Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA2547

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11/05190
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA2547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 80a RO. Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BZ5960. In gevallen waarin de schriftuur na 1 oktober 2012 is ingediend en waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, kan het verhandelde ttz. onder omstandigheden aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst t.a.v. de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte onvoldoende belang heeft bij zijn klacht over de bewijsvoering, en zo’n klacht met toepassing van art. 81.1/80a RO kan worden afgedaan. I.c. bevatten de middelen 2 en 4 zulke klachten.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie
Wet op de rechterlijke organisatie 80a
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/812
NJB 2013/1623
NJ 2013/577 met annotatie van P.H.P.H.M.C. van Kempen
NBSTRAF 2013/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juni 2013

Strafkamer

nr. S 11/05190

LBS/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 14 november 2011, nummer 21/003350-11, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en gebezigde bewijsmiddelen

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 4 november 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een ladder, geheel of ten dele toebehorende aan [A] BV en/of [betrokkene 1];

2. hij op 4 november 2008 te Amsterdam opzettelijk enige handelingen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift ondernomen door [verbalisant 1], inspecteur van politie die was belast met de uitoefening van enig toezicht en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten en ter uitvoering van het bepaalde in artikel 61a van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handelingen opzettelijk heeft belet en belemmerd, door niet recht in een (foto)camera te kijken en door de andere kant op te kijken en door zijn hoofd schuin omhoog te houden en door zijn ogen weg te draaien en door zijn ogen te sluiten waardoor het niet mogelijk was politiefoto's te maken en door meerdere malen handen weg te trekken waardoor het niet mogelijk was vingerafdrukken te nemen."

2.2. Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Ik werk voor [A] BV en in opdracht van woningbouwvereniging [B] zijn wij bezig met de afdichting van slooppanden in de [a-straat] te Amsterdam. Zojuist, op 4 november 2008, is er een ladder weggenomen. Deze ladder is eigendom van mijn werkgever en deze had ik in gebruik in verband met die werkzaamheden. Ik zag op 4 november 2008 om 11.10 uur dat drie krakers mijn ladder hebben weggenomen. Ik zag namelijk dat zij de ladder vanuit het kraakpand omhoog trokken en in de woning schoven. Ik zag dat dit gezamenlijk verricht werd, omdat het hen kennelijk moeite kostte om de ladder omhoog te trekken.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2008, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], zakelijk weergegeven:

Op 4 november 2008 om 11.15 uur kregen wij een telefonische melding van aangever [betrokkene 1].

Direct hierop begaven wij verbalisanten ons onmiddellijk naar de [a-straat] te Amsterdam, alwaar wij op 4 november 2008 om 11.20 uur arriveerden. Vervolgens werden wij, verbalisanten, aangesproken door de aangever voornoemd. Wij zagen dat [betrokkene 1] wees in de richting van een man die op het pleintje, gelegen voor het perceel [a-straat 1] te Amsterdam liep. Wij zagen dat deze man in onze richting liep. Wij hoorden dat aangever [betrokkene 1] zei: "Deze man heeft mijn ladder gestolen". Wij zagen dat de door [betrokkene 1] aangewezen man zich omdraaide en wegrende in de richting tegengesteld als waarin hij eerder liep. Om 11.25 uur hielden wij de verdachte aan.

Bij onderzoek in de achtertuin van het perceel [a-straat 1] te Amsterdam troffen wij op 4 november 2008 om 11.40 uur een ladder aan.

Nadat wij de aangetroffen ladder toonden aan aangever [betrokkene 1] verklaarde deze dat dit de door hem bedoelde ladder was.

3. Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 13 april 2010 door de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank Amsterdam, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:

Tegen de muur aan stond een ladder. Ik ben toen in de richting van de ladder gelopen en zag die plotseling verdwijnen. Ik heb dat met eigen ogen gezien. Die jongen die later is aangehouden stond op een soort afdakje en hij trok de ladder omhoog samen met een ander. Ik kan die jongen omschrijven als lang, slonzig en onverzorgd. Ik heb onmiddellijk gevraagd om die ladder terug te geven. Ik kreeg de ladder niet terug. Ik heb gezien dat die lange jongen is weggerend en toen in de kraag is gegrepen.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2008, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1], zakelijk weergegeven:

Op 4 november 2008 om 18.20 uur stelde ik, verbalisant een onderzoek in. Op genoemde datum en tijdstip bevond ik, inspecteur van politie, mij in de hoedanigheid van chef dienst, tevens hulpofficier van justitie in het cellencomplex Noord West te Amsterdam.

In genoemd complex bevond zich de in verzekering gestelde verdachte NnPL134Jo0811041146 die niet wilde mee werken aan een identiteitsonderzoek. Om 18.25 uur heb ik bevolen mede te werken aan genoemd onderzoek. Hierbij is de verdachte medegedeeld dat als hij het onderzoek moedwillig saboteert en alle medewerking weigert hij zich schuldig zou maken aan een nieuw misdrijf. Wederom gaf de verdachte geen enkele reactie, noch verbaal noch non-verbaal. Vervolgens liep de verdachte vrijwillig mee naar de onderzoeksruimte en nam vrijwillig plaats in de stoel die hem gewezen werd voor het maken van een digitale opname van zijn gezicht in twee posities.

Toen hem werd gevraagd of hij recht in de camera wilde kijken, zag ik dat de verdachte de stoel wegdraaide en vervolgens de andere kant uit keek. Opnieuw wees ik de verdachte op het feit dat hem bevolen was mede te werken aan genoemd onderzoek. Opnieuw werkte verdachte niet mee. Ik zag namelijk dat hij zijn hoofd schuin omhoog bracht en naar boven keek. Hierop is verdachte onder gepaste dwang digitaal gefotografeerd. Hierbij zag ik dat de verdachte zijn ogen wegdraaide en bij een tweede poging zijn ogen dicht deed en pogingen deed om zijn hoofd weg te draaien. Vervolgens is verdachte onderworpen aan een dactyloscopisch onderzoek. Ook hierbij zag ik dat de verdachte zich verzette tegen het onderzoek voornoemd. Ik zag namelijk dat de verdachte in de armen ging hangen van de medewerkers die het onderzoek moesten verrichten. Vervolgens zag ik dat hij meerdere malen zijn handen trachtte weg te trekken om zodoende te voorkomen dat er vingerafdrukken werden genomen. Na enige waarschuwing alsmede gepaste dwang is de verdachte toch onderworpen aan genoemd onderzoek."

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Het tweede en het vierde middel klagen dat de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Uit de onder 2.2 weergegeven inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan slechts worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring onder 1 genoemde ladder is weggenomen door onder anderen de aangehouden persoon en dat deze persoon vervolgens niet heeft willen meewerken aan een identiteitsonderzoek. Hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat het de verdachte is geweest die de in de bewezenverklaring omschreven feiten heeft gepleegd. In zoverre zijn de middelen terecht voorgesteld.

3.3. In zijn arrest van 2 april 2013, LJN BZ5960, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van een schriftuur die was ingediend voor de in HR 11 september 2012, LJN BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.8 genoemde datum van 1 oktober 2012, overwogen dat in gevallen waarin niet alle onderdelen van de bewezenverklaring kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - onder omstandigheden aanleiding kan zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering, en dat in dergelijke gevallen zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO kan worden afgedaan of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO.

3.4. In de onderhavige zaak, waarin de schriftuur is ingediend na 1 oktober 2012, gaat het om zulke klachten, nu de bestreden uitspraak inhoudt dat zij mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 maart 2009 en het proces-verbaal van die terechtzitting onder meer inhoudt:

"De verdachte antwoordt op de vragen van de politierechter te zijn:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

(...)

Verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Op uw vraag of ik geweigerd heb om mee te werken aan het tot stand komen van een goede politiefoto en vingerafdrukken dan antwoord ik dat ik de verbalisanten niet begreep. Zij spraken Nederlands tegen mij. Ik wist niet dat ik mee moest werken. Ik zag een fotocamera op mijn hoofd gericht. Ik ging zitten waar ze mij neerzetten. Ik begreep wel dat de politie een foto wilde maken.

Voor wat betreft de vingerafdrukken begreep ik waar het om ging. Ik ben gedwongen door twee agenten die mijn hand pakten en in de inkt stopten. Ik kan mij niet herinneren of ik mijn hand heb teruggetrokken."

3.5. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat ook de overige aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat zij niet tot cassatie kunnen leiden, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 juni 2013.