Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA3743

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
12/02562
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3743, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8919, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Invordering. Vervolg van HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0411, NJ 2009/5. Verjaring recht tot dwanginvordering; art. 27 lid 1 IW 1990. Rechtsgeldige stuiting verjaring? Betekening dwangbevel aan rechtspersoon die is opgehouden te bestaan. Art. 54, leden 3 en 4, Rv van overeenkomstige toepassing? Herleven rechtspersoon noodzakelijk? Art. 2:23c lid 1 BW. Beroep op uitlating inspecteur; vertrouwensbeginsel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 54
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 13
Invorderingswet 1990 27
Invorderingswet 1990 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/8 met annotatie van L.C. Dufour
JOR 2014/89 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra
V-N Vandaag 2013/2825
NJB 2013/2621
RvdW 2014/2
V-N 2014/5.26
BNB 2014/21
RBP 2014/25
NJ 2014/87
JWB 2013/568

Uitspraak

6 december 2013

Eerste Kamer

nr. 12/025612

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

TRANSAUTEX FOOD B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. K.G.W. van Oven, thans mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Transautex en de Ontvanger.

1 Het geding

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het arrest in de zaak C07/00074, ECLI:NL:HR:2008:BF0411 van de Hoge Raad van 5 december 2008;

b. de arresten in de zaak 200.075.430/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 5 juli 2011 en 7 februari 2012.

Het arrest van 7 februari 2012 van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 7 februari 2012 heeft Transautex beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Transautex toegelicht door haar advocaat en mr. W.M.T. Keukens, advocaat te Amsterdam; en voor de Ontvanger door zijn advocaat en mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping.

De advocaat van Transautex heeft bij brief van 21 juni 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij kennisgeving van 5 november 1998 heeft de Ontvanger Transautex hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor aan Tysco Service B.V.B.A. (hierna: Tysco) opgelegde naheffingsaanslagen in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode 1992 tot en met 1996 (hierna: de naheffingsaanslagen). De naheffingsaanslagen zijn gedagtekend 1 december 1997 respectievelijk 18 december 1997. Transautex heeft haar aansprakelijkheid tijdig en gemotiveerd betwist.

(ii) Tysco is op 17 maart 1998 in staat van faillissement verklaard. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2004 is het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten.

(iii) Een op 26 november 2008 tegen Tysco uitgevaardigd dwangbevel met betrekking tot de naheffingsaanslagen (hierna: het dwangbevel) is op 2 december 2008 betekend aan het parket van de officier van justitie van de rechtbank Rotterdam. Een uittreksel van het exploot is bekendgemaakt in het katern "Grootstedelijk Rotterdam" van het Algemeen Dagblad van 8 december 2008.

(iv) De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 30 juni 2004, zaak-/rolnummer 125454/HAZA 99-2010, op vordering van de Ontvanger voor recht verklaard dat Transautex hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonheffing die Tysco aan de Ontvanger is verschuldigd in verband met het verrichten van werkzaamheden voor Transautex op grond van inlening van personeel.

3.2.1

Na cassatie en verwijzing heeft Transautex vooreerst betoogd dat de vordering van de Ontvanger na het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008 is verjaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, anders dan de Ontvanger heeft gesteld, door de hiervoor in 3.1, onder (iii), genoemde betekening en bekendmaking het in artikel 27, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (tekst tot 1 juli 2009; hierna: IW 1990) bedoelde recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen niet rechtsgeldig is gestuit. Volgens Transautex had de Ontvanger op de voet van artikel 2:23c, lid 1, BW om heropening van de vereffening van Tysco moeten verzoeken, waarna de hiervoor bedoelde betekening en bekendmaking hadden moeten geschieden aan de vereffenaar.

3.2.2

Het hof heeft dit betoog van Transautex verworpen. Het heeft daartoe – samengevat – als volgt geoordeeld.

Met betrekking tot de betekening van een exploot aan een niet meer bestaande rechtspersoon kan artikel 50 Rv niet worden toegepast, maar naar het oordeel van het hof kan artikel 54, leden 3 en/of 4, Rv dat wel.

In het onderhavige geval is heropening van de vereffening niet nodig, omdat de Ontvanger geen vereffening van het vermogen van Tysco nastreeft en heropening alleen is aangewezen indien nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In het geval dat alleen betekening van een akte aan een ontbonden rechtspersoon wordt nagestreefd, is heropening van de vereffening niet nodig. In een dergelijk geval blijft de ontbonden rechtspersoon niet voortbestaan op de voet van artikel 2:19, lid 5, BW en is artikel 2:23c BW niet van toepassing, aldus het hof.

Aangezien niet is betwist dat aan de overige vereisten voor stuiting van de verjaring is voldaan, moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat de Ontvanger de verjaring van het recht tot dwanginvordering van de naheffingsaanslagen tijdig en rechtsgeldig heeft gestuit.

Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat deze oordelen stroken met de opmerking van de minister van Financiën dat stuiting kan plaatsvinden door bekendmaking aan de officier van justitie en publicatie (Kamerstukken II, 2010/11, 32 505, nr. 3, blz. 46), en dat deze oordelen niet strijden met de opmerking van de minister van Justitie dat met gebruikmaking van artikel 2:23c BW de vereffening kan worden heropend waarna de verjaring kan worden gestuit (Kamerstukken I, 2008/09, 31 124, nr. C, blz. 8).

3.2.3

Middelonderdeel 1 richt zich met rechtsklachten tegen de hiervoor in onderdeel 3.2.2 weergegeven oordelen van het hof.

3.2.4

Op grond van artikel 12, eerste volzin, IW 1990 kan, indien een belastingschuldige na te zijn aangemaand in gebreke blijft, de invordering van een belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. Voorts bepaalt artikel 13, lid 1, IW 1990 dat de betekening van een dwangbevel geschiedt overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten.

3.2.5

Ingevolge artikel 27, lid 1, IW 1990 vervalt het recht tot dwanginvordering met betrekking tot een belastingaanslag door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de aanslag geheel invorderbaar is dan wel, indien zulks tot een later tijdstip leidt, vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de laatste akte van vervolging aan de belastingschuldige is betekend. Deze verjaringstermijn wordt op grond van artikel 27, lid 2, aanhef en letter d, IW 1990 verlengd met de tijd gedurende welke na de aanvang van die termijn de belastingschuldige in staat van faillissement verkeert. Tot 1 juli 2009 bestond geen wettelijke verplichting een akte van vervolging als hier bedoeld tevens bekend te maken aan een op de voet van artikel 34 IW 1990 voor de betreffende belastingaanslag aansprakelijk gestelde. Artikel 27 noch enige andere bepaling van de IW 1990 bevatte voor 1 juli 2009 een regeling – in afwijking of ter aanvulling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – voor de wijze waarop een akte van vervolging ter zake van een belastingaanslag moet worden betekend aan een niet meer bestaande rechtspersoon.

3.2.6

In artikel 54, leden 3 en 4, Rv is voorgeschreven op welke wijze de betekening dient plaats te vinden van exploten aan rechtspersonen, “bestaande en ontbonden, bij gebreke van kantoor, bestuurder of vereffenaar, of wanneer de bestuurder of vereffenaar geen bekend kantoor, bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft”. Deze regeling leent zich voor overeenkomstige toepassing op het geval waarin een rechtspersoon na te zijn ontbonden heeft opgehouden te bestaan, en desondanks – op grond van artikel 34 of 35 IW 1990 – belang bestaat bij het kunnen betekenen van een exploot dat stuiting van verjaring van het recht tot invordering van een door die rechtspersoon belopen schuld tot gevolg heeft.

Het in het middelonderdeel onder verwijzing naar artikel 2:23c, lid 1, BW gehouden betoog dat dit laatste kan worden bereikt door het doen herleven van een rechtspersoon, waarna de betekening van een exploot mogelijk is op de wijze die is voorzien voor betekening aan een bestaande rechtspersoon, gaat uit van betekening in een andere situatie dan zich hier voordoet. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de Ontvanger geen ander belang had bij herleving van Tysco dan stuiting van de verjaring van het recht tot invordering van de naheffingsaanslagen. In een zodanig geval is er geen reden de Ontvanger tegen te werpen dat voor hem de weg van artikel 2:23c, lid 1, BW openstond. Het hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat de Ontvanger terecht de weg van artikel 54, lid 4, Rv heeft gekozen voor betekening van de akte van vervolging. Op grond van het hiervoor overwogene faalt middelonderdeel 1 in zijn geheel.

3.3.1

Middelonderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof dat het de Ontvanger vrijstond om ondanks de door de inspecteur gedane uitlating dat Transautex eigenbouwer was, Transautex aansprakelijk te blijven houden uit hoofde van inlening van personeel van Tysco.

3.3.2

Het middelonderdeel betwist het hiervoor in 3.3.1 weergegeven oordeel onder meer met de stelling dat de Ontvanger op grond van artikel 35, § 6, lid 2, van de Leidraad Invordering was gebonden aan de uitlating van de inspecteur dat Transautex eigenbouwer was. Het middelonderdeel faalt in zoverre, reeds omdat het hof, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld (in rov. 2.17) dat de inspecteur die uitlating heeft gebaseerd op andere feiten dan de feiten waarop de Ontvanger zijn primaire standpunt dat tussen Transautex en Tysco in de jaren 1992/1996 sprake was van inlening van personeel, heeft gebaseerd, en dat dit voor Transautex kenbaar was. De uitlating van de inspecteur belette derhalve de Ontvanger niet om de aansprakelijkstelling van Transautex te handhaven.

3.3.3

Middelonderdeel 2 faalt ook voor het overige. Het hof heeft (in rov. 2.16) geoordeeld dat uit niets is gebleken dat de Ontvanger al naar gelang de verklaring van de inspecteur omtrent het eigenbouwerschap van Transautex, zijn primaire duiding van de relatie tusen Transautex en Tysco in de jaren 1992/1996 al of niet zou laten varen, en dat daarom niet door het optreden van de Ontvanger bij Transautex de opvatting kan zijn ontstaan dat zij niet meer als inlener voor de loonbelastingschulden van Tysco aansprakelijk zou worden gehouden. Het in dat oordeel besloten liggende oordeel dat Transautex zich jegens de Ontvanger niet met vrucht op het vertrouwensbeginsel kan beroepen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

3.4

Nu de middelonderdelen 1 en 2 niet slagen, kan het daarop voortbouwende middelonderdeel 3 evenmin slagen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Transautex in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 6.118,34 aan verschotten en
€ 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 6 december 2013.