Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ5721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
12/03027
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ5721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Onrechtmatige daad. Beroepsaansprakelijkheid notaris. Zwaarwegende zorgplicht. Onzorgvuldig onderzoek naar rechtstoestand registergoed in openbare registers. Art. 3:16 BWNA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/1560
RvdW 2013/793
NJ 2013/340
JWB 2013/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juni 2013

Eerste Kamer

12/03027

RM/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende in [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

N.V. DE SPAAR EN BELEENBANK VAN CURAÇAO,

gevestigd in Curaçao,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en mr. M.S. van der Keur.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en SBC.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak AR 1065 van 2005 van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, Curaçao, van 26 februari 2007, 6 augustus 2007, 20 oktober 2008 en 25 mei 2009;

b. de vonnissen in de zaak H-318/09 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 april 2010, 1 februari 2011, 7 juni 2011, 4 oktober 2011 en 20 maart 2012.

Het vonnis van het hof van 20 maart 2012 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld vonnis van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

SBC heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor [eiser] namens zijn advocaat toegelicht door mr. A. van Staden ten Brink, advocaat bij de Hoge Raad, en voor SBC door haar advocaat De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 5 april 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij notariële akte van 26 januari 1996 heeft [betrokkene 1] het halve aandeel gekregen in twee percelen grond, omschreven in de meetbrieven 291/1971 en 733/1971 (hierna respectievelijk perceel 291 en perceel 733).

(ii) Bij notariële akte van 28 mei 1996 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een recht van eerste hypotheek op deze percelen verleend aan MCB tot een bedrag van Naf. 140.000,--.

(iii) Perceel 291 is bij notariële akte van 3 augustus 2001 in eigendom overgedragen aan derden. Op 8 januari 2002 is de hypotheek ten behoeve van MCB op dat perceel doorgehaald.

(iv) Perceel 733 is bij notariële akte van 14 februari 2003 in eigendom overgedragen aan derden. In verband met de financiering door die derden heeft SBC een recht van eerste hypotheek bedongen op het perceel. Bij notariële akte van 14 april 2003 is een recht van hypotheek ten behoeve van SBC op het perceel gevestigd.

(v) De notariële akten van 14 februari 2003 en 14 april 2003 zijn verleden ten overstaan van [eiser] als notaris. Bij de afwikkeling van de overdracht is de nog op perceel 733 rustende hypotheek ten behoeve van MCB genegeerd. De vordering van MCB is daardoor niet uit de opbrengst van de verkoop voldaan, zodat die hypotheek op het perceel is blijven rusten. SBC heeft daardoor geen recht van eerste hypotheek gekregen, maar een recht van tweede hypotheek.

(vi) Op 15 januari 2003 had een medewerker van [eiser] met het oog op de vestiging van de hypotheek van SBC op perceel 733 de eerste inzage gedaan bij het Kadaster. Daartoe heeft die medewerker een inzageformulier ingevuld. Hij heeft daarvoor het E-register geraadpleegd. Hij heeft op het inzageformulier niet ingevuld dat er reeds een hypotheek van MCB rustte op het perceel. In het E-register was in de rubriek "Aanmerkingen" aangetekend dat de hypotheek was doorgehaald.

(vii) Het Kadaster heeft op 14 april 2003 de her-inzage en op 15 april 2003 de na-inzage gedaan. Daarbij heeft het Kadaster [eiser] aan de hand van het door diens medewerker ingevulde inzageformulier op basis van het A-register meegedeeld dat tussen het moment van inzage door de notaris en de her- en na-inzage door het Kadaster, zich geen wijzigingen in de rechtstoestand van perceel 733 hebben voorgedaan.

(viii) Ten tijde van de inzagen stond de aantekening "doorgehaald" vermeld in het E-register in de rubriek "Aanmerkingen" en niet in de rubriek "Aantekeningen en Doorhaling"; de aantekening is door het Kadaster weggeradeerd in november 2003. De hypotheek van MCB stond ten tijde van de inzagen wel vermeld in het B-register.

3.2 Voor zover in cassatie van belang vordert SBC in dit geding een verklaring voor recht dat [eiser] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, alsmede veroordeling van [eiser] tot vergoeding van de door SBC geleden schade als gevolg van het verkrijgen van een tweede in plaats van een eerste hypotheek op perceel 733. Het gerecht in eerste aanleg heeft de vordering toegewezen.

3.3 Het hof heeft bij tussenvonnis een deskundige benoemd en bij eindvonnis het vonnis van het gerecht bevestigd. Daartoe heeft het onder meer geoordeeld:

"2.4 De deskundige heeft op de vraag of de notaris er bij de eerste inzage mee had mogen volstaan het E-register te raadplegen of ook de onderliggende registers had dienen te raadplegen, waaronder het B-register, geantwoord dat bij de eerste inzage de notaris zowel het E-register als het C-register (in verband met eventuele persoonlijke verplichtingen e.d.) had moeten raadplegen en dat door de aantekening in het E-register dat de hypotheek op het registergoed was doorgehaald er geen aanleiding bestond voor de notaris om ook het B-register te raadplegen.

2.5 Het Hof volgt de deskundige niet in deze conclusie. In het kader van de rechercheplicht bij de levering van registergoederen dient een notaris onderzoek te doen naar de rechtstoestand van het registergoed in de openbare registers bedoeld in artikel 3:16 BW. Op grond van het hier toepasselijke Koninklijk Besluit Bepalingen tot regeling van het ambt der hypotheekbewaarders en van hunne boekhouding in de kolonie Curaçao (P.B. 1868, no. 17) zijn dit de in artikel 13 daarvan vermelde registers A tot en met F. Gelet op de hoge mate van zorgvuldigheid die van een notaris mag worden verwacht (zie HR 9 maart 1990, NJ 1990, 428; Knobo/Schellenbach), had de notaris naar het oordeel van het Hof bij de eerste inzage (al) deze registers dienen te raadplegen. Hij had er dus niet mee mogen volstaan het E-register, het repertorium, te raadplegen.

2.6 Bovendien moest de notaris er rekening mee houden dat het E-register gebrekkig was. Uit de stukken komt naar voren dat onder notarissen in de hier relevante periode algemeen bekend was dat er een achterstand in het door het Kadaster gehouden E-register bestond. Dit was reden te meer voor de notaris om ook onderzoek te doen in het B-register, het register van inschrijvingen.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat de notaris, door er bij de eerste inzage mee te volstaan het E-register te raadplegen, onrechtmatig jegens SBC heeft gehandeld.

2.8 Daarbij acht het Hof het vereiste causaal verband tussen de handelwijze van de notaris en de schade aanwezig. De hypotheek van MCB stond ten tijde van de eerste inzage wel vermeld in het B-register. Uit nader onderzoek had de notaris kunnen en moeten blijken dat, zoals tussen partijen niet in geschil is, reeds een hypotheek van MCB rustte op het perceel."

3.4.1 Het middel richt diverse klachten tegen rov. 2.5. Bij de beoordeling van die klachten wordt het volgende vooropgesteld. Op de notaris rust in zijn hoedanigheid, uit hoofde van zijn taak bij het verlijden van een akte, een zwaarwegende zorgplicht ter zake van hetgeen nodig is voor het intreden van de rechtsgevolgen die zijn beoogd met de in die akte opgenomen rechtshandelingen (HR 28 september 1990, LJN AC0095, NJ 1991/473 en HR 20 december 2002, LJN AF0198, NJ 2003/325). Deze zorgplicht geldt ook voor de notaris op Curaçao. Dit brengt mee dat, zoals ook het hof heeft overwogen, van de notaris bij een recherche als de onderhavige een hoge mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht.

3.4.2 Uitgaande van hetgeen hiervoor in 3.4.1 is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het hof dat de van een notaris te verwachten zorgvuldigheid tegen de achtergrond van art. 3:16 BWNA en het toepasselijke Besluit P.B. 1868, no. 17 in het onderhavige geval eiste dat het onderzoek zich ook uitstrekte tot (verificatie in) het B-register, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht. Niet kan worden gezegd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is, ook niet indien daarbij wordt betrokken dat het daarin is afgeweken van de opvatting van de door hem benoemde deskundige.

Het hof behoefde zich niet van zijn oordeel te laten weerhouden door een in 2003 bestaand gebruik onder de notarissen op Curaçao waarop het middel zich beroept, inhoudende dat in een geval als het onderhavige bij de eerste inzage werd volstaan met raadpleging van het E-register. Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat - anders dan onderdeel 4.2 betoogt - een notaris op Curaçao niet ervan mag uitgaan dat het Kadaster, na de in het middel bedoelde "eerste inzage", bij de her-inzage en de na-inzage het B-register raadpleegt. Waar de notaris aldus een zeker risico neemt met betrekking tot de juistheid van de verkregen gegevens, heeft dit niet tot gevolg dat de gevolgde gedragslijn geacht moet worden overeen te stemmen met de hoge mate van zorgvuldigheid die een notaris in deze dient te betrachten (vgl. HR 22 maart 1996, LJN AD2514, NJ 1996/668).

3.4.3 Op het bovenstaande stuiten alle klachten tegen rov. 2.5 af.

3.5 Aangezien rov. 2.5 het in rov. 2.7 gegeven oordeel van het hof zelfstandig draagt, behoeven de klachten tegen rov. 2.6 geen behandeling. De overige klachten zijn voortbouwende klachten die evenmin afzonderlijke behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SBC begroot op € 799,34 aan verschotten en op € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 14 juni 2013.