Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ6506

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/02025
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6506
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Het meewegen in de strafmotivering van het feit dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling is i.c. onbegrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2013/195
RvdW 2013/571

Uitspraak

9 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/02025

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 19 april 2011, nummer 21/003416-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Ben Tarraf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de strafoplegging.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 20 september 2007 te Utrecht met anderen, op of aan de openbare weg, de Stationstraverse, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meerdere malen schoppen/trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] en het op de grond gooien van [slachtoffer]."

2.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als (naar de Hoge Raad begrijpt:) "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en de verdachte te dier zake veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 400,-, subsidiair 8 dagen hechtenis. Het Hof heeft die strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte maakte deel uit van een groepje vriendinnen, dat openlijk geweld heeft gepleegd door [slachtoffer] aan te vallen en te slaan en te schoppen. Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling door het uit de gestolen tas van [slachtoffer] weggenomen paspoort bij zich te steken en mee te nemen zonder dat terug te geven. Het gaat om twee ergerlijke en niet te accepteren feiten waarvan het eerste veruit het zwaarste weegt.

Bij de straftoemeting is voorts gelet op een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk delict.

Met het oog op het tijdsverloop van de totale procedure (waarbij de redelijke termijn niet is overschreden) zal het hof de strafsoort aanhouden, die door de politierechter is opgelegd. Het hof is echter van oordeel dat - gelet op de ernst van het feit en in weerwil van dat tijdsverloop - (toch) een verdubbeling van de door de politierechter opgelegde geldboete passend en geboden is."

2.4. Blijkens deze overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging alsmede aan opzetheling, volgens het Hof "twee ergerlijke en niet te accepteren feiten". Dit oordeel is op grond van het navolgende niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Indien het Hof is uitgegaan van de opvatting dat in het kader van de strafoplegging steeds ten bezware van de verdachte acht mag worden geslagen op een ad informandum gevoegd - dus niet tenlastegelegd - feit, heeft het miskend dat zulks in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte ter terechtzitting van het Hof is verschenen, slechts is geoorloofd indien de verdachte dat feit aldaar heeft erkend, hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep te dezen niet het geval is.

Indien het Hof de opzetheling heeft vermeld als een nadere uitwerking van de in aanmerking genomen omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging is begaan, is die redengeving zonder nadere - doch ontbrekende - motivering onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet het kennelijk door het Hof bedoelde verband tussen dat - door de verdachte niet erkende - feit en het bewezenverklaarde misdrijf kan worden afgeleid (vgl. HR 27 november 2001, LJN AD4286).

Indien het Hof de opzetheling heeft vermeld als een nadere uitwerking van "de persoonlijke omstandigheden van de verdachte", is de redengeving - zonder nadere, doch ontbrekende motivering - eveneens onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verdachte voor dat feit niet onherroepelijk is veroordeeld.

2.5. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 april 2013.