Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:CA0813

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
12/01929
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:CA0813, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1076, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 3:3 BW; art. 2 Wet Bel. Rechtsv. Warmtekrachtkoppelingsinstallatie is onroerende zaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2127
NJB 2013/2143
V-N 2013/54.16 met annotatie van Redactie
BNB 2013/248
Belastingblad 2014/27 met annotatie van J.P. Kruimel
FutD 2013-2369 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2013/2264 met annotatie van Mr. P.W. Hofman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2013

nr. 12/01929

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X1] B.V. en [X2] B.V. te [Z] respectievelijk [Z] (hierna: belanghebbende 1 respectievelijk belanghebbende 2 en gezamenlijk: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 7 maart 2012, nr. BK-11/00265, betreffende op aangifte voldane bedragen aan overdrachtsbelasting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbenden hebben op aangifte bedragen aan overdrachtsbelasting voldaan. Belanghebbenden hebben tegen de voldoening van deze bedragen bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welke verzoeken bij uitspraken van de Inspecteur zijn afgewezen.

De Rechtbank te ’s-Gravenhage (nr. 10/4854) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbenden hebben tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep van belanghebbende 1 niet-ontvankelijk verklaard en de uitspraak op bezwaar ten aanzien van belanghebbende 2 bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2 Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 25 april 2013 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1.

In het kader van sale-and-lease-backtransacties met betrekking tot een warmtekrachtkoppelingsinstallatie met toebehoren (hierna: WKK) hebben bij akten van 5 januari 2009 leveringen plaatsgevonden. In dat kader heeft belanghebbende 1 € 45.339 aan overdrachtsbelasting voldaan en belanghebbende 2 € 2661. Zij hebben vervolgens beiden bezwaar gemaakt tegen die voldoening omdat zij van mening zijn dat de WKK niet een onroerende zaak is.

3.1.2.

De WKK is een installatie voor het tegelijkertijd opwekken van warmte en elektriciteit. De WKK staat in een aparte ruimte in een kassencomplex en is met grote bouten aan de vloer bevestigd. Er omheen bevindt zich een stalen ombouw, mede om geluidsoverlast van de WKK te beperken. De WKK is door leidingen verbonden met een warmwateropslagtank, die weer verbonden is met een verwarmingsketel. De door de WKK gegenereerde elektriciteit wordt geleverd aan het elektriciteitsnet. Daartoe is de WKK via kabels en buizen aangesloten op dat net. Voorts is daartoe een transformator in een transformatorhuisje geplaatst.

3.2.

Het Hof heeft overwogen dat de WKK deel uitmaakt van een complex waarin belanghebbende haar onderneming ter plaatse exploiteert en dat de WKK zowel visueel als functioneel een geheel vormt met de overige onderdelen van het complex. Het Hof heeft op grond daarvan geoordeeld dat de WKK naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en dat die bestemming naar buiten kenbaar is. Niet gebleken is van bijzonderheden in aard en inrichting van de WKK waaruit de kennelijke bedoeling van belanghebbende naar voren komt dat de WKK slechts tijdelijk met de grond is verenigd, aldus het Hof. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de WKK naar een andere locatie kan worden verplaatst noch dat een WKK als de onderhavige kan worden doorverkocht. Evenmin doet daaraan af de mogelijkheid dat in dit geval de energievoorziening ook realiseerbaar zou zijn zonder de WKK, aldus nog steeds het Hof. Op grond van die overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de WKK moet worden aangemerkt als hetzij een zelfstandige onroerende zaak dan wel een bestanddeel van het gebouw waarin de WKK is geplaatst, een en ander in de zin van artikel 3:3 BW. De vraag of de WKK eveneens is aan te merken als een onroerende zaak in de zin van artikel 3:4 BW heeft het Hof buiten behandeling gelaten.

3.3.1.

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen ’s Hofs hiervoor onder 3.2 vermelde oordelen.

3.3.2.

Het middel komt niet op tegen ’s Hofs beslissing dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep van belanghebbende 1 niet-ontvankelijk is. De bespreking van het middel ziet daarom enkel op de beslissing met betrekking tot belanghebbende 2.

3.3.3.

De vraag of een object een onroerende zaak is in de zin van artikel 2, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer moet worden beantwoord naar civielrechtelijke maatstaven. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 1997, nr. 16404, NJ 1998/97 (Portacabin), is daarbij in een geval als het onderhavige van belang of de WKK naar aard en inrichting is bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, waarbij moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is. Die bedoeling moet blijken uit bijzonderheden van aard en inrichting van de WKK (vgl. HR 13 mei 2005, nr. 37523, ECLI:NL:HR:2005:AT5475, BNB 2005/211). Niet van belang is dat technisch de mogelijkheid bestaat om de WKK te verplaatsen.

3.3.4.

Het Hof heeft in onderdeel 7.4 van zijn uitspraak overwogen dat de WKK blijkens de vaststaande feiten en de in geding gebrachte foto's, tekeningen en omschrijvingen daarvan zowel visueel als functioneel een geheel vormt met de overige onderdelen van het complex waarvan zij deel uitmaakt en waarin belanghebbende haar onderneming exploiteert. Kennelijk op grond van deze feitelijke en niet onbegrijpelijke vaststelling heeft het Hof in onderdeel 7.5 van zijn uitspraak geoordeeld dat de WKK naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en dat die bestemming naar buiten kenbaar is. Dat oordeel is aldus niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De daartegen gerichte motiveringsklachten falen derhalve.

3.3.5.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de WKK een onroerende zaak is als hetzij een zelfstandige onroerende zaak dan wel een bestanddeel van het gebouw waarin de WKK is geplaatst, een en ander in de zin van artikel 3:3 BW. Gelet op de verwijzing naar artikel 3:3 BW en de omstandigheid dat het Hof artikel 3:4 BW vervolgens buiten behandeling heeft gelaten, ligt in dit oordeel besloten dat de WKK duurzaam met de grond is verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met het gebouw waarin de WKK is geplaatst. Dat oordeel geeft in het licht van de in het Portacabinarrest neergelegde maatstaven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan overigens, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.3.6.

Gelet op het hiervoor onder 3.3.5 overwogene heeft het Hof de vraag of de WKK eveneens is aan te merken als een onroerende zaak in de zin van artikel 3:4 BW buiten behandeling mogen laten.

3.3.7.

Het middel faalt derhalve ook voor het overige.

4 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, R.J. Koopman, Th. Groeneveld en G. de Groot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2013.