Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA3314

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12/03293 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3314
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. Verschoningsrecht notaris. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2005/353. De Rb heeft met toepassing van de juiste maatstaf uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook t.a.v. datgene waarvan de wetenschap de klager als notaris is toevertrouwd - dient te prevaleren boven het verschoningsrecht. Daarbij heeft de Rb betrokken dat de aan klager verweten gedragingen raken aan de kern van diens werkzaamheden als, en aan dienst openbare en maatschappelijke functie van, notaris, in verband waarmee de wet hem voorhoudt dat hij zijn diensten zal hebben te weigeren in die gevallen waarin hij moet beseffen dat die eraan kunnen bijdragen dat i.s.m. het recht of met de openbare orde wordt gehandeld, of dat de van hem verlangde werkzaamheden een ongeoorloofd doel of gevolg dichterbij kunnen brengen. De Rb heeft vastgesteld dat klager wordt verdacht van o.m. het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift m.b.t. authentieke akten, en heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat deze feiten als een zeer ernstig misdrijf moeten worden aangemerkt. Het oordeel van de Rb getuigt, in het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, niet van miskenning van de in dit verband geldende zware motiveringseisen, en de Rb was niet gehouden haar oordeel omtrent het bestaan van de verdenking jegens klager en omtrent de ernst van die verdenking nader te motiveren om dit begrijpelijk te doen zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hetgeen namens klager is aangevoerd de Rb in een beklagprocedure als de onderhavige, waarin slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is, niet noopte de jegens klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken. De Rb was niet gehouden nader te motiveren waarom kennisneming van alle inbeslaggenomen documenten met het oog op de waarheidsvinding dringend geboden is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 98
Wetboek van Strafvordering 125l
Wetboek van Strafvordering 218
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/836
NJ 2013/356
NJB 2013/1693
NBSTRAF 2013/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 juni 2013

Strafkamer

nr. S 12/03293 B

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 februari 2012, nummer RK 11/1631, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J.G. Geertsma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Procesgang en bestreden beschikking

2.1.1. De Rechter-Commissaris in de Rechtbank Utrecht heeft op 31 oktober 2011 tijdens een doorzoeking in het kantoor van de klager, die notaris is, 29 notarisdossiers en andere documenten (gegevensdragers) inbeslaggenomen. Klager heeft zich ten aanzien van al die voorwerpen op zijn verschoningsrecht beroepen. Een namens de klager ingediend klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, strekkende tot teruggave van hetgeen in beslag werd genomen met uitzondering van twee documenten afkomstig uit een van de inbeslaggenomen dossiers, is bij de thans bestreden beslissing ongegrond verklaard.

2.1.2. Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 25 januari 2012 heeft de raadsman van de klager aldaar het woord gevoerd overeenkomstig een aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. De pleitnota houdt onder meer in:

"2.3.2 subsidiair: geen zeer uitzonderlijke omstandigheden

(...)

11. Er zijn geen zeer uitzonderlijke omstandigheden in deze zaak. De wens dat deze omstandigheden er zijn zullen voor het Openbaar Ministerie nogal eens de vader van de gedachte zijn. Het beroepsgeheim wordt immers als hinder in het kader van de opsporing van financieel-economische delicten gezien. Dit algemeen rechtsbeginsel is evenwel een noodzakelijke hindernis in de rechtsstaat. Niet om de waarheidsvinding te belemmeren, maar om te voorkomen dat burgers zich niet meer vrij en open tot de notaris, advocaat of arts durven te wenden. Op 30 oktober 2007 heeft de Hoge Raad zich in een aantal beschikkingen over deze zeer uitzonderlijke omstandigheden uitgesproken. De relevante omstandigheden waren in die zaken:

- Beschikking I (HR: beklag gegrond, geen zeer uitzonderlijke omstandigheden)

(i) het meewerken van de notaris aan ABC-transacties op één dag;

(ii) het vermoeden van aanwezigheid van een tussenliggende koper en verkoper als stroman;

(iii) een opgezette constructie voor het grootschalig ontduiken van vennootschapsbelasting;

(iv) het aanmerken van de notaris als verdachte tijdens de raadkamerprocedure.

- Beschikking II (HR: beklag ongegrond, zeer uitzonderlijke omstandigheden)

Door de rechtbank was in aanvulling op bovenstaande omstandigheden,een tweetal nadere omstandigheden betrokken bij haar oordeel":

(v) het uit verklaringen blijken van valse, vervalste en/of geantedateerde machtigingen;

(vi) het aanmerken van de notaris als verdachte van art. 140, 225, 227 Sr en 69 AWR tijdens de doorzoeking.

12. Vergeleken met onderhavige casus kan daarover het volgende worden gezegd:

(i) er is geen sprake van het meewerken van de notaris aan ABC-transacties op één dag;

(ii) er is volgens het Openbaar Ministerie een vermoeden van aanwezigheid van tussenliggende koper en verkoper als stroman;

(iii) er is geen opgezette constructie voor het grootschalig ontduiken van vennootschapsbelasting;

(iv) zie (vi)

(v) het blijkt niet uit verklaringen van valse, vervalste en/of geantedateerde machtigingen:

(vi) de notaris wordt weliswaar verdacht van overtreding van 140, 225/226 en 420bis/ter Sr, maar daarover het volgende.

13. Vanaf het begin van het onderzoek is door de diverse rechterlijke instanties overduidelijk te kennen gegeven dat niet is gebleken van op art. 140 Sr betrekking hebbende ernstige bezwaren. Op de valsheid bij de 1e koop heeft de notaris geen zicht. Dat wordt hem ook niet verweten. De valsheid zou er uit bestaan dat in strijd met de leveringsakte gelden zijn uitbetaald aan derden, terwijl eerst op 1 februari 2008 de Beleidsregel beperking uitbetaling van gelden aan derden (hierna: 'de Beleidsregel') in werking is getreden en het vóór die tijd niet ongebruikelijk was dat dit geschiedde (bijlage 2). Voor een valsheid, dan wel het vereiste opzet daarop, zijn dan ook onvoldoende aanwijzingen. De stelling dat er sprake is van een valse akte om genoemde reden zou - ten onrechte - bovendien inhouden dat elke in de Beleidsregel genoemde uitzondering, die ook niet met zoveel woorden terug te vinden zijn in de akte, een valsheid in geschrifte zou behelzen. Uit een akte blijkt nooit of er geld wordt betaald aan de bank, aan een makelaar, aan een beslaglegger, aan een andere notaris of aan een andere derde. In de akte wordt geconstateerd dat aan de verplichting tot betaling van de koopsom is voldaan, niet hoe dat is geschied. Destijds gold op basis van tuchtrechtspraak dat noch uit art. 25 Wna noch uit enige beleidsregel "een verbod voor een notaris om gelden te ontvangen van of uit te betalen aan niet in een akte genoemde derde" volgde.

14. De Beleidsregel 2008 is geen verordening in de zin van art. 61, tweede lid jo. art. 89 Wna en wordt in de literatuur wel bestempeld als 'wollige regelgeving'. Het doel van de Beleidsregel is dat de geldstromen helder verlopen in het kader van fraudebestrijding. Uit deze zaak blijkt juist dat het klip en klaar is geworden waar de gelden naartoe zijn gegaan. Daar waar gelden (eerst) naar [betrokkene 2] zijn gegaan, geldt dat dit blijkens de akte zelf geen schimmig figuur is, maar de op de grond van een notariële volmacht (van een andere notaris) gevolmachtigde van de verkoper (pas op voor de hindsight bias!). Geenszins (bijvoorbeeld uit processen-verbaal van verhoren) blijkt dat de verkopers niet hebben ingestemd met deze wijze van uitbetaling. Op een notariële volmacht van een collega notaris mag een notaris bovendien afgaan.

15. Een tuchtrechtelijke beoordeling ligt voor deze verwijten eerder in het verschiet dan een strafrechtelijk vervolg, hoewel uit het voorgaande volgt dat deze waarschijnlijk ook tuchtrechtelijk zullen stranden. Het enkele feit dat de mogelijkheid dat klager opzettelijk valselijk een akte zou hebben opgemaakt en dat kennisname van de inhoud van de inbeslaggenomen stukken op dat punt duidelijkheid zou kunnen verschaffen denkbaar is, rechtvaardigt bij het ontbreken van voldoende concrete aanwijzingen niet dat het verschoningsrecht wordt doorbroken ten behoeve van de waarheidsvinding. Er zijn geen zeer uitzonderlijke omstandigheden.

2.3.3 Meer subsidiair: de mate van inbreuk of de omvang van het beslag

16. Indien uw rechtbank van oordeel is zou zijn dat er sprake is van deze 'zeer uitzonderlijke omstandigheden' dan geldt meer subsidiair dat deze inbreuk niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de geheimhouder wordt verdacht onevenredig worden getroffen.

17. Het valt op dat zeer veel (29 maar liefst!) notarisdossiers in beslag zijn genomen. Ten aanzien van het totale beslag dat onderwerp van dit beklag is, kunnen vier sets stukken worden onderscheiden:

(i) vier witte enveloppen; een envelop met notarisdossier 1554/2785/2924, een envelop met notarisdossiers 3382/3811, een envelop met notarisdossiers 4214/4215 en een envelop met notarisdossier 2658;

(ii) één witte envelop met een enkel document

(iii) de gele enveloppen met de notarisdossiers 1554, 2785, 2924, 3377, 3503, 3515, 3516, 3679, 3710, 3891, 3720, 4007, 3728, 3807, 3902, 3911, 3920, 4038, 4105, 5002, 4959, 5089, 5106, 5124;

(iv) één witte envelop met een USB-stick, bevattende de digitale dossiers en de agenda en e-mail gegevens.

Ad (i) De vier witte enveloppen

18. Deze enveloppen bevatten, uitgezonderd notarisdossier 2658, de notarisdossiers van de zaken die in de processtukken als onderwerp van onderzoek worden aangemerkt:

- [a-straat 1] (2924)

- [b-straat 1] (2785)

- [c-straat 1] (1554)

- [d-straat 1](4214, 4215)

- [e-straat 1] (3382, 3811)

[a-straat 1] (2924) en [b-straat 1] (2758)

19. Het verwijt in deze dossiers betreft het in strijd met de leveringsakte uitbetalen van de verkoopopbrengst aan een derde in plaats van de verkoper. Hierover is inmiddels reeds het nodige gezegd. Van belang is dat deze dossiers van vóór februari 2008 dateren, dus vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregel. Voor schending van deze regel na 2008 is een aantal notarissen tuchtrechtelijk aangesproken omdat zij aan een woonlastenbeschermers gelden uitbetaalden: de klacht werd gegrond verklaard met oplegging van de maatregel enkele waarschuwing. Het Openbaar Ministerie beschikt al over de koopovereenkomsten A-B, de leveringsakten B-C, de hypotheekakten C, de rekeningoverzichten met de betalingen van en aan [betrokkene 2] van de ING Bank en ABN AMRO Bank (waaronder de litigieuze betalingen) en het kwaliteitsrekeningenoverzicht van notaris [betrokkene 1]. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor een valsheid, dan wel het vereiste opzet daarop, een tuchtprocedure ligt meer voor de hand dan een strafrechtelijke toets en van noodzaak tot kennisname, naast de stukken waarover het Openbaar Ministerie reeds de beschikking heeft, is niet gebleken.

[c-straat 1] (1554)

20. Ten aanzien van de [c-straat] is al geoordeeld dat een tweetal documenten mogelijkerwijs als 'corpora et instrumenta delicti' is aan te merken. De verwijten in deze a-typische zaak betreffen een vals identiteitsdocument, een valse hypotheekaanvraag en een valse opgaaf omtrent looninkomsten.

Over het vals identiteitsdocument bestaat evenwel geen enkele verdere twijfel, die beslag van vertrouwelijk notarisdossiers rechtvaardigt. Het is achteraf duidelijk wat mevrouw heeft gedaan; de voorletters zijn omgedraaid en deze mevrouw is de enige vrouw die iets ouder wil zijn dan zij werkelijk is. De notaris heeft niet anders dan de verzekeraar gereageerd. Hij is er ook ingetuind, waarbij de tuchtrechtelijke vraag mogelijk is of hij te dien aanzien voldaan heeft aan zijn notariële zorgplicht. Een en ander wil niet zeggen dat de notaris strafrechtelijk heeft gehandeld. Van belang is dat er een rectificatieakte heeft plaatsgevonden. De notaris heeft geen zicht op de verwijten omtrent de valse hypotheekaanvraag bij [A] en de valse opgaaf omtrent looninkomsten. Het Openbaar Ministerie beschikt al over de leveringsakte, de koopovereenkomst, de hypotheekaanvraag, de hypotheekofferte en de begeleidende brief, de werkgeversverklaring en salarisspecificatie. In aanmerking genomen het oordeel van de notaris omtrent het kopie identiteitsdocument en de hypotheekakte is er geen verdere noodzaak dat ten behoeve van de waarheidsvinding door middel van inzage in de notarisdossiers het zwaarwegende maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk tot de notaris mag wenden moet wijken.

[e-straat 1] (3382, 3811)

21. De verdenking jegens de notaris betreft hier enkel art. 326 Sr, geen art. 225/226 Sr. Deze verdenking is overigens niet teruggekomen op de vordering tot bewaring. Er is ook daarom geen noodzaak om inzage te krijgen in de notarisdossiers ten koste van het maatschappelijk belang dat door het verschoningsrecht wordt gewaarborgd. Het Openbaar Ministerie beschikt bovendien al over leveringsakten, de hypotheekakten, het hypotheekdossier B incl koop- en aannemingsovereenkomst, de koopovereenkomst B-C, het taxatierapport C, het hypotheekdossier C, de hypotheekakte C en de rekeningoverzichten met de betalingen van en aan [betrokkene 2] van de ING Bank en ABN AMRO bank.

[d-straat 1] (4214, 4215)

22. Het verwijt in de zaak van [d-straat 1] houdt kort gezegd dat de opbrengst uit de verkoop van het ene registergoed via de kwaliteitsrekening wordt aangewend bij de aankoop van een ander registergoed. Dit verwijt, witwassen, volgt op de verwijten uit de zaak van de [a-straat 1]. Het aanwenden van de verkoopopbrengst voor een volgende aankoop via de kwaliteitsrekening is strafrechtelijk noch tuchtrechtelijk laakbaar. Het is ook geen red flag (risico-indicator). Er zijn geen of onvoldoende aanwijzingen voor betrokkenheid bij witwassen en er is geen noodzaak tot inzage van het dossier; het Openbaar Ministerie beschikt reeds over de rekeningafschriften.

23. In het algemeen dient te worden opgemerkt dat de notaris niet als een auctoriale lezer alles ziet of weet. Hij kan niet alles zien of beoordelen en hij is afhankelijk van de informatie die personen, bedrijven en instanties hem aanleveren (daarom is het maatschappelijk vertrouwen in handhaving van het beroepsgeheim ook zo belangrijk!):

"Op de notaris rust weliswaar een onderzoeksplicht, maar hij heeft als juridisch dienstverlener geen informatiepositie die vergelijkbaar is met die van een bestuurlijk toezichthouder of een opsporingsdienst. Daarmee is hetgeen hij kan waarnemen omtrent de rol die de door hem verleende diensten in een bredere context zouden kunnen spelen, per definitie beperkt."

ad (ii) De enkele witte envelop

24. Dit betreft een document met een bericht aan het Kadaster uit een notarisdossier dat op geen enkele wijze betrekking heeft op het dossier 4215 waarin het werd aangetroffen of op andere in beslag genomen dossiers.

Ad (iii) De gele enveloppen

25. Dit betreft een 22-tal overige notarisdossiers dat door het Openbaar Ministerie in beslag is genomen. Niet is gebleken dat deze zaken serieus onderwerp van onderzoek zijn. In dat verband is ook van belang dat de uitspraak van bijvoorbeeld de rechtbank Maastricht over drie in beslag genomen dossiers ging. Daarbij geldt dat inmiddels al is aangekondigd dat het strafdossier begin april 2012 gereed zal zijn, zodat dit laatste ook minder aannemelijk is.

Ad (iv) De witte envelop met USB-stick

26. Hierop bevinden zich de in beslag genomen digitale gegevens. Dezelfde standpunten worden hierbij ingenomen."

2.1.3. Tijdens de behandeling in raadkamer van 27 januari 2012 heeft de Officier van Justitie het woord gevoerd overeenkomstig een aan het proces-verbaal gehecht aanvullend verweerschrift. Dit aanvullend verweerschrift houdt in, voor zover hier van belang:

"Voorts kan mijns inziens worden verdedigd dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, die het doorbreken van het verschoningsrecht kunnen rechtvaardigen.

Klager wordt immers verdacht van faciliteren van (hypotheek)fraude en witwassen. Hij zou dit bovendien gedaan hebben in het kader van een criminele organisatie waar hij zelf deel van zou hebben uitgemaakt. Het bestrijden van deze vorm van fraude staat hoog op de agenda van de landelijke politiek. Een dergelijke fraude tast de integriteit van het bankwezen en de bouwwereld aan. Beide zijn zeer belangrijke sectoren voor de huidige precaire economische situatie.

Ook kan aansluiting worden gezocht bij de conclusie van advocaat-generaal Bleichrodt in de Apothekerszaak, waarin hij stelt dat het verdedigbaar is dat indien de geheimhouder wordt verdacht van een misdrijf dat hij heeft begaan in de uitoefening van zijn beroep of dat met die beroepsuitoefening in nauw verband staat, dit onder het criterium van 'de omstandigheden van uitzonderlijke aard' valt.

In beginsel moeten cliënten kunnen vertrouwen op de geheimhouding door klager. Echter medeverdachten mogen daarop niet rekenen in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens. Net zoals klager toen hem dit duidelijk werd, zijn medewerking had moeten weigeren. Daarbij zij uitdrukkelijk opgemerkt dat het verschoningsrecht niet bedoeld is voor een verdachte om zich daarachter te verschuilen.

Ten einde te voorkomen dat de geheimhouding niet meer dan strikt noodzakelijk wordt doorbroken, heeft de inbeslagneming zich beperkt tot de betreffende dossiers. Om een indruk te krijgen van de omvang van de fraude (en de daarmee samenhangende impact op de maatschappij en bijbehorende strafmaat voor verdachte) is het noodzakelijk om die onroerend goed transacties waarbij er een verdenking is van fraude gepleegd door klager, verder te onderzoeken. Uit de onderzoeksgegevens blijkt de concrete verdenking zich namelijk tot de inbeslaggenomen dossiers uit te strekken. Alhoewel het zeker niet uitgesloten kan worden dat er ook fraude is gepleegd in andere dossiers van klager en medeverdachten, is van in beslagname van die dossiers vanwege het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel afgezien.

In de onderhavige zaak zijn de inbeslaggenomen gegevens van cruciaal belang voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent de gerezen verdenking. Uit de inbeslaggenomen bescheiden moet immers de mate van deelneming aan de criminele organisatie blijken. Dit kan onder meer blijken uit de wijze waarop verdachten met elkaar communiceren, de wijze van belonen voor geleverde diensten etc.

De rol van een notaris in de ABC-constructies, de hypotheek- en bouwdepotfraude is een cruciale. Uit de hoeveelheid dossiers kan de structurele betrokkenheid van de notaris daarbij blijken."

2.2. De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

"4. Status van de verzegelde en in beslag genomen stukken.

Blijkens het proces-verbaal van de doorzoeking in het kantoorpand van klager d.d. 31 oktober 2011, heeft de rechter-commissaris terzake de in beslag genomen geheimhoudersstukken geoordeeld dat deze zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan. Hiervan uitgaande, zou derhalve geen sprake hoeven zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden als hierboven genoemd (vgl. Hoge Raad 22 november 1991, NJ 1992, 315 en Hoge Raad 9 mei 2006, NJ 2006, 622).

Onduidelijk is echter waarop de rechter-commissaris voornoemd oordeel heeft gebaseerd, nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat de rechter-commissaris de desbetreffende stukken heeft ingezien of op andere wijze op de hoogte was van de inhoud van die stukken. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de constatering dat de geheimhoudersstukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan, terwijl nadere motivering van die constatering ontbreekt, niet door de rechter-commissaris kan zijn gedaan.

5. Zeer uitzonderlijke omstandigheden.

Nu niet is gebleken of de in casu in beslag genomen geheimhoudersstukken zijn aan te merken als voorwerpen met behulp waarvan de strafbare feiten zijn begaan, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die de inbeslagname van de geheimhoudersstukken desondanks rechtvaardigen.

De Hoge Raad heeft blijkens bestendige jurisprudentie op dit punt geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan meebrengen dat het in artikel 98 Sv genoemde verbod wordt geschonden. Deze inbreuk op het verschoningsrecht mag niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid en voor een dergelijke uitzondering gelden strenge motiveringseisen. Hierbij kan onder meer een rol spelen de vraag of het gaat om een tegen de verschoningsgerechtigde bestaande verdenking; de aard en ernst van de verdenking(en); de aard en omvang van de gegevens en de vraag of de informatie niet via andere weg kan worden verkregen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld, om de navolgende redenen.

Klager wordt onder meer verdacht van het medeplegen van witwassen (artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten (artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht). De aan klager verweten gedragingen raken de kern van de werkzaamheden en de functie van een notaris, in het bijzonder zijn openbare en maatschappelijke functie. Die functie komt onder meer tot uitdrukking in artikel 21 van de Wet op het notarisambt. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de notaris verplicht is de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede lid. Dit lid bepaalt onder meer dat de notaris verplicht is zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging de werkzaamheid die van hem wordt verlangd, leidt tot strijd met het recht of de openbare orde of wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben. De maatschappelijke functie van een notaris brengt met zich mee dat in het maatschappelijk verkeer vertrouwd moet kunnen worden op door hem opgestelde en ondertekende stukken. Juist door dat vertrouwen in de bemoeiingen van de notaris, pleegt er in het maatschappelijk verkeer een grote waarde te worden toegekend aan een door hem opgestelde authentieke akte.

Zou bewezen worden verklaard dat klager zich in het kader van de uitoefening van zijn ambt schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door in een authentieke akte gegevens op te nemen die in strijd zijn met de waarheid, dan zou dat ook ernstig afbreuk doen aan het ambt van de notaris en de maatschappelijke functie van de notaris in het algemeen. Daarom is er naar het oordeel van de rechtbank niet alleen sprake van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf, maar ook van zeer uitzonderlijke omstandigheden, omdat er in dit geval met de waarheidsvinding een groter belang is gediend, namelijk het maatschappelijk belang van de naleving van de aan de notaris in het tweede lid van artikel 21 van de Wet op het notarisambt opgelegde plicht met het oog op het vertrouwen dat in de werkzaamheden van de notaris moet kunnen worden gesteld.

De rechtbank heeft in haar oordeel voorts betrokken dat het gaat om een verdenking gericht tegen de verschoningsgerechtigde (in casu klager) en dat de medeverdachten van klager, die in beginsel mogen rekenen op de geheimhouding door klager, daarop niet mogen rekenen in het geval er sprake is van het in hun opdracht opstellen van een authentieke akte met valse gegevens.

Bovendien valt niet in te zien hoe de (inhoud van de) desbetreffende authentieke stukken op een andere wijze dan door de inbeslagname ervan, zouden kunnen worden verkregen.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van de waarheidsvinding vanwege zeer uitzonderlijke omstandigheden dient te prevaleren boven het respecteren van de geheimhoudingsplicht van klager.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet het belang van strafvordering zich dan ook tegen opheffing van het beslag en de teruggave daarvan aan klager."

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. Het eerste middel klaagt erover dat de Rechtbank haar oordeel dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waaronder het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het aan de notaris toekomende verschoningsrecht onvoldoende heeft gemotiveerd, mede in het licht van hetgeen namens de klager is aangevoerd ten aanzien van aard en ernst van de jegens hem bestaande verdenking.

Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd een toereikend gemotiveerde beslissing te geven op het verweer dat de inbeslagneming, gelet op aard en aantal van de inbeslaggenomen stukken, een verdergaande inbreuk op het aan de klager toekomende verschoningsrecht veroorzaakt dan voor de waarheidsvinding noodzakelijk kan zijn.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2. Vooropgesteld moet worden dat het verschoningsrecht van de notaris, zoals dat onder meer in de art. 98 en 125l Sv tot uitdrukking is gekomen, in zoverre niet absoluut is dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Dit brengt mee dat, waar doorzoeking ter inbeslagneming bij een notaris zonder diens toestemming reeds kan plaatsvinden als het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, die toestemming in geval van zeer uitzonderlijke omstandigheden evenmin nodig is als de doorzoeking ter inbeslagneming een verdere strekking heeft en is gericht op brieven en geschriften die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen.

De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Voor het oordeel dat van zodanige omstandigheden - en derhalve van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht - sprake is, gelden zware motiveringseisen. De enkele omstandigheid dat een notaris als verdachte wordt aangemerkt is in ieder geval niet toereikend maar wel de verdenking van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband van een notaris met bepaalde cliënten. Dan zal het belang van die cliënten dat zij ervan moeten kunnen uitgaan dat de notaris geheim houdt hetgeen zij hem in die criminele aangelegenheid hebben toevertrouwd moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. In een dergelijk geval dienen het verschoningsrecht en de daarmee samenhangende beperkingen van de uitoefening van de beslag- en doorzoekingsbevoegdheden te wijken voor het belang van de strafvordering, zij het dat ook dan de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit, waarbij zorg moet worden betracht om te voorkomen dat de belangen van andere cliënten van de notaris dan de cliënten die betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvan de notaris wordt verdacht, onevenredig worden getroffen (vgl. HR 14 juni 2005, LJN AT4418, NJ 2005/353).

3.3. In haar hierboven aangehaalde overwegingen heeft de Rechtbank met toepassing van de juiste maatstaf uiteengezet dat en waarom zij van oordeel is dat zich de zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de klager als notaris is toevertrouwd - dient te prevaleren boven het verschoningsrecht.

3.4. Dienaangaande heeft de Rechtbank in haar overwegingen betrokken dat de aan de klager verweten gedragingen raken aan de kern van diens werkzaamheden als, en aan diens openbare en maatschappelijke functie van, notaris, in verband waarmee de wet hem voorhoudt dat hij zijn diensten zal hebben te weigeren in die gevallen waarin hij moet beseffen dat die eraan kunnen bijdragen dat in strijd met het recht of met de openbare orde wordt gehandeld, of dat de van hem verlangde werkzaamheden een ongeoorloofd doel of gevolg dichterbij kunnen brengen.

3.5. De Rechtbank, die in verband met het antwoord op de vraag of zich de bedoelde zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen onder meer had te beoordelen of sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een ernstig strafbaar feit, heeft vastgesteld dat de klager wordt verdacht van onder meer het medeplegen van witwassen en het medeplegen van valsheid in geschrift met betrekking tot authentieke akten en heeft als haar oordeel tot uitdrukking gebracht dat deze feiten als een zeer ernstig misdrijf moeten worden aangemerkt.

In het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, zoals hiervoor in 2.1.2 en 2.1.3 weergegeven, getuigt het oordeel van de Rechtbank niet van miskenning van de in dit verband geldende zware motiveringseisen en was zij niet gehouden haar oordeel omtrent het bestaan van de verdenking jegens de klager en omtrent de ernst van die verdenking nader te motiveren om dit begrijpelijk te doen zijn. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat hetgeen namens de klager is aangevoerd de Rechtbank in een beklagprocedure als de onderhavige, waarin slechts in beperkte mate kan worden onderzocht in hoeverre de jegens de verschoningsgerechtigde geformuleerde verdenking gegrond is, niet noopte de jegens de klager bestaande verdenking als ongegrond aan te merken.

3.6. Blijkens de in 2.1.2 hiervoor weergegeven pleitaantekeningen is namens de klager erkend dat de onder hem inbeslaggenomen documenten, met uitzondering van één notarisdossier, betrekking hebben op transacties die in de processtukken zijn genoemd als voorwerp van het (strafrechtelijk) onderzoek. In het licht van hetgeen partijen bij de behandeling in openbare raadkamer naar voren hebben gebracht, zoals hierboven in 2.1.2 en 2.1.3 weergegeven, was de Rechtbank niet gehouden nader te motiveren waarom kennisneming van alle inbeslaggenomen documenten met het oog op de waarheidsvinding dringend geboden is.

3.7. De middelen falen.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2013.