Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ7150

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
11/03551 M
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7150
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Militaire zaak. 1. Ontvankelijkheid OM. 2. Art. 6 EVRM vanwege, onthouden mogelijkheid tegenonderzoek. Ad 1. De klacht dat niet is voldaan aan het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, tweede volzin, Sv stuit af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft a.b.i. art. 358.3 Sv. Daarvoor geldt het motiveringsvoorschrift van art. 359.2, eerste volzin, Sv. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN AM2533. ‘s Hofs oordeel dat het OM niet doelbewust tot vernietiging van bewijsmateriaal is overgegaan en dat geen sprake is van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR LJN AR7228. V.zv. het middel uitgaat van de opvatting dat de verdachte steeds recht heeft op een tegenonderzoek, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Het middel faalt ook v.zv. het ervan uitgaat dat verdachte i.c. ten onrechte de mogelijkheid van een tegenonderzoek is onthouden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de onmogelijkheid om op gelijke wijze als het OM onderzoeksresultaten in het geding te brengen i.c. niet aan een eerlijke procesvoering in de weg staat, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2013, afl. 3, p. 104
NJ 2013/248
RvdW 2013/608
NJB 2013/1215
JWR 2013/50 met annotatie van mr. W.H. Regterschot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/03551 M

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Militaire Kamer, van 1 juni 2011, nummer 21/001429-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Bewezenverklaring en bewijsoverweging

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 02 september 2008, te Burgervlotbrug, gemeente Zijpe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg N9, komende uit de richting Den Helder gaande richting Alkmaar zeer onvoorzichtig, in of ter hoogte van een voor hem verdachte flauwe bocht naar links, met een hogere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte, maximum toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, althans met een gezien de omstandigheden te hoge snelheid, heeft gereden en daarbij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte, in staat was de auto behoorlijk te (blijven) besturen nu het wegdek rijsporen bevatte die door (heftige) regenval vol water stonden en hij met achterbanden heeft gereden die niet voldeden aan de profieldiepte van 1,6 millimeter, als gesteld in artikel 5.2.27 vierde lid van het Voertuigreglement (linkerachterband 1,3 millimeter en rechterband 0,5 millimeter) waarbij hij, verdachte, in of ter hoogte van die bocht de controle over zijn, verdachtes, personenauto heeft verloren en met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto op de voor het tegemoetkomend rijverkeer bestemde rijbaan is terechtgekomen en daar in botsing is gekomen met een tweetal hem tegemoet rijdende auto's en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan de bestuurster van een van die hem tegemoet rijdende auto's ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht."

2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman heeft ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde (...) betoogd dat de schuld in de vorm van zeer onoplettend en onvoorzichtig handelen niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. (...) Daarnaast is de slijtage van de achterbanden van de auto van verdachte veroorzaakt door het ongeval en niet door het rijden.

Verdachte moet daarom worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

(...)

Ten aanzien van de slijtage van de banden overweegt het hof het volgende. Na het ongeval is onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is een proces-verbaal Verkeersongeval Analyse opgesteld. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de profielen van de achterbanden van de auto zijn opgemeten. Bij de linkerband is toen een profieldiepte van 1,3 millimeter gemeten. De rechterachterband had een profieldiepte van 0,5 millimeter. Beiden verbalisanten zijn tevens als getuige-deskundige ter zitting van het hof gehoord. Verbalisant [verbalisant 1] heeft toen verklaard dat, hoewel de banden voor de meting niet van de auto zijn afgehaald, de auto wel is opgekrikt waardoor de wielen wat zakken zodat de banden rondom konden worden gemeten. Voorts hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beiden verklaard dat de banden rondom egaal waren afgesleten. Zij hebben tevens verklaard dat de banden niet zijn afgesleten door het, al dan niet zijdelings, schuiven van de auto als gevolg van het ongeval. Van een onzorgvuldigheid ten aanzien van de metingen is het hof niet gebleken. De meetresultaten worden derhalve juist geacht.

Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat verdachte heeft gereden met een rechterachterband met een profieldiepte van 0,5 millimeter en een linkerachterband met een profieldiepte van 1,3 millimeter."

2.3. Ten slotte heeft het Hof het aan de verdachte gemaakte verwijt als volgt samengevat:

"Verdachte heeft (...) gereden met achterbanden die niet voldeden aan de wettelijke profieldiepte van 1,6 millimeter. Het had die dag geregend, het wegdek was nat en er was sprake van spoorvorming Verdachte reed harder dan de maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur en heeft zijn snelheid niet dusdanig geregeld dat hij in staat was zijn auto op een nat wegdek met spoorvorming behoorlijk te blijven besturen."

3. Beoordeling van het tweede en het derde middel

3.1. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het tweede middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

"De raadsman heeft primair betoogd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het 'fair trial-beginsel' van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR en in het bijzonder het beginsel van 'Equality of Arms', nu de auto en de banden niet zijn veilig gesteld. Nu nader onderzoek aan de auto in het belang van de verdediging door het openbaar ministerie feitelijk onmogelijk is gemaakt, kan er geen sprake meer zijn van een gelijkwaardige mogelijkheid om gegevens naar voren te brengen of het gepresenteerde bewijs van het openbaar ministerie te betwisten.

Het openbaar ministerie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Het hof acht het betreurenswaardig dat de auto en de banden niet meer voor onderzoek beschikbaar zijn, maar ziet geen enkele aanleiding te denken dat er sprake is van een doelbewuste handeling van het openbaar ministerie om het bewijsmateriaal te vernietigen. Er is geen sprake van doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. De raadsman heeft aangevoerd dat het, doordat de auto is vernietigd, onmogelijk is om de onschuld van verdachte aan te tonen. Echter het aantonen van de onschuld is niet de taak van de verdediging. Het openbaar ministerie moet de schuld aantonen. Als het openbaar ministerie dat niet kan, dan volgt een vrijspraak. Als een bewijsmiddel niet meer kan worden onderzocht en er twijfel rijst ten aanzien van dat bewijsmiddel dan is dat niet in het nadeel van de verdachte, maar in het nadeel van het openbaar ministerie.

Het hof verwerpt het verweer."

3.3. De klacht dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, stuit af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv. Dienaangaande geldt het motiveringsvoorschrift van de eerste volzin van eerstgenoemde bepaling (vgl. HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009/130, rov. 6.3).

3.4. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg komt slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.6.5).

3.5. Het Hof heeft uitgesloten dat het Openbaar Ministerie doelbewust tot vernietiging van bewijsmateriaal is overgegaan en dat sprake is van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte. Dat oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden getoetst. Het Hof heeft het gevoerde verweer verworpen op gronden die de verwerping kunnen dragen.

3.6. De middelen falen.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het beroep op schending van art. 6, eerste lid, EVRM doordat de verdachte de mogelijkheid is onthouden een tegenonderzoek naar de oorzaak van de slijtage van de achterbanden van de auto te doen verrichten, ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Vooropgesteld moet worden dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van de desbetreffende zaak (vgl. HR 8 februari 2005, LJN AR7228, NJ 2005/514, rov. 3.5).

4.3. Voor zover het middel uitgaat van de opvatting dat de verdachte steeds recht heeft op een tegenonderzoek, faalt het aangezien die opvatting geen steun vindt in het recht.

4.4. Doch ook voor zover in het middel ervan wordt uitgegaan dat de verdachte in dit geval ten onrechte de mogelijkheid van een tegenonderzoek is onthouden, is het tevergeefs voorgesteld. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de onmogelijkheid om op gelijke wijze als het Openbaar Ministerie onderzoeksresultaten in het geding te brengen, niet in de weg behoeft te staan - en in casu ook niet staat - aan een eerlijke procesvoering. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is - mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting - niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld de verkeersongevalsanalisten die het onderzoek hebben uitgevoerd, als getuige-deskundige te ondervragen en dat zij hun aan de hand van foto's van de banden om commentaar heeft gevraagd op haar stelling dat de achterbanden niet door normaal gebruik maar door het zijdelings schuiven tijdens het ongeval zijn afgesleten tot de in de bewezenverklaring vermelde profieldiepte.

4.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 april 2013.