Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA2542

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
11/03064
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA2542
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belediging van de Koning, art. 111 Sr. 1. In ’s Hofs bewijsvoering ligt besloten dat het de verklaring van verdachte dat hij niet de Koningin maar de of een “koningin van de nacht” bedoelde niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen ttz. door verdachte voorts nog is verklaard, niet onbegrijpelijk. 2. V.zv. in cassatie een beroep wordt gedaan op de “linguïstieke uitingsvrijheid” van verdachte en dat deze uitingsvrijheid wordt beschermd door art. 10 EVRM, geldt dat een dergelijk beroep niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden gedaan. Het Hof heeft het betoog van verdachte kennelijk niet als zodanig opgevat, hetgeen niet onbegrijpelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/816
NJB 2013/1620
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juni 2013

Strafkamer

nr. S 11/03064

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 juli 2011, nummer 22/003203-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. Tamas, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de verwerping van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 14 september 2009 te Zoetermeer opzettelijk de Koningin, H.M. Beatrix Wilhelmina Armgard, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld, heeft beledigd doordat hij met witte verf de tekst "Lang leve de Koningin die kankerhoer" op een pand aan de [a-straat] heeft aangebracht."

2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2011 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ergens in de periode van 1 augustus 2009 tot 14 september 2009 heb ik op de muur van een pand aan de [a-straat] te Zoetermeer met witte verf de tekst "Lang leve de Koningin die kankerhoer" aangebracht.

U houdt mij voor dat deze woorden de eer en goede naam van iemand zouden kunnen aantasten. Dat is juist.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2009 van de politie Haaglanden, nr. PL15J2/2009/3150-2, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, blz. 20 e.v. van het dossier. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 8 september 2009 ben ik, verbalisant [verbalisant 1], langsgereden bij het autobedrijf [A] aan de [a-straat] te Zoetermeer. Medewerkers hadden melding gemaakt van graffiti op een gebouw tegenover het autobedrijf. Het gebouw betreft een voormalig bedrijfspand en is vrij toegankelijk en zichtbaar vanaf de openbare weg. Dit gebouw is gekraakt door [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1968. Bij het gebouw aangekomen zag ik, verbalisant, diverse teksten staan aangebracht met verf.

Op 9 september 2009 zijn wij, verbalisanten, wederom naar de lokatie gegaan. Wij, verbalisanten, zagen dat de beledigende teksten ten aanzien van het koningshuis nog steeds aanwezig waren en hebben de teksten gefotografeerd.

3. Een geschrift, zijnde een kopie van een foto, blz. 24 van het dossier. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

Met grote witte letters staat op de muur geschreven "Lang leve de koningin die kankerhoer"."

2.2.3. Het Hof heeft ten aanzien van de bewijsvoering voorts nog het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat met Koningin wordt bedoeld, H.M. Beatrix Wilhelmina Armgard, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, Prinses van Lippe-Biesterfeld."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in als verklaring van de verdachte, voor zover hier van belang:

"Ergens in de periode van 1 augustus 2009 tot 14 september 2009 heb ik op de muur van een pand aan de [a-straat] te Zoetermeer met witte verf de tekst "Lang leve de Koningin die kankerhoer" aangebracht. Ik heb in dit pand van 28 oktober 2008 tot en met 6 januari 2010 gewoond. Er zijn foto's van de teksten gemaakt. Ik heb de tekst een keer eerder aangebracht. Ik zeg u, de enige koningin van de nacht is een hoer. U houdt mij voor dat deze woorden de eer en goede naam van iemand zouden kunnen aantasten. Dat is juist, maar er staat geen "Hare Majesteit". Er zijn meerdere koninginnen. Mensen die langslopen en niet weten wat ik met mijn teksten bedoel kunnen aanbellen en vragen stellen. Laatst stond er in de krant "koningin van de kaaskoppen". Ik kan mij voorstellen dat meerdere mensen verschillende ideeën over mijn teksten hebben, maar dit is mijn visie. Ik draag gedichten waarin ik het heb over de koningin van de nacht op aan Hare Majesteit. Mijns inziens heb ik niet onrechtmatig gehandeld. Ik heb het Haagse Wilhelmus geschreven. Ik laat zien hoe je kan spelen met de Nederlandse taal. Na 2009 heb ik met afwasbare stift nog dezelfde soort teksten geschreven. Ik heb dit zelfs gemeld bij de politie. Na mijn detentie heb ik deze teksten niet meer gezien."

2.4.1. In de door het Hof gebezigde bewijsvoering ligt besloten dat het Hof de verklaring van de verdachte dat hij niet de Koningin maar de of een "koningin van de nacht" bedoelde, niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting door de verdachte voorts nog is verklaard, niet onbegrijpelijk.

2.4.2. Voor zover in cassatie een beroep wordt gedaan op de "linguïstieke uitingsvrijheid" van de verdachte en dat deze uitingsvrijheid wordt beschermd door art. 10 EVRM, geldt dat een dergelijk beroep niet met vrucht voor het eerst in cassatie kan worden gedaan aangezien de beoordeling daarvan verweven is met waarderingen van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is. Het Hof heeft het betoog van de verdachte kennelijk niet als zodanig opgevat, hetgeen niet onbegrijpelijk is.

2.5. Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 juni 2013.