Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA3291

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
11/01642
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Falende bewijsklacht art. 189 Sr. 2. HR doet middel af onder verwijzing naar art. 90octies Sr, HR NJ 2006/106 en art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/871
NJ 2013/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 juni 2013

Strafkamer

nr. S 11/01642

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 maart 2011, nummer 23/003030-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboortedatum] op [geboortedatum] 1981.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. I. Baardman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde, voor zover behelzende dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk de inbeslagneming te beletten, te belemmeren of te verijdelen, ontoereikend is gemotiveerd.

2.2. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6 - 3.8 kan het middel niet tot cassatie leiden.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, in het licht van art. 90octies Sr en HR 1 november 2005, LJN AT7587, NJ 2006/106 en gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 133 uren bedraagt;

vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 66 dagen beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 18 juni 2013.