Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2014:1021

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
13/03578
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:4617
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:336
Nadere conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:621
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging moord. Voorwaardelijk opzet. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het s.o. door het door hem, verdachte, tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2014/118 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NBSTRAF 2014/188
VA 2015/8
RvdW 2014/723
NJ 2014/393

Uitspraak

22 april 2014

Strafkamer

nr. 13/03578

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 27 juni 2013, nummer 21/003239-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 3 december 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een vlinderbom, in elk geval een (geïmproviseerd) explosief (voorzien van een of meer metalen kogels) heeft bevestigd op of aan de voordeur van een woning aan de [a-straat 1] (waarachter dan wel in de onmiddellijke nabijheid waarvan [slachtoffer] stond) en tot ontploffing heeft gebracht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"3.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk agent en hoofdagent, in het door hen op 3 december 2011 op respectievelijk ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina 748, onder meer inhoudende:

Op 3 december 201 1 omstreeks 01.50 uur werden wij gestuurd naar de [a-straat 1] te Amersfoort. Daar zou een ontploffing zijn geweest. Ter plaatse gekomen zagen wij dat er twee glazen ruiten van de voordeur eruit lagen. Wij zagen dat het kozijn en de deur ter hoogte van de deurgreep zwaar beschadigd waren. Wij zagen dat er een vrouw uit de brandgang kwam lopen. Deze vrouw bleek getuige [getuige] te zijn.

4.

De verklaring van [getuige] van 3 december 2011 als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, 3 december 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 695 en 696, onder meer inhoudende:

Op 3 december 2011 omstreeks 01.41 uur hoorde ik buiten een harde knal. Gelijk of direct na de knal zag ik ook een lichtflits. Direct daarop hoorde ik mijn buurman [slachtoffer], [a-straat 1] te Amersfoort, kreunen. Hierop ben ik direct naar mijn buurman gelopen. Ik zag een ravage in de woning. Ik zag [slachtoffer] in de keuken staan. Ik zag dat [slachtoffer] zijn hoofd onder het bloed zat en dat hij zijn bebloede handen aan het wassen was.

8.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5], voornoemd, in het door hen op 13 december 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 13 december 2011, dossierpagina's 650 tot en met 652, onder meer inhoudende:

(...)

Ik kan mij dan herinneren dat wij in het halletje zijn. Op een gegeven moment voelde ik de buitenlucht. Ik vond dat raar, want toen dacht ik nu ben jij buiten en ik binnen. Ik vond dat dom. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan. Ik heb toen snel de deur dicht gedaan.

Toen hebben wij via de brievenbus gepraat. Ik wilde namelijk mijn sleutels terug. Toen zag ik op een gegeven moment iets van een lontje. Iets van een gloed. Ik kan mij herinneren dat hij met iets bezig was aan de buitenkant. Ik zag dat door het mat glas heen. Dit bij de deurklink.

10.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 4], voornoemd en [verbalisant 6], inspecteur, in het door hen op 7 april 2012 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van het horen van [slachtoffer] op 7 april 2012, dossierpagina's 687 tot en met 692, onder meer inhoudende:

Ik sta in het halletje met mijn jas aan. De persoon is buiten. Ik heb de deur dicht gegooid. Ik zie zijn gezicht vervormd door het matglas. Ik zag ook iets branden.

23.

Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden brigadier, als opgenomen in het door hen op 13 januari 2012 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, dossierpagina's 11 tot en met 59, onder meer inhoudende:

Op zaterdag 3 december te 03.20 uur kwam ik, verbalisant [verbalisant 7] ter plaatse, [a-straat 1] te Amersfoort. Bij het verlaten van mijn dienstvoertuig, welke ik, verbalisant [verbalisant 7], buiten de afzetting plaatste, zag ik, verbalisant [verbalisant 7], op de grond, een object liggen. Ik, verbalisant [verbalisant 7], zag dat het een metalen of loden balletje was.

Tijdens de eerste schouw van de voorzijde van de woning, zag ik, verbalisant [verbalisant 7], dat er grove schade aan de voordeur en het kozijn was ontstaan.

Wij zagen dat de voordeur en het kozijn ernstig was beschadigd. De ruiten van de deur waren vernield en het kozijn net boven het slot was ernstig ontzet en beschadigd.

Verder zagen we inslagen van kleine bolvormige objecten in de deur en het kozijn. Wij zagen dat er diverse delen versplinterd hout op de openbare weg voor de woning lagen. Wij zagen verder dat er diverse stukken hout afkomstig van het kozijn en de deur op de openbare weg lagen. Verder zagen we dat er meerdere metalen of loden bolletjes werden aangetroffen op de openbare weg.

In de woning werden door ons, op de vloer tussen de keuken en de woonkamer eveneens een metalen of loden bolletje aangetroffen. Op de vloer in de hal en in een opbergbak in de hal werden eveneens metalen of loden bolletjes aangetroffen.

Wij zagen verder dat de binnenzijde van de deur en het kozijn ernstig beschadigd waren. Wij zagen dat er diverse splinters van het kozijn in de hal en de woonkamer lagen. Tevens lag er glas en bloed op de grond.

24.

Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 april 2012, zaaknummer 2011.12.19.007, opgesteld door H.N.M.J. van Venrooij, forensisch arts KNMG, inhoudende een forensisch geneeskundig onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident op 3 december 2012 te Amersfoort, onder meer inhoudende op bladzijde 15:

Bij klinisch onderzoek op 04-12-2012 (Naar het hof begrijpt: 04-12-2011) van [slachtoffer] in aansluiting op een daaraan voorafgaand geweldsincident werden een schedelbreuk met impressie van botfragmenten en daaraan gepaard gaande hersenbeschadigingen links zijwaarts gediagnosticeerd en tevens een lijnvormige botbreuk in de slaapstreek links met een daaraan gerelateerde epidurale bloeding.

Er waren aanwijzingen voor bijkomende veranderingen aan het brein op basis van lokale drukveranderingen als gevolg van deze verwondingen. In relatie met dit letsel waren er neurologische symptomen in de vorm van woordvindingsstoornissen en krachtsverlies van de rechterarm. Betrokkene onderging daarom met spoed een neurochirurgisch operatie die ongecompliceerd verliep. Daarbij werden tevens een groot aantal splinters van hout uit het gezicht verwijderd.

28. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 15 maart 2012, zaaknummer 2011.12.19.007, opgesteld door ing. E.M. Kok, inhoudende explosievenonderzoek naar aanleiding van een explosie in Amersfoort op 3 december 2001, onder meer inhoudende, dossierpagina's 12, 15, 18 en 19:

(...)

De op de foto's waargenomen schade is te verwachten wanneer zich zo'n 10 cm boven de voordeurgreep een explosie van een deflagrerende lading heeft voortgedaan.

Gezien de schade aan en bij de voordeur ten opzichte van de stukken karton en kunststof heeft dit materiaal zich dicht tegen de explosieve lading aan bevonden. Deze schade aan karton en kunststof is te verwachten wanneer deze onderdeel van de explosieve constructie hebben uitgemaakt.

De resultaten van de chemische analyse passen goed bij de oorspronkelijke aanwezigheid van een lading op basis van aluminium, zwavel en een perchloraatverbinding. Het hiervoor genoemde mengsel is in de regel makkelijk tot ontsteking te brengen. Veelal volstaat een vuurwerklont.

Gezien de waargenomen schade was de oorspronkelijke constructie zonder meer geschikt om te worden gebruikt als voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing, zoals vermeld in de WWM.

Afsteken van het vuurwerk tegen een voordeur ben ik nog nooit in een gebruiksinstructie tegengekomen. Als inderdaad gebruik is gemaakt van onderdelen van vuurwerk of gemodificeerd vuurwerk, is het oorspronkelijke vuurwerk dus bewerkt.

Op grond van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd:

(...)

3. Door de primaire en secundaire effecten die bij een ontploffing van de achterhaalde constructie optreden, ontstaat gevaar voor lichamelijk letsel, zoals brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid. De ernst van dit letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft, de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing.

Bij (vrijwel) direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn."

2.3.

Voorts heeft het Hof – voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs van de feiten 1 tot en met 4

(...)

Aangekomen in het halletje voelt aangever op een gegeven moment aan de luchtstroom dat de deur open staat en dat de man buiten staat. Aangever weet de deur achter de man dicht te doen. Omdat hij zijn huissleutels terug wil van de man, praat aangever met de man via de brievenbus. Op een gegeven moment ziet hij iets van een lontje en iets van een gloed bij de deurklink. Aangever verklaart dat als hij het gezicht van de man door het matglas van de deur ziet, hij ook iets ziet branden. Hierop vindt een explosie plaats.

Bij klinisch onderzoek werd bij aangever een schedelbreuk met impressie van botfragmenten en daaraan gepaard gaande hersenbeschadigingen links zijwaarts gediagnosticeerd en tevens een lijnvormige botbreuk in de slaapstreek links met een daaraan gerelateerde epidurale bloeding. In relatie met dit letsel waren er neurologische symptomen in de vorm van woordvindings-stoornissen en krachtsverlies van de rechterarm. Daarom is met spoed een neurochirurgische operatie uitgevoerd, waarbij tevens een groot aantal splinters van hout uit het gezicht werd verwijderd.

(...)

Explosie

Wanneer de politie in de nacht van 2 op 3 december 2011 ter plaatse komt na de melding van een ontploffing op het adres van aangever, ziet zij dat de ruiten van de deur zijn vernield en het kozijn boven het slot ernstig is ontzet en beschadigd. Er zijn inslagen van kleine bolvormige objecten in de deur en het kozijn te zien. Diverse stukken hout, afkomstig van het kozijn en de deur, liggen op de openbare weg. Ook liggen er meerdere metalen of loden bolletjes op de openbare weg. In de woning worden op de vloer tussen de keuken en de woonkamer en in de hal eveneens metalen of loden bolletjes aangetroffen. Diverse splinters van het kozijn liggen in de hal en de woonkamer. Tevens ligt er glas en bloed op de grond.

Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt dat uit de waargenomen schade is af te leiden dat er zich ongeveer 10 centimeter boven de voordeurgreep een explosie van een deflagrerende lading heeft voorgedaan. Gezien de schade aan en bij de voordeur ten opzichte van de stukken karton en kunststof heeft dit materiaal zich dicht tegen de explosieve lading aan bevonden. Het NFI concludeert dat het gebruikte mengsel in de regel makkelijk tot ontsteking is te brengen. Op grond van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat het waarschijnlijk gaat om een oorspronkelijk fabrieksmatig gemaakte constructie, welke vervolgens is gemodificeerd. Door de effecten, die bij een ontploffing van de constructie optreden, ontstaat gevaar voor brandwonden, gehoorschade en doorboring van de huid. De ernst van dit letsel is onder meer afhankelijk van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft en de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing. Bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat er een explosief tot ontploffing is gebracht vlak boven de voordeurgreep. Het hof leidt uit het explosievenonderzoek af dat het gaat om een geïmproviseerd explosief. Gelet op de verklaring van aangever alsmede zijn letsel kan worden vastgesteld dat hij zich op het moment van ontploffing vlak achter de voordeur bevond. Uit zowel de verklaring van aangever als de uitkomsten van het explosievenonderzoek, leidt het hof af dat verdachte het explosief aan de voordeur heeft bevestigd en heeft ontstoken waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht.

(...)

Poging moord of poging doodslag

Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte met het tot ontploffing laten komen van het explosief het opzet had om aangever [slachtoffer] van het leven te beroven.

Gelet op het verbale contact kort voor de explosie tussen verdachte en aangever door de brievenbus van de voordeur, over de sleutelbos, moet verdachte zich bewust zijn geweest van de positie van aangever ten opzichte van het explosief. Desondanks heeft verdachte het explosief tot ontploffing gebracht. Uit het explosievenonderzoek van het NFI volgt dat bij vrijwel direct contact met de explosieve constructie kan het letsel fataal zijn. Uit voornoemde omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door het tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou kunnen komen."

3 Beoordeling van het eerste en het vijfde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 3 wat betreft het (voorwaardelijk) opzet ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.1.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof in het bijzonder het volgende vastgesteld. Kort voordat het door de verdachte vervaardigde en van letselverhogende onderdelen - metalen of loden bolletjes - voorziene, door de verdachte aan de buitenzijde van de voordeur van de woning van het slachtoffer bevestigde explosief tot ontploffing werd gebracht, stonden de verdachte en het slachtoffer aan weerszijden van de voordeur, welke voordeur van hout was en twee (mat)glazen ruiten bevatte, en spraken zij met elkaar via de brievenbus, waarbij het slachtoffer het gezicht van de verdachte door het matglas heen zag. Op het moment van de ontploffing bevond het slachtoffer zich in de woning vlak achter de voordeur. Na de ontploffing waren de glazen ruiten van de voordeur vernield en was het kozijn boven het slot van de voordeur ernstig ontzet en beschadigd. Op de vloer van de woning tussen de keuken en de woonkamer en in de hal werden metalen of loden bolletjes aangetroffen en in de hal en de woonkamer lagen diverse splinters afkomstig van het kozijn, terwijl er glas en bloed op de grond lag. Bij het op het slachtoffer uitgevoerde forensisch geneeskundig onderzoek werd een schedelbreuk met impressies van botfragmenten en daaraan gepaard gaande hersenbeschadigingen links zijwaarts gediagnosticeerd en tevens een lijnvormige botbreuk in de slaapstreek links met een daaraan gerelateerde epidurale bloeding. Er waren aanwijzingen van bijkomende veranderingen in het brein op basis van lokale drukveranderingen als gevolg van deze verwondingen. In relatie met dit letsel waren er neurologische symptomen in de vorm van woordvindings-stoornissen en krachtverlies van de rechterarm. Het slachtoffer onderging met spoed een neurologische operatie.

4.2.2.

Het Hof heeft in zijn hiervoor in 2.3 weergegeven overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door het door hem, verdachte, tot ontploffing gebrachte explosief om het leven zou komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Dat berust op het volgende.

4.2.3.

Anders dan in het middel wordt betoogd, heeft het Hof mede aan de inhoud van het voor het bewijs gebezigde (hiervoor in 2.2. onder 28 opgenomen) deskundigenrapport van E.M. Kok kunnen ontlenen dat de kans op dodelijk letsel aanmerkelijk is geweest. Dat rapport bevat niet slechts de conclusie dat eerst "[b]ij (vrijwel) direct contact met de explosieve constructie het letsel fataal (kan) zijn", maar houdt tevens in dat "de ernst van dit letsel onder meer afhankelijk [is] van waar iemand door hitte en/of een scherf wordt geraakt, de energie die een scherf op dat moment heeft en de locatie van die persoon ten opzichte van de ontploffing". Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof mede uit de ernst van de door het slachtoffer opgelopen verwondingen en de plaats op het lichaam waar het slachtoffer door onderdelen van het explosief is geraakt (schedel- en hersenletsel) afgeleid dat het contact van het slachtoffer met het explosief zo direct is geweest dat de kans aanmerkelijk was dat het tot ontsteking brengen van het aan de voordeur bevestigde explosief, terwijl het slachtoffer zich op dat moment vlak achter de van glazen ruiten voorziene voordeur bevond, dodelijke gevolgen zou hebben, en dat de omstandigheid dat een - volgens de toelichting op het middel: "3 a 4 cm dikke" - deur tussen het slachtoffer en het explosief aanwezig was daaraan niet afdoet.

4.2.4.

De kennelijke gevolgtrekking van het Hof dat de verdachte in de gegeven omstandigheden deze aanmerkelijke kans op dodelijk letsel ook welbewust heeft aanvaard, is evenmin onbegrijpelijk en dat oordeel is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de positie van het slachtoffer ten opzichte van het explosief, nu de verdachte onmiddellijk voorafgaand aan het tot ontploffing brengen van het aan de deur bevestigde explosief via de brievenbus in gesprek was met het slachtoffer.

5 Slotsom

De Advocaat-Generaal heeft wegens gegrondbevinding van het tweede middel geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Hij heeft zich niet uitgelaten over het derde middel. De Hoge Raad is van oordeel dat hij daartoe alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld. Met het oog daarop dient de zaak naar de rolzitting te worden verwezen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 13 mei 2014;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.