Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1097

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
12/04338
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:362, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. N-o verklaring betrokkene in h.b.

Het oordeel van het Hof dat mr. X ttz. in e.a. voor de betrokkene is opgetreden als gemachtigd raadsman i.d.z.v. art. 279.1 Sv is niet onbegrijpelijk. Het middel faalt v.zv. het hierover klaagt. Art. 511e.2 (oud) Sv i.c. niet van toepassing. De omstandigheid dat ttz. in e.a. een gemachtigde raadsman a.b.i. art. 279.1 Sv is opgetreden en aldaar in zijn aanwezigheid het tijdstip van de uitspraak is medegedeeld, brengt mee dat gelet op art. 408 Sv i.v.m. art. 511g Sv een rechtsmiddel tegen de op tegenspraak gewezen einduitspraak binnen 14 dagen na die uitspraak diende te worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2014-0220
NJB 2014/1104
RvdW 2014/725
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 mei 2014

Strafkamer

nr. S 12/04338 P

AGE/NLI

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 2012, nummer 22/001613-11, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

"De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2012 gevorderd dat de ter terechtzitting in hoger beroep verschenen veroordeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep.

De raadsman van de veroordeelde heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2012 - overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnotities - betoogd, kort en zakelijk weergegeven, dat de veroordeelde niet aanwezig was ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2009. Om die reden had op grond van artikel 511e, lid 2, (oud) van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) een kennisgeving van de dag van de uitspraak aan de veroordeelde in persoon moeten worden betekend. Dit staat los van de vraag of een (al dan niet) gemachtigd raadsman wel ter zitting is verschenen. Nu uit het dossier niet blijkt dat een dergelijke kennisgeving aan de veroordeelde is betekend, is de appeltermijn van twee weken gaan lopen op het moment dat de veroordeelde voor het eerst bekend is geworden met het vonnis van 10 december 2009, te weten op 18 maart 2011, de dag waarop de opgelegde betalingsverplichting ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) aan de veroordeelde is uitgereikt in de PI Heerhugowaard. Er is dus tijdig hoger beroep ingesteld en de veroordeelde is ontvankelijk in zijn hoger beroep.

De raadsman heeft voorts betoogd dat, indien het hof van oordeel is dat met de aanwezigheid van de raadsman de betekening van de kennisgeving ex artikel 511e, lid 2, WvSv niet vereist is, het van belang is om vast te stellen of de dag van de uitspraak daadwerkelijk ter zitting van 29 oktober 2009 is bepaald. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de enkele aantekening op het vonnis d.d. 10 december 2009 dat het vonnis op tegenspraak is gewezen, van te weinig waarde is nu de verdediging betwist of ter zitting van de rechtbank aan mr. Slewe is gevraagd of hij bepaaldelijk gevolmachtigd was. Teneinde hieromtrent uitsluitsel te krijgen heeft de raadsman op 6 juni 2012 verzocht het proces-verbaal van de zitting van 29 oktober 2009 op te laten maken. Het hof heeft dit verzoek toegewezen.

Het uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting van 29 oktober 2009, vastgesteld door de griffier en de oudste rechter en ondertekend door de oudste rechter, is aan de stukken toegevoegd. Het hof zal van de inhoud van dit proces-verbaal uitgaan.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 17 augustus 2012 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat bij de behandeling van de zaak voor de rechtbank kennelijk niet aan mr. Slewe is gevraagd of hij bepaaldelijk was gevolmachtigd door de veroordeelde. Het enkele feit dat mr. Slewe ter terechtzitting de verdediging heeft gevoerd betekent niet automatisch dat hij gemachtigd was. De verdediging heeft voorts gepersisteerd bij hetgeen ter terechtzitting op 6 juni 2012 is betoogd en geconcludeerd dat de veroordeelde ontvankelijk is in het hoger beroep.

Het hof overweegt als volgt.

Procedurele gang van zaken in eerste aanleg:

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 28 maart 2007 is de veroordeelde noch zijn raadsman verschenen. Het onderzoek werd toen geschorst.

Uit het proces-verbaal van de zitting van de 29 oktober 2009 van de rechtbank blijkt het volgende.

Het onderzoek werd hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing bevond. De raadsman heeft daarmee ingestemd.

Mr. Slewe heeft een conclusie van antwoord ingediend namens zijn cliënt. Hij heeft het woord ter verdediging gevoerd. Hij heeft een pleitnota overlegd.

In aanwezigheid van mr. Slewe, is medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 10 december 2009 te 13:00 uur.

Genoemd proces-verbaal vermeldt niet dat de raadsman heeft verklaard dat hij - al dan niet - door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd was hem te verdedigen.

De wettelijke regeling:

Artikel 279 Wetboek van Strafrecht (WvSr) bepaalt:

1. De verdachte die niet is verschenen, kan zich ter terechtzitting laten verdedigen door een advocaat die verklaart daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd. De rechtbank stemt daarmee in, onverminderd het bepaalde in artikel 278, tweede lid.

2. De behandeling van de zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt als een procedure op tegenspraak.

Overweging van het hof:

Uit meergenoemd proces-verbaal van 29 oktober 2009 blijkt niet dat de raadsman tijdens die zitting heeft verklaard dat hij - al dan niet - door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd was hem te verdedigen.

Het hof gaat er derhalve van uit, conform het standpunt van de raadsman, dat de rechtbank hem daar niet naar heeft gevraagd. Het hof gaat er voorts vanuit dat de raadsman niet heeft verklaard dat hij uitdrukkelijk gemachtigd was en evenmin dat hij niet uitdrukkelijk gemachtigd was.

Het hof heeft in het dossier een proces-verbaal, houdende de wijziging van het proces-verbaal van 29 oktober 2009 aangetroffen. Aangezien dit proces-verbaal niet is ondertekend laat het hof dit buiten beschouwing.

Het hof overweegt voorts dat in casu uit de geschetste zaken blijkt dat mr. Slewe zich ook in materieel opzicht als gemachtigd raadsman heeft gedragen.

Het Hof stelt vast dat de rechtbank daarmee, zij het impliciet, heeft ingestemd.

Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking. Niet is aangevoerd dat mr. Slewe niet gemachtigd was. Voorts heeft de voorzitter van het hof op 6 juni 2012 de veroordeelde gevraagd of hij zich nog kan herinneren of hij bij de behandeling in eerste aanleg mr. Slewe heeft gevolmachtigd om ter terechtzitting namens hem de verdediging te voeren. De veroordeelde heeft daarop geantwoord dat zijn toenmalige raadsman hem heeft gezegd wanneer de zitting plaatsvond en dat hij (zijn raadsman) er naar toe zou gaan. De veroordeelde denkt dat dit mr. Slewe was. De veroordeelde heeft voorts verklaard dat hij zijn raadsman toestemming heeft gegeven om namens hem de verdediging te voeren.

Een en ander brengt het hof concluderend tot het oordeel dat de op 29 oktober 2009 ter terechtzitting in eerste aanleg verschenen raadsman van veroordeelde, mr. Slewe, aldaar voor de veroordeelde is opgetreden als gemachtigd raadsman in de zin van artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Nu de datum en het tijdstip van de uitspraak ter zitting in aanwezigheid van de uitdrukkelijk gemachtigd raadsman is medegedeeld, had door of namens de veroordeelde uiterlijk binnen veertien dagen na het op 10 december 2009 gewezen vonnis in hoger beroep moeten worden aangetekend.

Anders dan de raadsman heeft betoogd brengen de (alstoen) geldende wettelijke regels niet met zich mee dat aan de veroordeelde een kennisgeving van de uitspraak had moeten worden betekend, waarna de beroepstermijn pas zou zijn aangevangen. Dit verweer wordt verworpen.

Eerst op 23 maart 2011 is het hoger beroep ingesteld. De veroordeelde dient daarin derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de betrokkene niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.2.

Het middel richt zich vooreerst tegen het oordeel van het Hof dat mr. Slewe ter terechtzitting van de Rechtbank van 29 oktober 2009 uitdrukkelijk was gemachtigd als bedoeld in art. 279 Sv om namens de niet-verschenen betrokkene het woord tot verdediging te voeren.

3.3.

Het Hof heeft vastgesteld dat op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 oktober 2009 de betrokkene niet is verschenen doch wel de raadsman mr. Slewe en dat mr. Slewe aldaar het woord tot verdediging heeft gevoerd. Dit betekent dat de raadsman op 29 oktober 2009 het woord tot verdediging niet kon voeren anders dan op de voet van art. 279, eerste lid, Sv.

3.4.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2012 blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft verklaard dat hij zijn raadsman "toestemming [heeft] gegeven om namens mij de verdediging te voeren" ter terechtzitting van de Rechtbank, is het oordeel van het Hof dat mr. Slewe aldaar voor de betrokkene is opgetreden als gemachtigd raadsman in de zin van art. 279, eerste lid, Sv niet onbegrijpelijk.

3.5.

In zoverre faalt het middel.

3.6.

Het middel richt zich voorts tegen het oordeel van het Hof dat de (toen) geldende wettelijke regels niet met zich brachten dat aan de betrokkene op de voet van art. 511e Sv "een kennisgeving van de uitspraak had moeten worden betekend, waarna de beroepstermijn pas zou zijn aangevangen".

3.7.

De omstandigheid dat op de laatstgehouden terechtzitting in eerste aanleg een gemachtigde raadsman als bedoeld in art. 279, eerste lid, Sv is opgetreden en aldaar in zijn aanwezigheid de datum en het tijdstip van de uitspraak is medegedeeld, brengt mee dat een rechtsmiddel tegen de op tegenspraak gewezen einduitspraak - gelet op art. 408 Sv, dat ingevolge art. 511g Sv van overeenkomstige toepassing is - binnen veertien dagen na die uitspraak diende te worden ingesteld en dat het voorschrift van art. 511e, tweede lid, (oud) Sv te dezen niet van toepassing is. Het oordeel van het Hof dat het door de betrokkene op 23 maart 2011 ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 10 december 2009 na het verstrijken van de beroepstermijn is ingesteld, geeft dus niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.8.

Het middel faalt ook in zoverre.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2014.