Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ5956

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
11/01857
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5956
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. Opgave bewijsmiddelen. ’s Hofs oordeel dat verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend - ook wat betreft het meermalen tegen het gezicht ‘stompen’ van X - geeft gelet op de door verdachte onder 1 tot het bewijs gebezigde in e.a. afgelegde verklaring, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Bij de uitleg van die verklaring heeft het Hof zijn eigen waarneming ttz. kunnen betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/546
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 april 2013

Strafkamer

nr. S 11/01857

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 maart 2011, nummer 23/002916-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, Sv en heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet heeft bekend [slachtoffer] meermalen in het gezicht te hebben "gestompt".

2.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 20 maart 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden."

2.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op 20 maart 2008 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden."

2.2.3. Uit de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv blijkt dat het Hof toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, Sv. Deze aanvulling houdt in:

"De bewijsmiddelen

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 5 juni 2009, weergegeven onder A in het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal.

2. Een proces-verbaal van 20 maart 2008 met het nummer 2008080033-1 (doorgenummerde pagina 005 e.v.), in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].

Dit proces-verbaal houdt in de aangifte en verklaring op voormelde datum van [slachtoffer] tegen de verdachte."

2.2.4. De door het Hof onder 1 tot het bewijs gebezigde ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte houdt blijkens het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal in:

"A. Om aangever af te schrikken heb ik vier snelle karatebewegingen achter elkaar uitgevoerd. Als je vier tikken krijgt, schrikt dat wel af.

Ik denk dat ik vier keer aan zijn rechterkant heb geslagen, op dezelfde plek."

2.2.5. Voorts heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep aldaar verklaard:

"Toen heb ik hem viermaal tegen de zijkanten van zijn gezicht geslagen. Ik beoefen Kung Fu; deze slagen zijn snel en onverwacht om iemand te verassen. Ik sloeg hem omdat ik hem onberekenend vond.

Het hof neemt waar dat de verdachte demonstreert dat hij een viertal slaande bewegingen maakt met zijn beide, half gesloten handen."

2.3. De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv, is mede afhankelijk van de - in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid te toetsen - uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring.

2.4. Het oordeel van het Hof dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend - ook wat betreft het meermalen tegen het gezicht 'stompen' van [slachtoffer] - geeft gelet op de door de verdachte onder 1 tot het bewijs gebezigde in eerste aanleg afgelegde verklaring, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Bij de uitleg van de door de verdachte afgelegde verklaring als inhoudende dat deze de aangever heeft gestompt, heeft het Hof kunnen betrekken dat blijkens zijn eigen waarneming ter terechtzitting de verdachte onder "karatebewegingen" bewegingen "met zijn beide, half gesloten handen" verstaat.

2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 2 april 2013.