Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA2240

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2013
Datum publicatie
07-06-2013
Zaaknummer
12/01583
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BV7665, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

KB-Lux. Meewerker. Verlengde navorderingstermijn. Boeten van 30 percent passend en geboden? Beperkte toets in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1260
V-N 2013/29.6 met annotatie van Redactie
BNB 2013/205 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
FutD 2013-1420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juni 2013

Nr. 12/01583

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatsecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02460, betreffende aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1992 tot en met 1998 in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging vijftig percent kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

Voorts zijn aan belanghebbende over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.

De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraken van de Inspecteur die betrekking hebben op de verhogingen en boeten alsmede die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1997, de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1998 en de daarmee verband houdende beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd, die navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente vernietigd, de boeten verminderd, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke is gemoeid geweest met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie van belanghebbende en het overige fiscale onderzoek, voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn niet aanvaardbaar is. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.1.2. Het Hof heeft zijn hiervoor in 3.1.1 bedoelde oordeel doen steunen op zijn overwegingen dat belanghebbende in reactie op vragen van de Inspecteur vrijwel direct heeft erkend over de rekening te hebben beschikt en direct zodanige informatie heeft verstrekt over die rekening dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen aanzienlijk eerder had moeten opleggen.

3.1.3. Blijkens de gedingstukken heeft tussen de Inspecteur en belanghebbende in januari en februari 2002 correspondentie plaatsgevonden, waarbij belanghebbende gegevens heeft verstrekt over zijn Luxemburgse bankrekening. Vervolgens heeft belanghebbende zich voor rechtsbijstand tot een advocaat (hierna: de advocaat) gewend. De advocaat heeft zich bij brief van 22 april 2002 bij de Inspecteur gemeld met aankondiging binnen twee weken nader te reageren. Toen reactie uitbleef heeft de Inspecteur zich bij brief van 17 mei 2002 tot de advocaat gewend. Deze antwoordde bij brief van 27 mei 2002, weergegeven in onderdeel 3.14 van 's Hofs uitspraak, dat de beantwoording van de vragen van de Inspecteur afhankelijk was van de antwoorden op vragen die de advocaat aan de Staatssecretaris van Financiën had gesteld. Daarna heeft de Inspecteur zich tot de advocaat gewend, onder meer bij brieven van 8 juli 2002 en van 4 september 2002. Toen reactie uitbleef heeft de Inspecteur bij brief van 8 november 2002 aangekondigd navorderingsaanslagen op te leggen, waarna verdere correspondentie plaatsvond, als weergegeven in de onderdelen 3.15 en 3.16 van 's Hofs uitspraak. De navorderingsaanslagen zijn vervolgens door de Inspecteur aangekondigd bij brief van 18 april 2003 en zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2003 en 27 juni 2003.

3.1.4. De hiervoor in onderdeel 3.1.3 vermelde feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen de vereiste voortvarendheid in acht heeft genomen. Het middel slaagt derhalve.

3.2. Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. het heden in de zaak met nummer 12/01565 uitgesproken arrest van de Hoge Raad).

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997 en in de VB over de jaren 1992 tot en met 1998 blijven in stand; de verhogingen van die navorderingsaanslagen volgen de door het Hof gewijzigde boetebeschikkingen en komen, na kwijtschelding, uit op 24 percent.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997, de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1992 tot en met 1998 en de bijbehorende beschikkingen inzake heffingsrente,

verklaart de beroepen ongegrond voor zover ze betrekking hebben op die navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake heffingsrente, en

scheldt de in die navorderingsaanslagen begrepen verhogingen kwijt tot op 24 percent.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2013.