Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ7397

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2013
Datum publicatie
15-07-2013
Zaaknummer
12/03005
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7397, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad. Aansprakelijkheid van de Staat voor de gevolgen van strafvorderlijk optreden. Beoordelingsmaatstaf. Egalitébeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/880
RAV 2013/92
O&A 2013/101
AB 2013/392 met annotatie van F.J. van Ommeren
JWB 2013/391
NJ 2014/520 met annotatie van J.B.M. Vranken
PS-Updates.nl 2019-0500
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2013

Eerste Kamer

nr. 12/03005

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te ’s-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

  1. de vonnissen in de zaak 250360/HA ZA 05/2945 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 januari 2006 en 18 augustus 2010;

  2. het arrest in de zaak 200.078.143/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 maart 2012.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. K.J.O. Jansen, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De Staat heeft bij brief van 26 april 2013 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) [verweerder] exploiteerde in 1996 een hennepveld.
Op 30 augustus 1996 heeft de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen de eigenaar van dat perceel, genaamd [betrokkene].

(ii) Op 3 september 1996 is met verlof van de rechtbank een doorzoeking ter inbeslagneming verricht op dit perceel. Ter plaatse werd door de politie een schriftelijke verklaring aangetroffen waarin haar (kort gezegd) werd verzocht niet over te gaan tot ontmanteling van de hennepplantage omdat de op het perceel aanwezige hennepplanten waren bestemd voor de winning van zaad. Tijdens de doorzoeking zijn de aangetroffen hennepplanten in beslag genomen en, na onderzoek door een deskundige en monsterneming, in opdracht van de officier van justitie vernietigd.

(iii) [verweerder] en [betrokkene] zijn strafrechtelijk vervolgd. Aan [verweerder] werd ten laste gelegd primair medeplegen van overtreding van art. 3 Opiumwet en subsidiair dat hij (alleen dan wel samen met een ander of anderen) opzettelijk teeltmateriaal heeft voortgebracht, bewaard of verwerkt anders dan voor gebruik in eigen bedrijf zonder te zijn aangesloten bij de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (art. 87 Zaaizaad- en Plantgoedwet (oud)).

(iv) Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij (onherroepelijk geworden) arrest het primair ten laste gelegde bewezen verklaard, maar overwogen dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert omdat de hennep kennelijk was bestemd voor de winning van zaad en aldus onder de uitzonderingsbepaling van art. 3a Opiumwet viel. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft het hof [verweerder] vrijgesproken. Het hof achtte met name niet bewezen dat hij teeltmateriaal heeft voortgebracht, bewaard of verwerkt anders dan voor gebruik in eigen bedrijf.

3.2

[verweerder] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Daarnaast vordert hij vergoeding van schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aan deze vorderingen heeft hij ten grondslag gelegd, voor zover in cassatie van belang, dat de Staat onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door zonder voldoende rechtvaardigingsgrond inbreuk te maken op zijn eigendomsrecht van de hennepplanten, doordat de Staat deze in beslag heeft genomen en vernietigd. [verweerder] heeft daaraan toegevoegd dat hij ten tijde van de inbeslagneming niet als verdachte was aangemerkt en dat de later tegen hem gerezen verdenking achteraf beschouwd ten onrechte heeft bestaan.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat de doorzoeking, inbeslagneming en vernietiging niet hebben plaatsgevonden in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Voorts heeft zij geoordeeld dat niet uit de einduitspraak in de strafzaak dan wel op andere wijze uit het strafvorderlijk onderzoek de onschuld van de gewezen verdachte is gebleken.

3.3

Het hof heeft voor recht verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder] en heeft de Staat veroordeeld tot vergoeding van schade. Het heeft aan dit oordeel het volgende ten grondslag gelegd (rov. 3.5):

“De grief houdt ten slotte de klacht in dat de vernietiging van de hennepplanten een disproportionele maatregel was. Het hof begrijpt dit betoog aldus dat [verweerder] een beroep doet op schending van het égalité-beginsel, in die zin dat hij aanvoert dat de Staat jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door het toebrengen van onevenredige, - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers (hemzelf) drukkende – schade veroorzaakt door een op zich zelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige vernietiging. Dit beroep is gegrond. Nu inbeslagneming en vernietiging van de hennepplanten hebben plaatsgevonden in een tegen [betrokkene] geopend gerechtelijk vooronderzoek en op een moment dat niet blijkt dat ook [verweerder] verdacht werd van enig strafbaar feit, moet hij worden beschouwd als onschuldige derde (vgl. HR 21 maart 2003, NJ 2009, 232). Nu [verweerder] ten aanzien van de tegen hem ingestelde strafvervolging ontslagen is van alle rechtsvervolging respectievelijk is vrijgesproken, moet het hof er van uitgaan dat [verweerder] op legale wijze hennep teelde. Elke andere conclusie zou in strijd komen met de onschuldpresumptie van art. 6 EVRM. Het hof is dan ook van oordeel dat de vernietiging van de volledige hennepplantage van [verweerder] niet tot zijn normale bedrijfsrisico behoort, zeker niet nu [verweerder] bij de hennepplantage een mededeling heeft geplaatst waarop was vermeld met welk doel de hennepteelt plaatsvond, en dat deze onevenredige schade voor hem oplevert die niet in volle omvang voor zijn rekening dient te blijven. De vordering van [verweerder] is in zoverre toewijsbaar.”

3.4

Het eerste onderdeel van het middel stelt naar de kern genomen de vraag aan de orde of de Staat op grond van het égalitébeginsel aansprakelijk is voor de schade van degene die op het moment van het strafvorderlijk optreden nog geen verdachte in de zin van art. 27 Sv is, maar die nadien, met gebruikmaking van de bevindingen van dat strafvorderlijk optreden, als verdachte is aangemerkt. De Staat stelt zich op het standpunt dat [verweerder] in die omstandigheden niet mag worden beschouwd als een derde die op de voet van het égalitébeginsel onder de in de rechtspraak van de Hoge Raad vermelde voorwaarden aanspraak kan maken op schadevergoeding (zie HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003/615, Staat/[…]). Zijn positie moet op één lijn worden gesteld met die van een gewezen verdachte, op wie de maatstaven van HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, NJ 2007/432 (Begaclaim) van toepassing zijn.

3.5

De vraag of sprake is van een gewezen verdachte op wie de maatstaven van het hiervoor in 3.4 genoemde arrest HR 13 oktober 2006 (Begaclaim) van toepassing zijn, dient in beginsel te worden beantwoord naar de toestand ten tijde van de toepassing van het strafvorderlijk dwangmiddel. Dit lijdt evenwel uitzondering indien, zoals in het onderhavige geval, de verdenking eerst na de toepassing van het strafvorderlijk dwangmiddel is ontstaan, maar is gebaseerd op gedragingen die de gewezen verdachte voor de toepassing van het strafvorderlijk dwangmiddel heeft verricht en die aanleiding zijn geweest tot toepassing daarvan. In die situatie behoren de gevolgen van dat strafvorderlijk optreden immers tot het normale maatschappelijke risico van de gewezen verdachte (vgl. het arrest Begaclaim, rov. 3.6.5).
Het égalitébeginsel biedt in dat geval geen rechtvaardiging voor aansprakelijkheid van de Staat voor die gevolgen. Het hof heeft dit miskend. Het onderdeel treft derhalve doel.

3.6

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 maart 2012;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 899,82 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.