Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ9941

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
12/01819
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ9941
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BV8018, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Grooming. 1. Verhouding art. 248e Sr en art. 23 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote). 2. Kwalificatieklacht. Ad 1. De klacht die kennelijk berust op de opvatting dat de rechter zou moeten en mogen toetsen in hoeverre art. 248e Sr overeenkomt met art. 23 van het Verdrag van Lanzarote kan niet tot cassatie leiden, nu dat uitgangspunt onjuist is omdat bedoeld verdragsvoorschrift zich tot de wetgever richt en niet tot de rechter. Opmerking verdient dat bedoeld verdragsartikel slechts minimumvoorschriften beoogd te geven. Ad 2. De klacht dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als “het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting” zoals bedoeld in art. 248e Sr faalt, nu ’s Hofs oordeel dat dit het geval is juist is.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 248e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/704
NJ 2013/296
NJB 2013/1403
VA 2014/8
JIN 2013/102 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2013-0216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 mei 2013

Strafkamer

nr. S 12/01819

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 maart 2012, nummer 20/002284-11, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over de kwalificatie van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is, voor zover in cassatie van belang, bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 mei 2010 te Almere en/of Eindhoven, door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst te weten Habbo en/of MSN met een persoon van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt te weten [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1997 een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen zoals vingeren en likken met [betrokkene 1] te plegen terwijl hij daarbij enige handeling heeft ondernomen gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, immers heeft hij, verdachte, met [betrokkene 1] concrete afspraken gemaakt om elkaar op 9 of 10 februari 2010 te ontmoeten en voor [betrokkene 1] een reisschema opgesteld en haar geïnstrueerd op welke wijze zij naar hem moest reizen."

2.2.2. Het Hof heeft dit feit onder aanhaling van art. 248e Sr gekwalificeerd als:

"door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, welk voorstel tot ontmoeting is gevolgd door enige handeling gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting".

2.2.3. Art. 248e Sr luidt:

"Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken, te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie."

2.3. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof aan art. 248e Sr een toepassing heeft gegeven die verdergaand is dan en daarom niet verenigbaar is met art. 23 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (het Verdrag van Lanzarote, Trb. 2008, 58) - welk artikel onder 5.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is weergegeven. Deze klacht berust kennelijk op het uitgangspunt dat de rechter zou moeten en mogen toetsen in hoeverre art. 248e Sr overeenkomt met bedoeld verdragsartikel. Dat uitgangspunt is echter onjuist omdat bedoeld verdragsvoorschrift zich tot de wetgever richt en niet tot de rechter. De klacht kan dus niet tot cassatie leiden. Opmerking verdient overigens dat bedoeld verdragsartikel slechts minimumvoorschriften beoogt aan te geven.

2.4. Het middel klaagt in de tweede plaats over het oordeel dat de bewezenverklaarde handeling ("dat de verdachte, met [betrokkene 1] concrete afspraken gemaakt om elkaar op 9 of 10 februari 2010 te ontmoeten en voor [betrokkene 1] een reisschema opgesteld en haar geïnstrueerd op welke wijze zij naar hem moest reizen") kan worden gekwalificeerd als "het ondernemen van enige handeling gericht op het verwezenlijken van een ontmoeting", zoals bedoeld in art. 248e Sr. Dat oordeel van het Hof waarbij het Hof kennelijk van één samenhangende handeling is uitgegaan is echter juist, zodat deze klacht faalt.

3. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en J. Wortel in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 14 mei 2013.