Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA3751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12/03231
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3751, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Schadevordering, onrechtmatige daad door minderjarige jonger dan veertien jaar (watersportongeluk), art. 6:164 in verbinding met art. 6:169 lid 1 BWNA. Eigen schuld benadeelde; toepassing billijkheidscorrectie, art. 6:101 lid 1 BWNA.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 164
Burgerlijk Wetboek Boek 6 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/7 met annotatie van M. de Jong
RvdW 2013/1154
NJ 2013/477
NJB 2013/2198
RAV 2014/3
S&S 2014/25
JWB 2013/467
VR 2014/190

Uitspraak

4 oktober 2013

Eerste Kamer

nr. 12/03231

LZ/NH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

1. [verweerder 4],
wonende in [woonplaats],

2. [verweerder 2],
wonende in [woonplaats],

3. [verweerster 3],
wonende in [woonplaats],

4. [verweerder 4],
wonende in [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. L. van den Eshof.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak AR 2009/359 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen van 9 augustus 2010;

b. de vonnissen in de zaak AR 359/09 - H 70-11 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 25 oktober 2011 en 3 april 2012.

Het vonnis van 3 april 2012 van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 3 april 2012 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [verweerders] toegelicht door mr. R.P.J.C. Tjittes alsmede door mr. M.P.A.J. Dings, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brieven van 25 en 26 juni 2013 op die conclusie gereageerd

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 4 november 2007 is [verweerder 1] (hierna: de zoon), toen 13 jaar oud, met een door hem bestuurde waterscooter vanaf Baya Beach in de richting van Jan Thiel-baai gevaren. Beide plaatsen liggen aan de zuidzijde van Curaçao. Er zaten nog twee andere personen – vriendinnen van de zoon – achter op de waterscooter. De waterscooter was aan de zoon door zijn oom [verweerder 4] (hierna: de oom) ter beschikking gesteld.

(ii) Rond 16.00 uur is de waterscooter in aanvaring gekomen met [verzoeker], die ter plaatse aan het snorkelen was. Het ongeval vond plaats op een afstand van tussen de 15 en 50 meter van de kust en van tussen de 75 tot 80 meter van de punt van de golfbreker ten oosten van de ingang van Jan Thiel-baai, derhalve op open zee maar vanaf het land gezien nog voor de “blauwe” lijn waar de zee snel dieper wordt.

(iii) [verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval ernstig letsel opgelopen. Hierdoor kan hij zijn functie niet langer vervullen.

3.2

[verzoeker] vordert in dit geding te verklaren voor recht dat de zoon en/of diens ouders en/of de oom jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij als gevolg van het ongeval lijdt en hen hoofdelijk te veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat.

Het gerecht heeft de vorderingen toegewezen.

3.3

Het hof heeft dit vonnis vernietigd en voor recht verklaard dat de ouders voor 50% aansprakelijk zijn voor de schade en hen in zoverre hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

Gelet op de omstandigheid dat in dit gebied bij de drukbezochte bad- en zwemplaats Jan Thiel veel wordt gedoken en gesnorkeld, was het ten tijde van het ongeval niet zo onwaarschijnlijk dat er mensen in het water zouden zijn dat de zoon met die mogelijkheid geen rekening behoefde te houden. Met de waterscooter kon ten tijde van het ongeval in elk geval een snelheid van maximaal 56 of 72 km per uur worden bereikt. De zoon, die Jan Thiel naderde met de bedoeling een rondje te maken en daarna terug te gaan, heeft geen snelheid verminderd toen hij Jan Thiel naderde. Er was toentertijd sprake van normale wind- en zeecondities. De bestuurder van een waterscooter dient te allen tijde een goede uitkijk te houden door te kijken en te luisteren en dient een veilige vaart aan te houden zodat hij de juiste en doeltreffende maatregelen kan nemen ter vermijding van aanvaring (Voorschriften 5 en 6 van de Internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee). Van de bestuurder mocht daarom worden verwacht dat hij bij het naderen van Jan Thiel zijn oplettendheid en voorzichtigheid had verhoogd in verband met de mogelijke aanwezigheid van kwetsbare groepen als zwemmers, snorkelaars en duikers, mede gelet op de ernst van de gevolgen die een aanvaring tussen een gemotoriseerd vaartuig en een zwemmer, snorkelaar of duiker kan hebben. In dat licht heeft de zoon niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht genomen toen hij Jan Thiel baai naderde. Hij had [verzoeker] moeten kunnen zien, mede gelet op de aanwezigheid van andere snorkelaars ter plaatse. Ingevolge art 6:164 BWNA kan hem deze onrechtmatige daad niet worden toegerekend en op grond van art. 6:169 BWNA zijn de ouders aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. (rov. 2.4 – 2.9)

Het beroep van de ouders op eigen schuld van [verzoeker] in de zin van art. 6:101 BWNA slaagt. Door buiten de baai te gaan snorkelen heeft [verzoeker] zich in een gevaarlijke situatie begeven. Hij heeft daarbij geen duikvlag of –boei of ander herkenningsteken gebruikt. Het gebied waar het ongeval plaatsvond was geen (specifiek) zwem- en snorkelgebied. Vaarverkeer was ter plaatse toegestaan en kwam feitelijk voor, hetgeen [verzoeker] ook duidelijk moet zijn geweest. In die omstandigheden had van hem mogen worden verwacht dat hij voor zijn eigen veiligheid zijn zichtbaarheid had vergroot. Gelet hierop is de schade ten gevolge van het ongeval mede een gevolg van het eigen, voor zichzelf gevaarlijke, gedrag van [verzoeker], op grond waarvan hij de schade voor 50% zelf dient te dragen. (rov. 2.10 – 2.16)

De oom is niet aansprakelijk voor de schade van [verzoeker]. Het uitlenen van de waterscooter aan de zoon is niet zonder meer maatschappelijk onbetamelijk jegens [verzoeker]. Voor de zoon bestond geen wettelijk beletsel om met de waterscooter te varen. Hij had destijds ruim zeven jaren ervaring met het besturen van waterscooters en de oom had kennelijk de zoon als voorwaarde gesteld dat deze niet uit zijn zicht zou gaan, zodat hij toezicht kon houden. (rov. 2.17)

3.4

[verzoeker] kan niet in zijn beroep worden ontvangen voor zover dat is ingesteld tegen de zoon, nu die in hoger beroep niet als partij is opgetreden.

3.5

Onderdeel I klaagt over het oordeel, kort gezegd, dat sprake is van eigen schuld in de zin van art. 6:101 BWNA aan de zijde van [verzoeker] (rov. 2.10 – 2.16). Voor zover het klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan de essentiële stelling van [verzoeker] dat hij is gaan snorkelen op een bekende zwem- en snorkellocatie, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat ter plaatse van het ongeval veel wordt gedoken en gesnorkeld. Het hof heeft voorts vastgesteld dat ter plaatse tevens vaarverkeer voorkomt. Voor zover het onderdeel voorts klaagt over het oordeel dat daarom van een snorkelaar mag worden verwacht dat hij voor zijn eigen veiligheid zijn zichtbaarheid vergroot door het gebruik van een herkenningsteken, faalt het eveneens. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.6

Onderdeel II klaagt dat, indien al eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] zou moeten worden aangenomen, het onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof niet de billijkheidscorrectie als bedoeld in art. 6:101 BW heeft toegepast. Het onderdeel treft doel. Het hof had in het licht van het partijdebat dienen te onderzoeken of vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval gronden bestaan voor toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BWNA. Het hof heeft miskend dat de vastgestelde omstandigheden - waaronder de ernst van de gevaarzetting door de waterscooter, de waarschijnlijkheid dat ter plaatse zwemmers, snorkelaars en duikers zouden worden aangetroffen, hun bijzondere kwetsbaarheid ten opzichte van de waterscooter, de betrekkelijk eenvoudige wijze waarop de bestuurder van de waterscooter dat gevaar had kunnen voorkomen en de ernstige gevolgen die het ongeval voor [verzoeker] heeft gehad – kunnen meebrengen dat de billijkheid vereist dat een andere verdeling van de schade plaatsvindt dan in evenredigheid met de mate waarin de aan [verzoeker] respectievelijk de zoon toe te rekenen omstandigheden daartoe hebben bijgedragen,
althans heeft het zijn oordeel dienaangaande onvoldoende gemotiveerd.

3.7

Onderdeel III klaagt over het oordeel van het hof dat de oom niet aansprakelijk is (rov. 2.17).

De klachten van het onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het tegen de zoon gerichte beroep;

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 3 april 2012;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 347,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann, als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.A. Loth, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 4 oktober 2013.