Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ6503

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
11/00769
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ6503
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opgave bewijsmiddelen. Art. 359.3 Sv. Verdachte heeft ttz. van 6 april 2010 verklaard dat het appel is gericht tegen de ontvankelijkheid van het OM en de in e.a. opgelegde gevangenisstraf. Op die zitting heeft hij geen verklaring afgelegd m.b.t. het onder 3 tlgd. feit. Verdachte is niet ttz. van 11 januari 2012 verschenen. De raadsvrouw van verdachte heeft ttz. in h.b. geen vrijspraak bepleit. In zo een geval kan het Hof op de voet van art. 359.3 Sv met een opgave van de bewijsmiddelen volstaan, indien verdachte ttz. in e.a. het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. ’s Hofs oordeel dat verdachte met de verklaring over “die partij wiet” het onder 3 tlgd. feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de raadsman in e.a. op de grond “cliënt weet niet om hoeveel hennep het ging en of het wel hennep was” vrijspraak heeft bepleit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2013-0174
NJ 2013/227
RvdW 2013/566

Uitspraak

9 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/00769

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 januari 2011, nummer 22/002879-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, althans dat het oordeel van het Hof dat met een zodanige opgave kan worden volstaan, zonder nadere redengeving, die ontbreekt, onbegrijpelijk is gelet op de omstandigheid dat de raadsman in eerste aanleg erop heeft gewezen dat de verdachte niet heeft verklaard dat het gaat om ongeveer 20 kilogram hennep, zoals is bewezenverklaard.

2.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op 10 september 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 20 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt in:

"Daar de verdachte het hem onder 3 tenlastegelegde feit heeft bekend, daarna niet anders heeft verklaard en door of namens de verdachte in hoger beroep geen vrijspraak is bepleit, zal het hof volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2009.

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 november 2008 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008374474-57, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 29 e.v.).

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 september 2008 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008304 604-36, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 6 e.v.).

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 29 september 2008 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 200804 604-98, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 11 e.v.).

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 1] d.d. 16 december 2008 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008374474-105, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 52 e.v.).

6. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 20 september 2008 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2008304604-54, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (pagina 13 e.v.)."

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 2 maart 2009 houdt het volgende in:

"De verdachte verklaart:

(...)

U houdt mij voor feit 3.

Ik heb monsters van die partij in handen gehad. Die partij had [betrokkene 2] in zijn woning aan de [a-straat] in bewaring. Ik weet niet voor wie. Hij zou die partij moeten verkopen. Op 10 september 2008 was ik bij [betrokkene 2] in zijn woning. Ik was toen alleen.

Het klopt dat de partij wiet in sporttassen zat. Het was de bedoeling dat ik [betrokkene 2] zou helpen, wij zouden de partij samen verkopen.

De partij wiet die daar lag, was beschimmeld. De monsters waren niet beschimmeld.

(...)

Het klopt dus dat ik mij heb bezig gehouden met de verkoop van die partij wiet die in de woning van [betrokkene 2]. Ik zou 100 euro per verkochte kilo krijgen. De opbrengst van wiet hangt af van soort en kwaliteit. Normaal kan je rond de 3000 euro per kilogram krijgen.

Beschimmelde wiet levert misschien 1000 euro per kilogram op.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging. Hij voert het volgende aan:

(...)

Ten aanzien van het derde feit:

Mogelijk is er een partij van iets geweest. Mij is echter niet duidelijk van welke substantie. Bevatte de partij wel THC? De officier van justitie moet komen met een ketting van bewijs zodat duidelijk is waar de gecontroleerde hennep vandaan komt. Cliënt spreekt over twee zwarte tassen of zakken met hennep. In de stukken wordt slechts gesproken over een tas. Cliënt weet niet om hoeveel hennep het ging en of het wel hennep was. De partij was in ieder geval niet te verkopen. Ik bepleit vrijspraak."

2.4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2010 houdt het volgende in:

"De verdachte geeft op dat het appel gericht is tegen de formele vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tegen de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf."

2.4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2011 houdt in:

"De verdachte (...) is niet ter terechtzitting verschenen.

(...)

De raadsvrouw voert het woord tot verdediging en deelt mede dat zij enkel een strafmaatverweer zal voeren en geen vrijspraak bepleit, aangezien de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2010 heeft verklaard dat het appel alleen gericht is tegen de formele vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tegen de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf."

2.5. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2010 blijkt dat de verdachte toen hij in de gelegenheid werd gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven, heeft verklaard dat het appel is gericht tegen de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf. De verdachte heeft op die terechtzitting geen verklaring afgelegd met betrekking tot het hem onder 3 tenlastegelegde feit en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 januari 2011 is de verdachte toen niet verschenen. Uit het proces-verbaal van die terechtzitting blijkt voorts dat de raadsvrouwe van de verdachte in hoger beroep geen vrijspraak heeft bepleit. In zo een geval kan het Hof op de voet van art. 359, derde lid, Sv met een opgave van de bewijsmiddelen volstaan, indien de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

2.6. Het oordeel van het Hof dat de verdachte met de hiervoor in 2.3 weergegeven verklaring over "die partij wiet" het onder 3 tenlastegelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de raadsman in eerste aanleg op de grond "cliënt weet niet om hoeveel hennep het ging en of het wel hennep was" vrijspraak heeft bepleit.

2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes maanden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze vijf maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 april 2012.