Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ7143

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
11/01636
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ7143
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.2, tweede volzin, Sv. Niet-aanvaarding u.o.s. t.a.v. betrouwbaarheid verklaringen getuigen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2006/393. In ’s Hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat de getuigen de handelingen van verdachte waarover zij hebben verklaard hebben kunnen waarnemen. Aldus heeft het Hof ook t.a.v. het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdediging naar voren gebrachte u.o.s. de redenen opgegeven a.b.i. art. 359.2, tweede volzin, Sv. Tot een nadere motivering was het Hof, in aanmerking genomen dat bij niet-aanvaarding van een u.o.s. niet is vereist dat op ieder detail van de argumentatie wordt ingegaan, niet gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/651

Uitspraak

23 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/01636

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 25 maart 2011, nummer 24/001743-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof is afgeweken van het door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zonder daarvoor een toereikende motivering te geven, aangezien het Hof in zijn bewijsoverweging niet is ingegaan op een essentieel onderdeel van dat standpunt.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 27 oktober 2008 in de gemeente Lelystad opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, voornoemde [slachtoffer] uit een openstaand raam op de eerste verdieping van een pand gelegen aan de [a-straat 1] naar beneden gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.2.2. De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Bewijsoverwegingen" voorts het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft onder meer ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] inconsistent en onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Daarbij heeft de raadsman onder andere gewezen op de verschillen in door de getuigen bij diverse gelegenheden afgelegde verklaringen over de wijze waarop verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt en uit het raam zou hebben geduwd, alsmede op de tijdens het voorval (mogelijk) verminderde accuratesse van hun waarnemingen als gevolg van middelengebruik.

Naar het oordeel van het hof is de kern van alle verklaringen die de getuigen hebben afgelegd dat zij hebben gezien dat het slachtoffer door verdachte uit het raam is gegooid, waarbij het hof tevens gewicht toekent aan het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], alsmede aan hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard. Daaruit blijkt immers dat de getuigen kort na het incident ten overstaan van deze personen hebben verteld dat het slachtoffer door verdachte uit het raam zou zijn gegooid. In hun later afgelegde verklaringen hebben de getuigen deze essentie betreffende de gang van zaken rondom het incident steeds op geloofwaardige en betrouwbare wijze bevestigd. Het hof acht de verschillen tussen de verklaringen van de getuigen op het punt van de door de raadsman aangevoerde details, alsmede de omstandigheid dat de verklaringen van de getuigen door de tijd heen niet op alle onderdelen in hun geheel als consistent zijn te beschouwen, in deze niet doorslaggevend en is van oordeel dat de inhoud van deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, voor wat betreft de hiervoor bedoelde essentie geloofwaardig zijn. Dat [getuige 3] in het eerste telefonische contact met verbalisant [verbalisant 1] kort na het incident heeft gezegd dat er een ongeluk zou zijn gebeurd en dat [slachtoffer] uit het raam was gevallen van de woning aan de [a-straat 1] na een ruzie over het opruimen van braaksel, doet aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen niet af, dit des te minder nu [getuige 3] blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] letterlijk gezegd zou hebben: "Er is een ongeluk gedaan in de woning aan de [a-straat]" (bijlagen proces-verbaal p. 20).

Tenslotte wijst het hof er in dit verband op de verklaring van verdachte, dat hij met de kort voor de val van het slachtoffer uit het raam geuite woorden dat het slachtoffer eruit zou worden gegooid of gezet, bedoelde, dat hij ervoor kon zorgen dat het slachtoffer uit de woning gezet zou worden, niet aannemelijk te achten. In de getuigenverklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris, alsmede in de getuigenverklaring van [getuige 2] ter terechtzitting in eerste aanleg worden de uitlatingen van verdachte vlak voor de val van het slachtoffer immers rechtstreeks geplaatst in de context dat verdachte het slachtoffer uit het raam zou gooien, kennelijk als hij het braaksel niet op zou ruimen.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof de door en namens verdachte gegeven lezing van het noodlottige incident."

2.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in, voor zover thans van belang, hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal is weergegeven onder 3.2.

2.4. In het bijzonder klaagt het middel dat het Hof heeft verzuimd te motiveren waarom het afwijkt van het van het "uitdrukkelijk onderbouwde standpunt integraal deel uitmakende verweer dat het vrijwel niet mogelijk c.q. onmogelijk is dat de getuigen de waarnemingen waarover zij hebben verklaard hebben gedaan als wordt uitgegaan van de bij de reconstructie ingenomen posities en het beperkte zicht als gevolg van de geringe belichting". Hetgeen daaromtrent door de raadsman van de verdachte naar voren is gebracht, is in het middel weergegeven als volgt:

"De raadsman heeft ten aanzien van de getuige [getuige 1] naar voren gebracht dat niet alleen diens verklaringen inconsistent en onbetrouwbaar zijn en [getuige 1] onder invloed was, maar ook dat de belichting in de keuken beperkt was en het zicht van [getuige 1] vanuit zijn positie (onderaan dan wel halverwege) op de trap maakten dat hij het latere slachtoffer ([slachtoffer]) en rekwirant niet goed kon waarnemen. Expliciet is aangevoerd (p. 3) dat "blijkt dat de positie van de [slachtoffer]-acteur (op de dvd van de reconstructie, opm. JK) bij het raam niet goed te zien is en dat de armen van de [verdachte]-acteur niet goed te zien zijn. Dit beeld verslechterd (sic) nog als de camera zich verplaatst naar de positie waar [getuige 1] waarschijnlijk werkelijk heeft gestaan (zie eerdere verklaringen [getuige 1] en verklaringen [getuige 2] en [getuige 3]), namelijk voor of op de trap naar boven. [Getuige 2] stelt tijdens de reconstructie dat [getuige 1] op de eerste trede van de trap naar boven stond. Vanaf die positie is de val van [slachtoffer] en wat daaraan vooraf gaat niet te zien (dvd 45:22 e.v.). [Getuige 3] stelt dat [getuige 1] op derde trede trap naar boven staond (dvd 55.40). Vanaf die positie is de val van [slachtoffer] en wat daaraan vooraf gaat niet te zien (dvd 1:02:15 e.v. en 1:06:27 e.v.).

Dit geldt ook waar het de waarnemingen betreft die de getuige [getuige 2] zegt te hebben gedaan. Ten aanzien van die getuige en de positie van waaruit hij zijn waarnemingen zou hebben gedaan, voert de raadsman aan (p. 6 pleitnota) dat het in feite niet meer mogelijk is om nog vast te stellen waar [getuige 2] stond: 'Op 30 oktober verklaart [getuige 2]: Ik stond onderaan de trap van de tweede verdieping op de eerste verdieping en [getuige 1] stond schuin rechts achter me op de trap. [Getuige 3] stond bij zijn kamerdeur. Op de zitting van 17 april 2009 verklaart [getuige 2]: Ik was de trap op gelopen en stond toen stil. [Getuige 1] stond naast mij bij de trap. [Getuige 3] stond bij zijn eigen kamerdeur. Bij de reconstructie positioneert [getuige 2] zichzelf op exact dezelfde plek als [getuige 1] voor de spil van de trap.

Vanuit deze positie is te zien dat het donker is en dat de [verdachte]-acteur wel te zien is, maar zijn linkerarm niet en dat de [slachtoffer]-acteur slecht te zien is, nu de [verdachte]-acteur ervoor staat (dvd 46:08 e.v.). Het is in feite niet meer mogelijk om nog vast te stellen waar [getuige 2] stond. Hierboven is al vastgesteld dat voor of op de trap naar boven de gestelde actie bij het raam nauwelijks te zien was. Ook bij de spil van de trap was het zicht op de gestelde actie om meerdere redenen (licht, [verdachte] staat voor [slachtoffer]) matig.

Wat betreft de getuige [getuige 3] tot slot voert de raadsman aan dat de belichting in de keuken beperkt was en dat de waarnemingen over waar rekwirant [slachtoffer] zou hebben beetgepakt in de respectieve verklaringen verschillend zijn."

2.5. Ingevolge art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv dient een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door de rechter niet is aanvaard, in de uitspraak beargumenteerd te worden weerlegd. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393)

2.6. Het Hof heeft, in afwijking van hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] betrouwbaar geacht. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de kern van hun verklaringen is dat zij hebben gezien dat het slachtoffer door de verdachte uit het raam is gegooid en dat zij deze essentie betreffende de gang van zaken rondom het incident steeds op geloofwaardige en betrouwbare wijze hebben bevestigd. Daarin ligt als (gemotiveerd) oordeel van het Hof besloten dat genoemde personen de handelingen van de verdachte waarover zij hebben verklaard, hebben kunnen waarnemen. Aldus heeft het Hof ook ten aanzien van het in het middel bedoelde onderdeel van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt de redenen opgegeven, als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, die ertoe hebben geleid dat dit standpunt niet door het Hof is aanvaard. Mede gelet op hetgeen in 2.5 is overwogen behoefde het Hof niet nader in te gaan op hetgeen door de raadsman overigens met betrekking tot "het beperkte zicht" is aangevoerd.

2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vier jaren en elf maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 april 2013.