Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA1222

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
11/03092
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1222
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Krakers-zaak. 1. Huisrecht. 2. Art. 429sexies Sr (vervallen), “gebruik door de rechthebbende”. Ad 1. De overweging van het Hof omtrent het huisrecht moet i.c. worden beschouwd als een overweging ten overvloede, zodat verdachte geen belang heeft bij zijn klacht. Ad 2. Uit de wetsgeschiedenis, noch uit de ratio van art. 429sexies Sr, volgt dat art. 429sexies Sr niet van toepassing zou zijn op slooppanden, dan wel dat de voor het pand te vinden bestemming dienstbaar moet zijn aan “een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte”, in die zin dat de toepasselijkheid van art. 429sexies Sr dwingend verbonden is aan wederom als huurwoning(en) beschikbaar stellen van het leeggekomen bouwwerk. Het Hof heeft derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn overwegingen te betrekken dat niet is gebleken dat woningbouwvereniging X onherroepelijk afstand heeft gedaan van haar recht op het gebouw en mede daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat het voornemen van X het gebouw te slopen niet eraan in de weg staat dat X in de gegeven omstandigheden bescherming kon ontlenen aan art. 429sexies Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/754
NJB 2013/1504
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 mei 2013

Strafkamer

nr. S 11/03092

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 juni 2011, nummer 20/001495-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Lindhout, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Tenlastelegging en bewezenverklaring

2.1. Aan de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - tenlastegelegd dat:

"1. hij op of omstreeks 9 januari 2009 te Breda opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 429 sexies, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1] (inspecteur van politie Midden en

West Brabant), die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem (meermalen) had gevorderd de panden aan de [a-straat 1-10] te verlaten, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

2. (...)

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 januari 2009 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een door hem/hen, verdachte, wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw aan de [a-straat 1-10], waarvan het gebruik door de rechthebbende (Woningbouwvereniging Laurentius) niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname was beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft ontruimd;

meest meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 januari 2009 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw aan de [a-straat 1-10], waarvan het gebruik door de rechthebbende (Woningbouwvereniging Laurentius) niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname was beëindigd, zich op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft verwijderd."

2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 9 januari 2009 te Breda opzettelijk niet heeft voldaan aan een vordering, krachtens artikel 429 sexies Sr, gedaan door [verbalisant 1] (inspecteur van politie Midden en West Brabant), die was belast met de uitoefening van enig toezicht, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem meermalen had gevorderd de panden aan de [a-straat 1-10] te verlaten, geen gevolg gegeven aan die vordering;

2. hij op 9 januari 2009 te Breda, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen gebouw, aan de [a-straat 1-10], waarvan het gebruik door de rechthebbende (Woningbouwvereniging Laurentius) niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname was beëindigd, zich op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft verwijderd."

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte met betrekking tot de gekraakte woning geen aanspraak kan maken op het huisrecht.

3.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte vanwege onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in art. 359a Sv. Daartoe heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat de verdachte huisrecht had opgebouwd met betrekking tot het gekraakte gebouw aan de [a-straat 1-10], op welk recht inbreuk is gemaakt door het binnentreden, de aanhouding van in het gebouw aanwezige personen en de ontruiming door de politie. Het Hof heeft dit verweer gemotiveerd verworpen.

3.3. Ten aanzien van de vrijspraak van feit 2 meest subsidiair heeft het Hof overwogen dat de verdachte op bezoek was bij de krakers en niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf het gebouw aan de [a-straat 1-10] wederrechtelijk in gebruik heeft genomen. Bewezenverklaard is dat de verdachte vertoevende in voornoemd gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan de wederrechtelijke ingebruikname was beëindigd, zich op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft verwijderd.

3.4. Het voorgaande brengt mee dat hetgeen het Hof ter verwerping van het verweer inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft overwogen omtrent het huisrecht in deze zaak moet worden beschouwd als een overweging ten overvloede. Derhalve heeft de verdachte geen belang bij zijn klacht, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over de beslissing op een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 onder meer aangevoerd dat de vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gegeven omdat zij niet op artikel 429sexies Sr kon worden gebaseerd.

Het hof stelt voorop dat in beginsel pas sprake is van een bevel of vordering als bedoeld in artikel 184 Sr indien voor het doen van die vordering een uitdrukkelijke wettelijke grondslag te vinden is. Die grondslag wordt hier gezocht in artikel 429sexies Sr.

De verdediging heeft echter betwist dat artikel 429 sexies Sr in het gegeven geval van toepassing was. In verband daarmee is aangevoerd:

A. van "gebruik" als bedoeld in artikel 429 sexies Sr is geen sprake als het pand leegstaat in afwachting van sloop;

B. delen van het pand stonden langer dan twaalf maanden leeg;

(...)

Daaromtrent overweegt het hof het navolgende.

Ten aanzien van A: "gebruik" in de zin van artikel 429 sexies Sr

Het hof stelt voorop dat artikel 429 sexies Sr. een "verlengde gebruiksbescherming" biedt voor een woning of gebouw waarvan het rechtmatig gebruik binnen een jaar voorafgaande aan het kraken een einde heeft genomen. Anders dan de rechter in eerste aanleg vindt het hof in de geschiedenis noch in de ratio van art. 429sexies Sr een aanknopingspunt voor de opvatting, dat dit voorschrift niet van toepassing zou zijn op slooppanden.

De strafbaarstelling is gegeven in het belang van de gerechtigde van het gebouw, die gedurende dat eerste jaar van de leegstand een extra bescherming geniet tegen wederrechtelijke ingebruikname (kraken), alsmede in het belang van de openbare orde. Dit betekent dat die materiële wederrechtelijkheid pas dan zal kunnen ontbreken, indien de gerechtigde onherroepelijk afstand van zijn recht op het gebouw heeft gedaan. In elk ander geval heeft de gerechtigde belang bij het gedurende dat jaar vrijelijk kunnen bepalen wat hij met het gebouw zal doen. Daaronder valt tevens te begrijpen het belang om op dat punt van mening of voornemen te veranderen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is met betrekking tot het gekraakte pand gebleken dat dit zou worden gesloopt vanwege de onveilige staat, onder andere betonrot, en dat dit ook de reden was dat door de woningbouwvereniging geen antikraak was ingezet om kraken tegen te gaan. Alle toegangen tot de panden waren door middel van houten platen afgesloten en de woningbouwvereniging had maatregelen genomen met betrekking tot de nuts- en sanitaire voorzieningen. Deze waren uit het pand verwijderd.

Het hof is van oordeel dat de woningbouwvereniging Laurentius ook onder deze omstandigheden bescherming kon ontlenen aan artikel 429 sexies Sr; daarbij neemt het in aanmerking dat niet is gebleken dat de woningbouwvereniging onherroepelijk afstand had gedaan van haar recht op het gebouw. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Ten aanzien van B: periode van leegstand

De verdediging heeft ter onderbouwing van dit verweer ter terechtzitting een uittreksel GBA overgelegd met betrekking tot een aantal woningen in het gekraakte gebouw. Daaruit zou volgens de verdediging volgen dat de bewoners meer dan een jaar voor 9 januari 2009 uit de gekraakte woningen waren vertrokken.

Uit het overgelegde uittreksel GBA volgt dat de meerderheid van de bewoners minder dan een jaar voor 9 januari 2009 uit hun woning in het gekraakte gebouw is vertrokken. Een minderheid was reeds meer dan een jaar eerder vertrokken. Dit laatste staat echter, naar het oordeel van het hof, niet in de weg aan een bewezenverklaring van dit onderdeel van het ten laste gelegde, nu het een kraakactie betrof waarbij de krakers gezamenlijk alle woningen in het complex kraakten.

(...)

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat zowel het onder 1 als onder 2 meest subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen nu verdachte vertoefde in een (door anderen) wederrechtelijk in gebruik genomen gebouw en zich op vordering vanwege de rechthebbende niet aanstonds heeft verwijderd. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen."

4.2.1. De tenlastelegging waarop de hiervoor weergegeven bewezenverklaring stoelt, is toegesneden op het per 1 oktober 2010 vervallen art. 429sexies Sr, wat het onder 1 bewezenverklaarde betreft in samenhang met art. 184 Sr. Het in de tenlastelegging en bewezenverklaring onder 2 voorkomende begrip "gebruik door de rechthebbende" moet worden geacht te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekwam in de destijds in 429sexies Sr vervatte strafbaarstelling.

4.2.2. Art. 429sexies (oud) Sr luidt als volgt:

"1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd zich op de vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds verwijdert."

4.3. Het middel berust op de stelling dat de wetsgeschiedenis en de ratio van art. 429sexies Sr aanleiding geven deze strafbaarstelling niet toe te passen "indien voortzetting van het gebruik door de rechthebbende niet in de rede ligt, bijvoorbeeld vanwege concrete sloopplannen".

4.4. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15 tot en met 18, beoogde de wetgever met art. 429sexies te bereiken dat de eigenaar van een pand na het leegkomen daarvan nog enige tijd de strafrechtelijke bescherming kan inroepen die overeenkomt met de bescherming die gedurende het gebruik van dat pand kan worden geboden tegen 'huisvredebreuk' (vgl. art. 138 Sr). Deze 'verlengde gebruiksbescherming' wordt geboden teneinde de eigenaar van een leeggekomen pand gelegenheid te geven daarvoor een nieuwe bestemming te vinden. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter niet dat art. 429sexies Sr niet van toepassing zou zijn op slooppanden noch dat, zoals in de toelichting op het middel kennelijk wordt verondersteld, die voor het pand te vinden bestemming dienstbaar moet zijn aan "een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van schaarse woonruimte", in die zin dat de toepasselijkheid van art. 429sexies Sr dwingend verbonden is aan wederom als huurwoning(en) beschikbaar stellen van het leeggekomen bouwwerk. Een in deze zin beperkte uitleg van "gebruik door de rechthebbende" vloeit evenmin dwingend voort uit de ratio van dit inmiddels vervallen art. 429sexies Sr, een bepaling waarmee blijkens de zojuist bedoelde wetsgeschiedenis ook de openbare orde werd gediend.

4.5. Het Hof heeft derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in zijn overwegingen te betrekken dat niet is gebleken dat woningbouwvereniging Laurentius onherroepelijk afstand heeft gedaan van haar recht op het gebouw en mede daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat het voornemen van Laurentius het gebouw te slopen niet eraan in de weg staat dat Laurentius in de gegeven omstandigheden bescherming kon ontlenen aan art. 429sexies Sr.

4.6. Nu de tenlastelegging en bewezenverklaring inhouden dat de verdachte heeft vertoefd "in een wederrechtelijk in gebruik genomen gebouw, aan de [a-straat 1-10]" (feit 2), onderscheidenlijk de verdachte geen gehoor heeft gegeven aan de vordering "de panden aan de [a-straat 1-10]" te verlaten (feit 1), is voorts niet onbegrijpelijk dat het Hof het verweer heeft verworpen dat het onder 2 tenlastegelegde niet strafbaar kan zijn, en de in de tenlastelegging van feit 1 bedoelde vordering niet krachtens wettelijk voorschrift is gedaan, omdat enkele woningen in die panden reeds langer dan twaalf maanden leegstonden.

4.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, Y. Buruma en J. Wortel en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.