Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ7170

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
11/03723
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7170
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2011:BR1509, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Brandstichting. Levensgevaar voor een ander. Art. 157 Sr. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN BG1653. De gebezigde bewijsmiddelen, waaruit kan worden afgeleid dat brand is gesticht in een woning in een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen, op een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van 2 ondergelegen woningen inderdaad thuis waren, en verdachte door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde, kunnen ’s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/615

Uitspraak

16 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/03723

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 juli 2011, nummer 21/001777-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van feit 4 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst ten aanzien van het als feit 4 bewezenverklaarde de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat van de brandstichting levensgevaar voor personen te duchten is geweest.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 31 augustus 2008 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [a-straat 1]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (de inboedel van) die woning gedeeltelijk is verband, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) die woning, en levensgevaar voor meer personen aanwezig in naast/boven/onder gelegen woningen te duchten was."

3.2.2. Voor zover voor beoordeling van het middel van belang steunt deze bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

"(8) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van een technisch sporenonderzoek op 31 augustus 2008 in zake het overlijden van [slachtoffer], opgesteld op 5 november 2008 (als bijlage op pagina's 1912 tot en met 1915 van het proces-verbaal genummerd 08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Aanleiding onderzoek

Op 31 augustus (het hof begrijpt: 2008) omstreeks 05.58 uur werd telefonisch bij het Regionaal Meldcentrum te Apeldoorn melding gemaakt van een ontploffing in perceel de [a-straat 1] te Apeldoorn. De ruiten van genoemd perceel zouden eruit zijn gevlogen tengevolge van deze ontploffing. Ter plaatste gekomen brandweerpersoneel zag dat er in het perceel brand woedde. (...)

Onderzoek Plaats Delict

Er werd onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van brandversnellende middelen in de woning. In de woning werden meerdere indicaties aangetroffen voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen.

(...)

Op de vloer in de woonkamer en de slaapkamer waren sprenkelsporen van een brandversnellend middel zichtbaar. Op diverse plaatsen waren voorwerpen laag bij of op de vloer aangeschroeid.

(9) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, opgesteld op 26 november 2008 (als bijlage op pagina 1902 van het proces-verbaal, genummerd 08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

De woning van het slachtoffer betrof een flatwoning op de tweede woonlaag van een flat met vier woonlagen.

(10) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, opgesteld op 22 september 2008 (als bijlage op pagina 1954 van het proces-verbaal, genummerd PL0600/08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Op 31 augustus 2008 omstreeks 05.58 uur kwam er bij de meldkamer van regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland een melding van een brand in een woning, aan de [a-straat] te Apeldoorn.

Door personeel van de brandweer werden diverse brandhaarden aangetroffen

(11) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van technisch sporenonderzoek op 1 en 2 september 2008 ter zake van het overlijden van [slachtoffer], opgesteld op 3 november 2008 (als bijlage op pagina's 1935 en 1936 van het proces-verbaal, genummerd 08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten:

Samenvatting en bevindingen

Het brandbeeld in de woning kon passen bij een snelle verbranding van vluchtige stoffen.

Tijdens ons onderzoek was door ons meerdere malen de geur van benzine waargenomen. (...)

(12) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 878 van het proces-verbaal, genummerd PL 0620/08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] (afgelegd op 31 augustus 2008):

Vanmorgen, zondag 31 augustus 2008 omstreeks 05.00 uur, werd ik wakker (...). Ik bevond mij overigens in de slaapkamer in mijn woning aan de [a-straat 2] te Apeldoorn. (...) Daarna ben ik weer (...) in slaap gevallen.

Ik werd weer wakker van een geluid, het betrof een harde knal, gevolgd door glasgerinkel. Mijn vriendin was ook wakker geworden. Mijn vriendin was eerder aangekleed en zij is als eerste naar buiten gelopen naar de voorzijde van het appartementencomplex aan de [a-straat], waarin mijn woning, nummer [2], is gevestigd. Ik ben daarna naar buiten gelopen en zag dat er rook kwam uit een huis dat ook in hetzelfde appartementencomplex is gevestigd als dat van ons. Die rook kwam uit een woning, die op de eerste verdieping gevestigd is. Die woning zit, als je voor het pand staat, rechtsboven mijn woning. Ik zag ook vuur uit het raam komen en ik was bang dat het vuur zou overslaan op de coniferen, die bij mij in de tuin staan.

(13) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina 886 van het proces-verbaal, genummerd PL 0624/08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 2] (afgelegd op 31 augustus 2008):

Op 31 augustus 2008 ben ik getuige geweest van een brand en/of ontploffing.

Op 31 augustus 2008 omstreeks 02.30 uur bevond ik mij in het appartementencomplex gelegen op de [a-straat 3] te Apeldoorn Ik woon daar op de begane grond. Op het genoemde tijdstip bevond ik mij in de slaapkamer. Omstreeks 06.00 uur werd ik wakker, omdat ik een doffe knal hoorde met daarop glasgerinkel. Ik hoorde dit geluid uit een van de appartementen boven mij vandaan komen. Ik ben gaan kijken wat er aan de hand was. Ik liep naar de voorkant van mijn woning en zag vanuit mijn voortuin dat er rook uit het appartement op de eerste verdieping boven mij kwam.

(14) Het deskundigenrapport, onderzoek naar brandversnellende middelen naar aanleiding van een brand te Apeldoorn op 31 augustus 2008, opgemaakt door ing. L.J.C. Peschier, werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 16 september 2008 (als bijlage op pagina 2256 van het proces-verbaal, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Naar aanleiding van bovenvermelde brand heeft het NFI vier stukken van overtuiging ontvangen voor onderzoek naar de aanwezigheid van brandversnellende middelen. De conclusie van het rapport is dat hierin motorbenzine is aangetoond.

(15) Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (als bijlage op pagina's 710 tot en met 712 van het proces-verbaal, genummerd PL 0620/08-346223) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 3] (afgelegd op 2 september 2008):

Als brandwacht/medewerker repressieve dienst ben ik werkzaam bij de beroepsbrandweer Apeldoorn.

Op zondag 31 augustus 2008 had ik dienst. Zo tegen 06:00 uur ging mijn pieper, op het scherm van de pieper zag ik dat het ging om een woningbrand aan de [a-straat 1] te Apeldoorn.

Ik hoorde een sissend geluid dat uit de keuken kwam. In de keuken zag ik een gasfornuis en ik draaide hierop de gastoevoer dicht middels de hoofdkraan boven het gasfornuis. Ik zag dat er twee van de bedieningsknoppen van het gasfornuis in een andere stand stonden en dat deze kennelijk waren opengedraaid. Ik heb zelf niet aan de bedieningsknoppen van het gasfornuis gezeten."

3.3. In art. 157 Sr is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (vgl. HR 17 februari 2009, LJN BG1653, NJ 2009/120).

3.4. Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de brand is gesticht in een woning die deel uitmaakt van een complex van naast en boven elkaar gelegen woningen, de brand is gesticht op een tijdstip waarop, naar van algemene bekendheid is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende woningen thuis is, de bewoners van twee ondergelegen woningen inderdaad thuis waren, en de verdachte, alvorens de brandbare stoffen tot ontsteking te brengen, door het openen van kranen van een gasfornuis had bewerkstelligd dat in de woning gas uitstroomde, kunnen de bewijsmiddelen het oordeel van het Hof dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor andere personen voorzienbaar was.

3.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak, waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht jaren.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en zeven maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 april 2013.