegrijpelijk afgeleid dat de civielrechtelijke ontruiming van het pand geschiedde door de deurwaarder die het vonnis van de voorzieningenrechter aan de betrokkenen heeft betekend en dat de deurwaarder ex art. 444 Rv en o.g.v. de door de voorzieningenrechter aan de eisers verleende machtiging de daadwerkelijke ontruiming heeft doen bewerkstelligen ‘met behulp van de sterke arm’. Derhalve is het oordeel van het Hof dat de politieambtenaren bij de ontruiming van het pand handelden “ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift” juist. De HR volstaat ambtshalve met constateren dat de redelijke termijn is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0226
RvdW 2014/724
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 mei 2014

Strafkamer

nr. 11/04254

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 juni 2011, nummer 23/002602-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is door het Hof onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij omstreeks 30 oktober 2007 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk enige handeling, door ambtenaren van regiopolitie Amsterdam Amstelland, namelijk de ontruiming van het pand aan het Damrak 16, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, heeft belemmerd door het gooien van verfbommen."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal met nummer 2007 292535 van 30 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Naar aanleiding van het feit dat perceel Damrak 16 te Amsterdam is gekraakt, is door de officier van Justitie te Amsterdam, mr. J. Mul, toestemming gegeven tot ontruiming van de in dit perceel gelegen woning. Ik ben door of namens de eigenaar gemachtigd tot het doen van de vordering om de gekraakte woning te verlaten. Op 30 oktober 2007 bevond ik mij in het verbindings/commando voertuig nabij het te ontruimen pand. Dit voertuig is voorzien van een dakmegafoon, zijnde een elektrisch geluidversterkend middel.

1e vordering

Op 30 oktober 2007 heb ik via de dakmegafoon aan een ieder die zich in het perceel Damrak 16 bevond, gevorderd dit pand onmiddellijk te verlaten. De vordering was luid en duidelijk hoorbaar voor personen in en rondom het perceel en werd niet verstoord door andere geluiden. Na deze vordering heb ik ruimschoots gelegenheid gegeven het pand te verlaten. Door de bewoners is geen gehoor gegeven aan de vorderingen. Deze hebben de woning niet verlaten. Ik zag dat niemand het pand verliet. Ik zag dat de aanwezige personen bleven gooien met zogenaamde verfbommen.

2e vordering

Op 30 oktober 2007 is deze vordering door mij herhaald. Wederom was na de vordering ruimschoots de gelegenheid het pand te verlaten. Door de bewoners is wederom geen gehoor gegeven aan de vorderingen. Deze hebben de woning niet verlaten. Ik zag dat niemand het pand verliet. Ik zag dat de aanwezige personen bleven gooien met zogenaamde verfbommen. Na de vorderingen is de ontruiming van genoemd perceel aangevangen. In de woning zijn bij de ontruiming personen aangetroffen, die zijn aangehouden.

2. Een fotokopie van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector civiel, voorzieningenrechter, van 9 oktober 2007. Dit vonnis houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Vonnis in kort geding van 9 oktober 2007 in de zaak van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4], tegen hen die verblijven in de onroerende zaak of gedeelten daarvan gelegen aan het Damrak 16 te Amsterdam.

De beslissing:

De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagden om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen het pand aan het Damrak 16 te Amsterdam te ontruimen en ontruimd te houden, en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen, met machtiging van eisers om, zonodig met behulp van de sterke arm, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen,

bepaalt dat deze veroordeling binnen de in artikel 577a lid 3 Rv genoemde termijn van een jaar ook ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen een ieder die zich ten tijde van de tenuitvoerlegging daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet.

3. Een fotokopie van een exploit van gerechtsdeurwaarder J.S. Evers van gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers. Dit exploit houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 10 oktober 2007 op verzoek van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voor deze zaak tot aan het uiteinde van de tenuitvoerlegging van na te melden executoriale titel, heb ik, J.S. Evers, gerechtsdeurwaarder, aan:

Hen, die verblijven in de onroerende zaak, of een gedeelde daarvan, staande en gelegen te Amsterdam aan het Damrak 16, van wie de naam en woonplaatsen niet kunnen worden achterhaald, mitsdien mijn exploit doende en afschrift dezes, alsmede van te melden titel, latende ter plaatse in een gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, terwijl een uittreksel van deze dagvaarding en spoedigste bekend zal worden gemaakt in Het Parool.

BETEKEND:

De grosse van een vonnis op 9 oktober 2007 in kort geding gewezen door de Voorzieningrechter van de rechtbank te Amsterdam, in de zaak van mijn requiranten als eisers en gerequireerden als gedaagden. Voorts heb ik exploit doende en afschrift latende als boven gerelateerd, de gerequireerden uit krachte van de ten deze betekende executoriale titel.

BEVEL GEDAAN

Om aan de inhoud van de ten deze betekende veroordeling te voldoen en mitsdien binnen acht dagen na heden het perceel aan het Damrak 16 te Amsterdam met al het hunne en de hunnen te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking van requirante te stellen, met aanzegging dat bij niet tijdige voldoening aan dit bevel, de ten deze betekende executoriale titel zal worden ten uitvoer gelegd door alle middelen rechtens, met name door daadwerkelijke ontruiming van voormelde percelen.

4. Een proces-verbaal met nummer 2007292535 en 2007293601 van 2 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 30 oktober 2007 vond er in Amsterdam een civielrechtelijke ontruiming plaats van het gekraakte pand aan het Damrak 16 met behulp van de Mobiele Eenheid Hierbij werden diverse verdachten aangehouden ter zake openlijke geweldpleging en het niet voldoen aan bevel of vordering. Bij de ontruiming werd onder ander met verfbommen gegooid, waardoor schade is ontstaan aan politievoertuigen en politiekleding. Op 30 oktober 2007 werden bij deze ontruiming 8 personen aangehouden waaronder NNPL133CM0710300955.

Op 31 oktober werd gezien dat zich in het bewuste perceel enkele personen bevonden die bezig waren met het naar buiten gooien van verfbommen. In aansluiting hierop werd besloten tot een nieuwe ontruiming waarbij inzet van de Mobiele Eenheid noodzakelijk bleek. Binnen deze nieuwe ontruiming werd in het pand in de kruipruimte een drietal personen aangetroffen en aangehouden, waaronder NNPL133C.O.071031.1640. ter zake openlijke geweldpleging.

5. Een proces-verbaal met nummer 2007292535-1 van 1 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 31 oktober 2007 hoorde ik dat er nog steeds krakers zaten in het pand Damrak 16 te Amsterdam en dat zij vanaf het dak verfbommen naar de politie op straat gooiden. Op 31 oktober 2007 kreeg ik de opdracht de Tango 10 en 20 eenheden gereed te maken voor inzet ten behoeve van de ontruiming van Damrak 16. In het pand trof de Tango 10 eenheid drie personen aan waarvan twee met gasmaskers. Deze drie personen zijn aangehouden.

6. Een proces-verbaal met nummer 2007293601-1 van 31 oktober 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 31 oktober 2007 bevond ik mij als commandant van de aanhoudingseenheid, en wel de videogroep, op de openbare weg het Damrak te Amsterdam ter hoogte van perceel 16. Ik zag dat vanuit perceel Damrak 16 te Amsterdam door meerdere personen met verfbommen werd gegooid in de richting van de mobiele eenheid. Ik zag dat vanaf de tweede verdieping vanuit de geopende ramen met verfbommen werd gegooid op de voertuigen van de mobiele eenheid en dat deze verfbommen op de voertuigen uiteen spatten, Ik zag dat het voertuig van de algemeen commandant, alsmede de waterwerper door de verfbommen werd getroffen en dat de verf over de voertuigen uiteen vloeide, Ik zag dat een persoon gekleed in een zwarte trui, cq bovenkleding, met op zijn hoofd een gasmasker, minstens 10 x met verfbommen vanuit het pand gooide in de richting van de herkenbare politievoertuigen en politiepersoneel. Ik zag dat er ook door een andere persoon met een gasmasker op zijn hoofd met verfbommen vanuit perceel Damrak 16 werd gegooid. Ik zag dat ook deze persoon minstens 10 keer gooide in de richting van de herkenbare politievoertuigen en politiepersoneel. Ik zag dat meerdere verfbommen verfschade aan de voertuigen en het wegdek veroorzaakten. Ik hoorde dat na een uitgebreid onderzoek uit de kruipruimte van perceel Damrak 16 te Amsterdam 3 mannen waren aangetroffen welke de enige aangetroffen personen waren in het pand. Een van de mannen betrof NNPL133C.O.071031.1640.

7. Een proces-verbaal met nummer 2007 294991-1 van 1 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 31 oktober zag ik dat op de derde etage van perceel Damrak 16 drie personen gekleed in het zwart en met bivakmutsen op uit de ramen hingen, Ik zag dat zij bollen in hun handen hadden, gelijk aan de bollen die werden gebruikt tijdens de ontruiming van 30 oktober 2007. Deze bollen bevatten verf. Ik zag dat de voorzieningen die door de aannemer waren aangebracht op 30 oktober 2007 om herkraak te voorkomen geen sporen van braak hadden. Terwijl ik daar stond zag ik dat de drie personen tegelijkertijd vanuit het pand voornoemd begonnen te gooien met de bollen. De mobiele eenheid is ter plaatse gekomen en heeft het pand wederom ontruimd.

8. Een proces-verbaal met nummer 2007 292535-1 van 4 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Naar aanleiding van de ontruiming van perceel Damrak 16 te Amsterdam op 31 oktober 2007 heb ik de beelden bekeken. Op de beelden is te zien een persoon gekleed in een zwarte broek met zwart gestreepte trui en gympen. De gympen zijn grijs met zwart van kleur en hebben een witte rand aan de onderzijde, niet zijnde de onderkant. Deze is zwart van kleur. Onder de gestreepte trui draagt de persoon een sweater met een zwarte capuchon en een gasmasker. Er is waarneembaar dat deze persoon meerdere verfbommen gooit en dat voertuigen van de mobiele eenheid besmeurd zijn met verf. De waarnemingen heb ik vergeleken met de genomen staande foto's en genomen foto's van de schoenen van de 3 aangehouden personen. Hieruit blijkt dat er slechts één persoon is met schoenen die overeenkomen met de videobeelden. De persoon met deze schoen is:

NN PL133C.O.071031.1640.

9. Een proces-verbaal met nummer 2007 293601-1 van 4 november 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 31 oktober 2007 is een NN verdachte aangehouden en gedact. Hij kreeg als naam het volgende nummer:

NNPL133C O 071031 1640 (geslacht man).

De vingerafdrukken zijn gecontroleerd. Hij blijkt te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats]."

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring onder 3, voor zover inhoudende het zinsdeel "ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift".

3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"29. Vrijspraak dient op de vierde plaats te volgen omdat de politie niet handelde ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift.

Enkele vaststellingen vooraf

30. Vooropgesteld zij dat hier geen sprake was van een zogenoemde strafrechtelijke ontruiming. Terzijde: de Hoge Raad heeft op 9 oktober 2009 bepaald dat voor strafrechtelijke ontruimingen van kraakpanden zonder nadere formele wetgeving geen rechtsgrondslag bestaat. Vgl. HR 9 oktober 2009, LJN BJ1254

31. Verder was hier geen sprake van een ontruiming op grond van verstoring van de openbare orde. Zo'n ontruiming dient immers op last van de burgemeester plaats te vinden en van zo'n last blijkt niet uit het dossier. Het ging hier (louter) om een civielrechtelijke ontruiming.

Rv bood geen rechtsgeldige basis voor politieoptreden

32. Art. 556 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt dat gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. Ingevolge art. 557 jo. 444 Rv kan de deurwaarder de burgemeester inschakelen als hij op een dichte deur stuit, en kan op zijn beurt de burgemeester zich laten vertegenwoordigen door de politie. Verder draagt art. 444 Rv de burgemeester of de politie op toezicht uit te oefenen op de feitelijke ontruiming. De gedragingen van de politie behoren zich in dit kader dus te beperken tot handelingen ter uitvoering van de taak van de deurwaarder.

33. Uit de stukken in deze zaken blijkt op geen enkele wijze van een optreden van de deurwaarder. Laat staan dat de gedragingen van de politie hem/haar ondersteunden. Reden reeds waarom niet rechtsgeldig aan de uitvoering van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering werd voldaan.

34. Art. 444 Rv schrijft verder voor dat vertegenwoordiging van de burgemeester dient te geschieden door een hulpofficier van justitie, derhalve kan niet iedere willekeurige ambtenaar deze bevoegdheid uitoefenen. Uit het dossier blijkt niet van de aanwezigheid van een hulpofficier van justitie. Ook een reden waarom niet rechtsgeldig aan het wetboek van burgerlijke rechtsvordering werd voldaan.

Art. 2 Politiewet biedt ook i.c. onvoldoende basis

35. Art. 2 Politiewet onderscheidt twee hoofdtaken: hulpverlening aan degenen die dat behoeven en handhaving van de openbare orde en strafrechtelijke handhaving.

36. Dat de ontruiming geen uiting was van strafrechtelijke handhaving is reeds bepleit. Ook is al bepleit dat hier geen sprake van ontruiming in het kader van de handhaving van de openbare orde omdat een last daartoe van de burgemeester niet is gegeven (vgl. Art. 174a Gemeentewet). Er was tot slot evenmin sprake van hulpverlening in de zin van art. 2 Politiewet. Die taak ziet immers op daadwerkelijke verlening van raad en bijstand aan het publiek. Bijvoorbeeld het waarschuwen voor calamiteiten en het oplossen van noodsituaties waarin mensen of dieren zich bevinden.

Vgl. D.J. Elzinga, Het Nederlandse politierecht, Zwolle 1995, pag. 43-44

37. Hoe ook: het ontruimen van woonruimte kan niet worden geschaard onder hulpverlening ex art. 2 Politiewet en dient vrijspraak te volgen ook op die grond."

3.3.

Het Hof heeft hieromtrent het volgende overwogen en beslist:

"(...) Het hof is met de raadsman van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake was van een zogenoemde strafrechtelijke ontruiming, maar dat het hier ging om een civielrechtelijke ontruiming. Het hof is van oordeel dat de basis voor deze civielrechtelijke ontruiming kan worden gevonden in het bepaalde in de zesde afdeling van de tweede titel van boek twee juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en baseert dat op de volgende feiten en omstandigheden.

In het dossier bevindt zich een vonnis in kort geding van 9 oktober 2007 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, sector civiel recht, waarin deze hen die verblijven in de onroerende zaak of gedeelten daarvan gelegen aan het Damrak 16 te Amsterdam, veroordeelt om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen het pand aan het Damrak 16 te Amsterdam te ontruimen en ontruimd te houden, en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen, met machtiging van eisers om, zonodig met behulp van de sterke arm, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. Voornoemd ontruimingsvonnis is, zo blijkt uit een fax van gerechtsdeurwaarderskantoor Groot & Evers, op 10 oktober 2007 door J.S. Evers, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, betekend aan hen die verblijven in de onroerende zaak, of een gedeelte daarvan, staande en gelegen te Amsterdam, aan het Damrak 16. In dit betekeningsdespoot is aangezegd dat bij niet tijdige voldoening aan de beide bevelen binnen de gestelde termijn van acht dagen, de ten deze betekende executoriale titel zal worden ten uitvoer gelegd door alle middelen rechtens [...], met name door daadwerkelijke ontruiming van voornoemde percelen in oktober 2007.

Uit het proces-verbaal van vordering, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] op 30 oktober 2007 (proces-verbaalnummer 2007292535), blijkt dat deze verbalisant door of namens de eigenaar was gemachtigd tot het doen van de vordering om de gekraakte woning te verlaten. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3], inspecteur van politie, van 1 november 2007 (proces-verbaalnummer 2007292535-1) blijkt dat zij op 30 oktober 2007 was belast met het binnentreden en ontruimen van Damrak 16 te Amsterdam. Blijkens een door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2011 overgelegd en in het dossier gevoegd certificaat van de politieacademie van 11 mei 2005, was [verbalisant 3] voornoemd tevens hulpofficier van justitie. Het hof is op grond van voormelde feiten en omstandigheden van oordeel dat het hier ging om een civielrechtelijke ontruiming, die zijn basis vindt in het bepaalde in de zesde afdeling van de tweede titel van boek twee juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en dat de politie niet heeft gehandeld in strijd met de wet. Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3.4.

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bevat in de Derde Titel van het Tweede Boek een regeling met betrekking tot de gerechtelijke tenuitvoerlegging van vonnissen op onroerende zaken. De voor de beoordeling van het middel relevante wetsbepalingen luiden als volgt:

Art. 555 Rv:

"De gedwongen ontruiming van onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploit van een deurwaarder, houdende bevel om binnen drie dagen aan de executoriale titel te voldoen. De artikelen 502 en 503 zijn van overeenkomstige toepassing."

Art. 556 Rv:

"1. De gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder.

2. Deze kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in zijn proces-verbaal zal vermelden en die dit stuk mede zullen tekenen."

Art. 557 Rv:

"Indien de deuren gesloten zijn, of de opening geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer te openen, is artikel 444 van overeenkomstige toepassing."

Art. 444 Rv:

"1. De deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

2. Indien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij de burgemeester der gemeente in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen door een ambtenaar van politie die tevens hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de volgende drie artikelen, is verricht, zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal van beslag.

3. (...)"

3.5.

Het Hof heeft vastgesteld:

(i) dat de ontruiming van het pand aan het Damrak 16 te Amsterdam is geschied ter tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam, sector civiel recht, van 9 oktober 2007, in welk vonnis degenen die verblijven in de onroerende zaak of gedeelten daarvan gelegen aan het Damrak 16 te Amsterdam, zijn veroordeeld om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis "met al het hunne en de hunnen het pand aan het Damrak 16 te Amsterdam te ontruimen en ontruimd te houden", met machtiging van de in het vonnis genoemde eisers om, zo nodig met behulp van de sterke arm, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen;

(ii) dat dit vonnis op 10 oktober 2007 door de deurwaarder is betekend aan degenen die in genoemd vonnis zijn veroordeeld tot ontruiming, onder aanzegging dat bij niet voldoening aan het bevel tot ontruiming het vonnis zal worden tenuitvoergelegd door alle middelen rechtens, met name door daadwerkelijke ontruiming van het perceel;

(iii) dat aan het bevel tot ontruiming geen gevolg is gegeven;

(iv) dat de daadwerkelijke ontruiming van het pand, met toestemming van de officier van justitie, is bewerkstelligd door tussenkomst van de mobiele eenheid van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland.

3.6.

Het Hof heeft uit de door hem vastgestelde feiten en omstandigheden - niet onbegrijpelijk - afgeleid dat de civielrechtelijke ontruiming van het pand geschiedde door de deurwaarder die het vonnis van de voorzieningenrechter op 10 oktober 2007 aan de betrokkenen heeft betekend en dat de deurwaarder op de voet van art. 444 Rv en op grond van de door de voorzieningenrechter aan de eisers verleende machtiging de daadwerkelijke ontruiming heeft doen bewerkstelligen "met behulp van de sterke arm". Het oordeel van het Hof dat de ambtenaren van regiopolitie Amsterdam-Amstelland bij de ontruiming van het pand handelden ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, is derhalve juist. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

3.7.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier dagen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de

Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 mei 2014.