Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ7189

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
12/01213
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7189, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:BU6901, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; art. 2:248, 2:11 BW. Overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening. Onbelangrijk verzuim als bedoeld in art. 2:248 lid 2 BW? Beoordelingsmaatstaf; omstandigheden van het geval; aanvaardbare verklaring voor de te late publicatie? Dat belang bij openbaarmaking betrekkelijk is omdat vennootschap geen of weinig activiteiten verricht dan wel geen of weinig relaties heeft, geen grond om onbelangrijk verzuim aan te nemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Burgerlijk Wetboek Boek 2 394
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/938
V-N Vandaag 2013/1915
NJ 2013/401
RAV 2013/93
RI 2013/102
RN 2013/98
V-N 2013/48.23 met annotatie van Redactie
RO 2013/69
JONDR 2013/913
JWB 2013/398
JIN 2013/158 met annotatie van L. Krieckaert
JOR 2013/300 met annotatie van Mr. drs. W.J.M. van Andel
OR-Updates.nl 2013-0255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2013

Eerste Kamer

nr. 12/01213

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. B. Winters,

t e g e n

Mr. Bavo Mwamba KÖNIG, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Apeldoornse Asbestsanering B.V.,
gevestigd te Nijmegen,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. L. van den Eshof en mr. R.P.J.L. Tjittes.

Eisers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres 1] en [eiser 2], en gezamenlijk als [eisers], en verweerder in cassatie als de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

  1. de vonnissen in de zaak 80340/HA ZA 06-925 van de rechtbank Zutphen van 3 januari 2007, 4 juli 2007, 9 januari 2008, 15 oktober 2008 en 22 juli 2009;

  2. het arrest in de zaak 200.047.554 van het gerechtshof te Arnhem van 29 november 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eisers] mede door mr. L.J. Burgman, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Bij aanvullende conclusie is geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidentele beroep.

De advocaat van [eisers] en mr. Burgman voornoemd hebben bij brief van 19 april 2013 op de conclusie gereageerd. De advocaten van de curator hebben bij brief van 31 mei 2013 hetzelfde gedaan ten aanzien van de aanvullende conclusie.

3 Beoordeling van de middelen in het principale en incidentele beroep

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [eiser 2] is bestuurder van [eiseres 1], die op haar beurt bestuurder is geweest van Apeldoornse Asbestsanering B.V. (hierna: Apeldoornse Asbestsanering).

(ii) Apeldoornse Asbestsanering is in 2002 veroordeeld om aan W.I.V. B.V. (hierna: W.I.V.) een bedrag van € 92.775,37 te betalen. In 2004 is Apeldoornse Asbestsanering veroordeeld om aan Aannemersbedrijf De Combi Amsterdam B.V. (hierna: De Combi) een bedrag van € 21.787,27 te betalen. Apeldoornse Asbestsanering heeft aan geen van beide veroordelingen voldaan.

(iii) Op verzoek van De Combi is Apeldoornse Asbestsanering op 17 maart 2005 in staat van faillissement verklaard. W.I.V. en De Combi zijn de enige schuldeisers in het faillissement.

(iv) De jaarrekening van Apeldoornse Asbestsanering over 2003 had op grond van art. 2:394 lid 3 BW uiterlijk op 1 februari 2005 openbaar moeten zijn gemaakt door nederlegging ervan ten kantore van het handelsregister. Die openbaarmaking heeft echter pas op 28 februari 2005 plaatsgevonden.

3.2

De curator vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat [eiseres 1] en [eiser 2] wegens onbehoorlijke taakvervulling op grond van art. 2:248 en 2:11 BW aansprakelijk zijn jegens de boedel van Apeldoornse Asbestsanering voor het tekort in het faillissement, en een veroordeling van beiden tot vergoeding van dat tekort. Aan deze vordering heeft de curator de hiervoor vermelde te late openbaarmaking van de jaarrekening over 2003 ten grondslag gelegd.
De curator heeft in dit verband een beroep gedaan op art. 2:248 lid 2, eerste zin, BW, volgens welke bepaling de te late openbaarmaking van de jaarrekening betekent dat sprake is onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur, en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

3.3

De rechtbank heeft deze vordering afgewezen, omdat naar haar oordeel de te late openbaarmaking in dit geval een onbelangrijk verzuim is als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW, in verband waarmee geen onbehoorlijke taakvervulling kan worden aangenomen als bedoeld in de eerste zin van dat artikellid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de jaarrekening over 2003 op zichzelf tijdig was vastgesteld en dat [eisers] onweersproken hebben aangevoerd dat de te late publicatie een gevolg is geweest van het feit dat de jaarrekening voorheen altijd door de accountant werd gedeponeerd bij het handelsregister en dat dit met ingang van het boekjaar 2003 door de cliënt zelf diende te geschieden, wat [eiser 2] niet wist, alsmede het feit dat [eiser 2] door zijn dyslexie - die bij zijn toenmalige accountant niet bekend was - niet had onderkend de jaarrekening van de accountant op zijn huisadres te hebben ontvangen ter deponering bij het handelsregister en die jaarrekening vervolgens bij zijn verhuizing is beland in een verhuisdoos.

3.4

Het hof heeft de vordering alsnog toegewezen. Het heeft, overeenkomstig het betoog van de curator, geoordeeld dat de door de rechtbank in aanmerking genomen, door [eisers] aangevoerde omstandigheden voor rekening van [eiseres 1] komen en dat [eiseres 1] maatregelen had moeten treffen om de nakoming van haar openbaarmakingsverplichting te waarborgen, welke maatregelen zij - door blind te vertrouwen op haar accountant - onvoldoende genomen heeft. Volgens het hof is daarom geen sprake van een onbelangrijk verzuim (rov. 4.8).

Naar het hof voorts oordeelde, hebben [eisers] niet het vermoeden van art. 2:248 lid 2 ontzenuwd dat de met de te late openbaarmaking vaststaande onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van Apeldoornse Asbestsanering en dat [eiseres 1] en [eiser 2] daarom op grond van de eerste zin van het artikellid (en art. 2:11 BW) aansprakelijk zijn voor het tekort in het faillissement (rov. 4.9)

3.5.1

Onderdeel 1 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de overschrijding van de termijn voor openbaarmaking van de jaarrekening met 28 dagen op zichzelf geen onbelangrijk verzuim oplevert. Volgens het onderdeel is het hof in dit verband niet of onvoldoende ingegaan op een vijftal stellingen van [eisers], te weten, kort samengevat:

( i) De Combi en W.I.V. zijn de enige schuldeisers in het faillissement.

(ii) De Combi en W.I.V. hebben al in 2000 respectievelijk 2001 besloten zaken te doen met Apeldoornse Asbestsanering, zodat de jaarstukken met betrekking tot 2003 niet relevant konden zijn voor die keuze.

(iii) Apeldoornse Asbestsanering had in 2003 slechts twee handelscrediteuren, De Combi en W.I.V., die in 2003 al geen zaken meer deden met Apeldoornse Asbestsanering.

(iv) Apeldoornse Asbestsanering heeft in de loop van 2003 haar ondernemingsactiviteiten gestaakt.

( v) De crediteuren van Apeldoornse Asbestsanering hadden er ten tijde van het deponeren van de jaarrekening over 2003 geen belang bij dat die jaarrekening voor 1 februari 2005 gedeponeerd zou worden, terwijl dit slechts 28 dagen te laat is gebeurd.

3.5.2

De klachten van het onderdeel komen erop neer dat, indien het belang bij openbaarmaking van de jaarrekening betrekkelijk is omdat de vennootschap geen of weinig activiteiten verricht dan wel zij geen of weinig relaties heeft, dit van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of de niet-nakoming van de verplichting tot tijdige openbaarmaking een onbelangrijk verzuim oplevert als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW.

Deze opvatting is onjuist. Art. 2:248 lid 2 BW bepaalt dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht van art. 2:10 BW en aan de plicht van art. 2:394 BW tot het tijdig openbaar maken van de jaarrekening, onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur oplevert, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen - gelet op het gewicht dat aan de nakoming daarvan toekomt - erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult (Kamerstukken II, 16 631, 1980-1981, nr. 3, p. 4 en HR 20 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0329, NJ 1989/676, rov. 3.4). Ook indien het belang bij openbaarmaking in het gegeven geval betrekkelijk is om redenen als bedoeld in het onderdeel, wijst de niet-tijdige openbaarmaking van de jaarrekening op zichzelf op een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Die redenen kunnen derhalve geen grond zijn om een onbelangrijk verzuim aan te nemen als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW. Het onderdeel faalt daarom.

3.6.1

Onderdeel 2 bestrijdt het hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel van het hof dat geen sprake is van een onbelangrijk verzuim omdat de door [eisers] aangevoerde omstandigheden voor rekening van [eiseres 1] komen, en dat [eiseres 1] maatregelen had moeten treffen om de nakoming van haar openbaarmakingsverplichting te waarborgen. Het onderdeel voert daartoe onder meer aan dat ook omstandigheden die tot de risicosfeer van het bestuur behoren, grond kunnen opleveren om een onbelangrijk verzuim aan te nemen en dat niet valt in te zien waarom in dit geval geen sprake is van een onbelangrijk verzuim. Voorts voert het onderdeel aan, met een beroep op de totstandkomingsgeschiedenis van de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW, dat het in dit verband erom gaat of de overtuiging bestaat dat de ondernemer een bonafide instelling heeft en een redelijke verklaring kan geven voor het verzuim.

3.6.2

Bij de beoordeling van het onderdeel wordt het volgende vooropgesteld. Zoals hiervoor in 3.5.2 overwogen, bepaalt art. 2:248 lid 2 BW dat het niet voldoen aan de boekhoudplicht en de niet-tijdige openbaarmaking van de jaarrekening onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur opleveren, omdat het niet voldoen aan deze verplichtingen erop wijst dat het bestuur zijn taak ook voor het overige niet behoorlijk vervult. In dit licht is sprake van een onbelangrijk verzuim als bedoeld in de slotzin van art. 2:248 lid 2 BW indien het niet voldoen aan die verplichtingen in de omstandigheden van het desbetreffende geval niet erop wijst dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Dit is met name het geval indien voor het verzuim een aanvaardbare verklaring bestaat.

Dit strookt met de op de slotzin gegeven toelichting waarnaar het onderdeel verwijst, welke toelichting onder meer luidt: “In het algemeen kan men stellen, dat indien de overtuiging bestaat dat de ondernemer een bonafide instelling heeft en een redelijke verklaring kan geven voor het verzuim, de bepaling [van de slotzin] kan worden toegepast om de al te scherpe kantjes van het tweede lid van de artikelen 138 en 248 Boek 2 BW, zoals in het wetsontwerp voorgesteld, weg te nemen” (Kamerstukken II, 16 631, 1983-1984, nr. 9, p. 16).

Indien het, zoals hier, gaat om een overschrijding van de termijn van art. 2:394 lid 3 BW voor openbaarmaking van de jaarrekening, geldt voor het overige hetgeen is beslist in HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1981, NJ 1996/406 (rov. 3.2) en HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7916, NJ 2007/2 (rov. 4.3.2 laatste zin), namelijk dat het antwoord op de vraag of een overschrijding als een onbelangrijk verzuim kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de redenen die tot de termijnoverschrijding hebben geleid, waarbij opmerking verdient dat hogere eisen moeten worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is en dat stelplicht en bewijslast op de aangesproken bestuurder rusten.

3.6.3

Tegen de achtergrond van het in 3.6.2 overwogene is het onderdeel gegrond. Beslissend is of de door [eisers] aangevoerde omstandigheden - die niet door de curator zijn weersproken - een aanvaardbare verklaring opleveren voor de te late publicatie, op grond waarvan dat verzuim in dit geval niet valt aan te merken als een blijk van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur. Dat die omstandigheden tot de risicosfeer behoren van [eiseres 1], zoals het heeft geoordeeld, is daarbij als zodanig niet van belang.

De door [eisers] aangevoerde omstandigheden komen erop neer dat de te late openbaarmaking valt terug te voeren op een misverstand. Daarvan uitgaande valt niet zonder meer in te zien dat in aanmerking is te nemen dat [eiseres 1] maatregelen had moeten treffen om haar verplichting tot tijdige publicatie na te komen, zoals het hof heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat [eiseres 1] zodanige maatregelen vooraf had kunnen treffen, brengt nog niet mee dat geen sprake is van een aanvaardbare verklaring.

3.7

In verband met gegrondheid van onderdeel 2 behoeft onderdeel 3 - dat het oordeel van het hof in rov. 4.9 bestrijdt - geen behandeling.

3.8

Gelet op het hiervoor overwogene is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. De in het middel in dat beroep aangevoerde klachten kunnen echter niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 november 2011;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 2.575,35 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 juli 2013.