Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
13/02964
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bank weigert aan oud-werknemer, die elders wil gaan werken, een integriteitsverklaring o.g.v. Integriteitscode banken. Moest het hof de weigeringsgronden in onderlinge samenhang beoordelen? Onvoldoende gemotiveerd oordeel?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0407
NJB 2014/983
Prg. 2014/164
AR 2014/267
RvdW 2014/688
JWB 2014/224
NJ 2014/250 met annotatie van
RAR 2014/99
RAV 2014/70
TRA 2014/67 met annotatie van J.J.M. de Laat
RF 2014/57
JAR 2014/145
JOR 2014/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 mei 2014

Eerste Kamer

nr. 13/02964

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. Heering,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als ABN AMRO en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 05-33300 van de kantonrechter te Amsterdam van 13 september 2006;

b. de arresten in de zaak 106.006.035/01 van het gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2008, 2 november 2010, 27 maart 2012 en 12 februari 2013.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 12 februari 2013 heeft ABN AMRO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, vernietiging van het vonnis in prima, afwijzing van [verweerder] vorderingen en veroordeling van [verweerder] in de kosten van drie instanties.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] is van 1 oktober 1974 tot 1 mei 2005 bij ABN AMRO in dienst geweest. Zijn laatste functie bij de bank was districtsdirecteur van het district Amsterdam-Zuid.

(ii) De arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en ABN AMRO is, conform de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst, door de kantonrechter ontbonden onder toekenning van een vergoeding aan [verweerder] van € 770.000,-- bruto.

(iii) ABN AMRO is lid van de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: NVB); zij heeft zich verbonden aan de, op 20 mei 1998 door de algemene ledenvergadering van de NVB vastgestelde integriteitscode (hierna: de Integriteitscode).

(iv) In de considerans van de Integriteitscode is vermeld dat de daarin neergelegde gedragsregels “tot uitdrukking brengen dat de leden van de NVB groot belang toekennen aan een integere wijze van opereren van hun individuele medewerkers en hun organisaties als geheel”. De artikelen 1 en 2 van de “Algemene gedragsregels” luiden voor zover van belang:

“1. De leden zullen zich inspannen zich er van te vergewissen dat nieuw aan te trekken medewerkers voldoen aan ter zake te stellen eisen van integriteit en kunnen bij een ander lid, tevens voormalig werkgever van de betrokkene, ter zake informatie inwinnen, waaraan dit lid, onder voorbehoud van toestemming van de betrokkene, medewerking zal verlenen. (...)

2. De leden zullen bevorderen dat hun medewerkers zich bij de uitoefening van het bancaire bedrijf in de meest ruime zin onthouden van iedere gedraging of medewerking aan gedragingen die afbreuk doet aan de integriteit.”

(v) [verweerder] is met ingang van 1 mei 2005 in dienst getreden bij Fortis Bank (Nederland) als relatiemanager bij MeesPierson. In de arbeidsovereenkomst is het niet verkrijgen van een integriteitsverklaring als ontbindende voorwaarde opgenomen.

(vi) Op het verzoek van MeesPierson een integriteitsverklaring betreffende [verweerder] af te geven, heeft ABN AMRO geantwoord dat zij deze verklaring niet (zonder meer) kan ondertekenen omdat zij niet kan bevestigen dat zij geen aanleiding heeft aan de integriteit van [verweerder] te twijfelen. ABN AMRO heeft daaraan onder meer toegevoegd:

“De reden voor de beëindiging van het dienstverband van [verweerder] is kort gezegd gelegen in het feit dat zijn managementstijl met regelmaat in strijd is gebleken met onze Corporate Values. Commerciële en financiële resultaten halen is van groot belang, maar niet ten koste van alles. Ten opzichte van zijn medewerkers heeft [verweerder] bij voortduring de menselijke maat uit het oog verloren, waardoor een aantal van hen beschadigd raakte.

Voorts was door zijn manipulerende optreden een vertrouwensbreuk ontstaan met zijn gehele managementteam. Ook tijdens de onderhandelingen rond de beëindiging van zijn dienstverband heeft [verweerder] geprobeerd de bank op een ongeoorloofde manier onder druk te zetten, terwijl toen ook bleek dat hij kopieën van bankdocumenten thuis had, die eerst zijn ingeleverd toen wij gedreigd hebben hem daarom op staande voet te ontslaan.”

(vii) MeesPierson heeft [verweerder] vervolgens medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst met hem als van rechtswege geëindigd beschouwt omdat de ontbindende voorwaarde is vervuld.

(viii) [verweerder] heeft ABN AMRO in kort geding gedagvaard tot afgifte van de integriteitsverklaring. Deze voorziening is geweigerd.

3.2.1

In de onderhavige procedure vordert [verweerder] een verklaring voor recht dat ABN AMRO schadeplichtig is jegens hem op de grond dat zij afgifte van de integriteitsverklaring ten onrechte heeft geweigerd.

3.2.2

De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Naar zijn oordeel kan niet worden gezegd dat bij ABN AMRO in redelijkheid twijfel kon ontstaan over de integriteit van [verweerder], aangezien zij heeft nagelaten daarnaar deugdelijk onderzoek te doen.

3.2.3

In zijn eerste tussenarrest heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat het antwoord op de vraag of [verweerder] integer was in de zin van de Integriteitscode niet in het midden kan blijven. Als [verweerder], zoals ABN AMRO stelt, niet integer was in de door de code bedoelde zin, heeft zij de afgifte van de integriteitsverklaring terecht geweigerd. Als [verweerder] wel integer was, heeft ABN AMRO de verklaring ten onrechte niet afgegeven (rov. 4.4).

Het hof heeft vervolgens de door ABN AMRO als niet integer aangemerkte gedragingen onderzocht. Het hof heeft die gedragingen als volgt weergegeven (rov. 4.5):

a) [verweerder] gaf medewerkers plots, ongevraagd en zonder aanwijsbare grond promoties of salarisverhogingen, naar de indruk van die medewerkers om hun loyaliteit te "kopen".

b) [verweerder] stond bevriende relaties toe verder "rood te staan" dan volgens de richtlijnen van ABN AMRO was toegelaten en droeg medewerkers op om in strijd met die richtlijnen zodanige administratieve kunstgrepen toe te passen dat zijn toezegging aan die relatie kon worden uitgevoerd.

c) [verweerder] liet zijn secretaresse een jaar lang rijden in een door de bank geleasede auto en gebruikte zijn naam en functie bij ABN AMRO om te bewerkstelligen dat een bevriende relatie een door ABN AMRO gesponsorde auto kreeg.

d) [verweerder] manipuleerde en loog regelmatig, bijvoorbeeld door tegen A te zeggen dat B hem iets over A had verteld wat bij navraag niet gezegd was.

e) [verweerder] gebruikte stelselmatig bankfaciliteiten ten gunste van vrienden en kennissen.

f) In december 2003 probeerde [verweerder] te bewerkstelligen dat verzekeringscontracten van een ander filiaal van ABN AMRO werden overgeheveld naar het kantoor aan de Apollolaan omdat [verweerder] zijn doelstelling niet had gehaald.

g) In diezelfde maand droeg [verweerder] een medewerker op € 4.000,-- als overeengekomen verzekeringspremie te boeken, terwijl de desbetreffende verzekeringsovereenkomst nog niet tot stand gekomen was en ook niet tot stand gekomen is.

h) [verweerder] toonde een "chronisch" gebrek aan respect voor medewerkers.

i) Medio 2004 dwong [verweerder] een accountmanager een nog niet overeengekomen lening van € 5 miljoen te boeken alsof deze al was overeengekomen.

Het hof heeft in zijn beoordeling mede de volgende, door ABN AMRO genoemde, door het hof 1) tot en met 4) genummerde, gedragingen betrokken:

1) de gang van zaken die aanleiding was tot de tweede heisessie,

2) de gang van zaken met betrekking tot een e-mail van het managementteamlid [betrokkene 1],

3) het feit dat tijdens de onderhandelingen op 26 augustus 2004 bleek dat [verweerder] in strijd met de daarvoor geldende regels interne stukken van ABN AMRO thuis had en

4) "chantage" door [verweerder] tijdens datzelfde gesprek op 26 augustus 2004.

Met betrekking tot de hiervoor bij a), d), 1) en 2) genoemde gedragingen heeft het hof overwogen dat dit geen gedrag betreft waarop de Integriteitscode ziet. Ter zake van de gedragingen hiervoor genoemd bij b), f) en 4), respectievelijk c), en g) in samenhang met i) heeft het hof ABN AMRO gelegenheid gegeven bewijs te leveren, respectievelijk bij akte een nadere toelichting te geven. De gedragingen genoemd bij e), h), en 3) heeft het hof aangemerkt als onvoldoende om als grond te kunnen dienen voor het weigeren van de integriteitsverklaring (e) en h)), respectievelijk om [verweerder] als niet-integer in de zin van de Integriteitscode te beschouwen (3)).

3.2.4

In zijn eindarrest heeft het hof met betrekking tot de bij b), f), en g) in samenhang met i) vermelde, door ABN AMRO gestelde gedragingen als volgt geoordeeld.

Ten aanzien van b) (verlening van een krediet op verzoek van [verweerder] aan [betrokkene 2], bevriend met de zoon van een relatie van [verweerder]):

“2.7 (…) [verweerder] betwist niet dat volgens de daarvoor destijds bij ABN AMRO bestaande richtlijnen geen kredietfaciliteit verstrekt mocht worden aan particulieren die als slechte betaler geregistreerd stonden bij het BKR. Dat betekent dat [verweerder], anders dan hij heeft gedaan, niet aan [betrokkene 3] had mogen vragen [betrokkene 2] een particulier krediet te verstrekken. Dat [verweerder] dat wel heeft gedaan is afkeuringswaardig maar betekent niet dat ABN AMRO [verweerder] enkel op grond hiervan niet-integer gedrag kan verwijten in de zin van de code en het afgeven van een integriteitverklaring heeft mogen weigeren. Niet alleen heeft [verweerder] het onderhavige krediet niet zelf verstrekt maar heeft [betrokkene 3] dat gedaan – die kennelijk geen aanleiding heeft gezien zijn direct-leidinggevende [betrokkene 1] te raadplegen over de vraag of het krediet wel mocht worden verleend – maar bovendien gaat het om één geval – en heeft [verweerder] niet stelselmatig bevriende relaties kredietfaciliteiten verleend in strijd met de daarvoor bestaande richtlijnen, zoals ABN AMRO aanvankelijk suggereerde – en betreft het een krediet tot een zeer beperkt bedrag. Van belang is ook dat uit de verklaring van [betrokkene 3] niet blijkt dat [verweerder] hem onder druk heeft gezet tot kredietverlening over te gaan.”

Ten aanzien van f):

“2.10 Het hof acht het op grond van de verklaringen van [betrokkene 4] en [betrokkene 1] genoegzaam bewezen dat [verweerder] eind 2003 [betrokkene 4] heeft gevraagd [betrokkene 5] te bellen over het overhevelen van omzet uit de verkoop van verzekeringen en dat hij in hun bijzijn een telefoongesprek over het overhevelen van omzetten heeft gevoerd toen [betrokkene 4] niet op zijn verzoek wilde ingaan. (…).

2.11

Ook dit gedrag van [verweerder] is niet erg gelukkig, maar ook hier geldt dat dit de conclusie dat [verweerder] niet integer was in de zin van de code en dat ABN AMRO op grond van dit gedrag gerechtigd was het afgeven van een integriteitsverklaring te weigeren, niet rechtvaardigt, ook niet in combinatie met het onder 2.7 omschreven gedrag. Uit de verklaringen van beide genoemde getuigen blijkt immers ook dat het overhevelen van omzet – zo dit technisch al mogelijk was – onmiddellijk zou zijn opgemerkt door de medewerkers van het kantoor Apollolaan. Niet voorstelbaar is daarom dat het daadwerkelijk tot overheveling van omzet zou zijn gekomen als [betrokkene 5] daarin had toegestemd.”

Ten aanzien van g) in samenhang met i):

“2.19 Zelfs als [verweerder] een verzekeringspremie in het RDW systeem heeft laten boeken op een moment dat de desbetreffende verzekeringsovereenkomst nog niet was afgesloten of daarin een leningsovereenkomst heeft laten opnemen die nog niet definitief was, betekent dat nog niet dat [verweerder] daarmee niet integer heeft gehandeld in de zin van de code. Het systeem voorzag immers in een correctie van onjuiste vermeldingen en was uitsluitend bedoeld voor een competitie tussen de verschillende filialen van ABN AMRO. Het al dan niet bewust aanleveren van onjuiste gegevens voor dit systeem valt niet onder de in [verweerder] professioneel functioneren te vergen integriteit, waar de code betrekking op heeft.”

Het hof is tot de conclusie gekomen dat ABN AMRO geen goede reden had afgifte van de integriteitsverklaring aan MeesPierson te weigeren en heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

3.3.1

Het middel bevat motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.2.4 aangehaalde oordelen. Met betrekking tot elk van die oordelen acht het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom het hof het desbetreffende gedrag niet heeft aangemerkt als strijdig met de Integriteitscode. Voorts klaagt het middel aan het slot van onderdeel 3.1 erover dat het hof zich niet kenbaar rekenschap heeft gegeven van de vraag of de bewezen geachte gedragingen in onderlinge samenhang, alsmede in samenhang met de overige, in rov. 4.5 van het eerste tussenarrest vermelde gedragingen, rechtvaardigen dat ABN AMRO het afgeven van de gevraagde integriteitsverklaring heeft geweigerd.

3.3.2

Het middel slaagt. Het hof diende, bij beantwoording van de vraag of ABN AMRO afgifte van de door MeesPierson op de voet van de Integriteitscode verzochte verklaring mocht weigeren, de relevante gedragingen van [verweerder] niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarbij gaat het niet alleen om de gedragingen die het hof in zijn eindarrest bewezen heeft geacht, maar ook om de gedragingen die het hof in zijn eerste tussenarrest heeft aangemerkt als onvoldoende om als grond te kunnen dienen voor het weigeren van de integriteitsverklaring, respectievelijk om [verweerder] als niet-integer in de zin van de Integriteitscode te beschouwen. Gelet op een en ander is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 904,89 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 2 mei 2014.