Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ4491

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2013
Datum publicatie
19-03-2013
Zaaknummer
12/00992
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ4491
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overval op juwelier. Causaal verband tussen het door de verdachte en/of zijn mededader(s) verrichte gedragingen en het overlijden van de juwelier. HR herhaalt HR LJN BT6362 m.b.t het redelijkerwijs toerekenen. Het oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het Hof dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de bewezenverklaarde gedraging van de verdachte kan worden toegerekend, is ook toereikend gemotiveerd. In de overwegingen van het Hof ligt immers niet alleen besloten dat die gedraging een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, maar ook dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Die vaststellingen zijn ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de gedraging van verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat zij heeft geleid tot het intreden van het gevolg, terwijl het “lichte hartinfarct” - voor zover het optreden hiervan al niet het gevolg zou zijn van de bewezenverklaarde gedraging - als niet meer dan een “niet uit te sluiten” oorzaak is beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2013/194
RvdW 2013/455
NJB 2013/812
NBSTRAF 2013/181
SR-Updates.nl 2013-0124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 maart 2013

Strafkamer

nr. S 12/00992

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2012, nummer 23/000631-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat de verdachte is overleden aan de gevolgen van de gepleegde diefstal met geweld en afpersing, althans dat het Hof deze bewezenverklaring onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

2.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op 23 maart 2009 te Amsterdam gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [a-straat 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sieraad toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat sieraad onder hun bereik hebben gebracht door

- het forceren van een balkondeur met behulp van gereedschap en

- het stukmaken van het cilinderslot van die balkondeur,

en welke diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

- [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt en

- [slachtoffer 1] met een schroevendraaier, heeft/hebben geslagen en/of geprikt

aan de gevolgen waarvan [slachtoffer 1] is overleden en

- tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd:

* "Ik wil de diamanten, ik wil ook je geld, je sieraden, ik wil alles" en

- tegen [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd:

* "Ga het bed in en bedek jezelf, anders schiet ik je dood" en

* "Hou het deken voor je gezicht, anders schiet ik jou dood" en

* "Hou je mond, anders schiet ik jou dood" en

* "Als je teveel lawaai maakt, schiet ik jou dood", en

- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond aan [slachtoffer 2] en

- een riem om de benen van [slachtoffer 2] heeft/hebben gedaan en de benen van [slachtoffer 2] aan elkaar heeft/hebben vastgebonden,

en

hij op 23 maart 2009 te Amsterdam, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning gelegen aan [a-straat 1], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van sieraden en geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die sieraden en het geld onder hun bereik hebben gebracht door

- het forceren van een balkondeur met behulp van gereedschap en

- het stukmaken van het cilinderslot van die balkondeur,

en welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- [slachtoffer 1] heeft/hebben geschopt

- [slachtoffer 1] met een schroevendraaier, heeft/hebben geslagen en/of geprikt

aan de gevolgen waarvan [slachtoffer 1] is overleden en

- tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd:

* "Ik wil de diamanten, ik wil ook je geld, je sieraden, ik wil alles" en

- tegen [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd:

* "Ga het bed in en bedek jezelf, anders schiet ik je dood" en

* "Hou het deken voor je gezicht, anders schiet ik jou dood" en

* "Hou je mond, anders schiet ik jou dood" en

* "Als je teveel lawaai maakt, schiet ik jou dood", en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond aan [slachtoffer 2] en

- een riem om de benen van [slachtoffer 2] heeft/hebben gedaan en de benen van [slachtoffer 2] aan elkaar heeft/hebben vastgebonden."

2.3. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot het causaal verband tussen de door de verdachte en/of zijn mededader(s) verrichte gedragingen en het overlijden van [slachtoffer 1] in:

"Het pathologisch onderzoek van arts-patholoog F.R.W. van de Goot (het sectierapport op bladzijde 563 van het dossier) geeft aan dat bij de sectie twee aspecten bleken die ieder op zich en zeker in combinatie het intreden van de dood zouden kunnen verklaren. Ten eerste bleek bij onderzoek van het hart dat tijdens het doormaken van de geweldsinwerkingen er reeds sprake was van acuut opgetreden hartspierweefselversterf (een klein hartinfarct met een geschatte ouderdom die eerder 2 tot 3 uren oud dan bijvoorbeeld 6 uren of ouder was) en waren er aanwijzingen voor acute hartspierontsteking op basis van heftige lichamelijke stress; een dergelijk beeld kan optreden bij beschadiging van het centrale zenuwstelsel. Hartspierweefselversterf (een infarct) kan op basis van ritmestoornissen voor acuut overlijden zorgen, echter dit hoeft beslist niet het geval te zijn. Het komt immers frequent voor dat mensen een klein hartinfarct doormaken zonder dat ze dit überhaupt merken, of, indien ze het wel merken, zonder dat dit voor acuut overlijden zorgt. Ten tweede is bij de sectie gebleken dat er sprake is van een bloeduitstorting in de nekspieren met kneuzingen en is er bloed geconstateerd in de ruggenmergzak en onder de zachte hersenvliezen. Dit letsel is ontstaan door de inwerking van mechanisch geweld. Beschadiging van het ruggenmerg kan tot een levensbedreigende situatie en op basis van acute disregulatie van de lichaamsfuncties (spinale shock) tot het intreden van de dood leiden. Uit het feit dat er verschillende letsels met opkomende wondgenezing aanwezig waren leidt de patholoog af dat tijdens het ondergaan van de geweldsinwerking bloedcirculatie (hartslag) aanwezig was. Alleen het letsel in de nek toonde vrijwel geen reactie. Dit laatste beeld wijst erop dat kort na het oplopen van dat letsel de hartslag staakte. Het optreden van acute hartstilstand bij beschadiging van het nekruggenmerg is een bekend fenomeen waarbij ontsteking van het hartspierweefsel op basis van een verwikkeling van heftige lichamelijke stress zoals op kan treden bij beschadiging van het centrale zenuwstelsel, een rol van betekenis kan hebben gespeeld bij het lethaal verlopen van de aanwezige hartafwijking. Aangaande de doodsoorzaak heeft de patholoog geconcludeerd dat [slachtoffer 1] op grond van een natuurlijk proces een voorbelast hart had. Ofschoon niet uit te sluiten is dat dit proces an sich reeds het intreden van de dood heeft veroorzaakt, is het daarnaast zeker dat de kans op het lethaal verlopen van dit ziekelijk proces beduidend vergroot kan zijn door acute ontsteking van de hartspier gecombineerd met een kans op acute hartstilstand door ruggenmergschade.

Uit de deskundigenverklaringen van de arts-patholoog Van de Goot en de deskundige prof. dr. J.W.M. Niessen bij de rechter-commissaris op 18 november 2009 en bij de raadsheer-commissaris op 15 maart 2011 valt eveneens af te leiden dat zowel het hartinfarct als de beschadiging van het ruggenmerg op zich tot de dood zouden hebben kunnen leiden. Niet kan worden vastgesteld wat precies de doodsoorzaak is geweest.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat in voldoende mate is komen vast te staan dat het letsel in de nekregio het gevolg is van het uitgeoefende fysieke geweld. De deskundige Van de Goot heeft in zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris op 15 maart 2011 verklaard dat een val minder waarschijnlijk is, omdat de hoofdhuid geen beschadigingen vertoont. Aangeefster [slachtoffer 2] heeft ook geen val opgemerkt. Nu deze door de verdediging geopperde mogelijkheid ook niet verder is onderbouwd en het dossier ook verder geen aanknopingspunten voor deze lezing biedt, gaat het hof hieraan voorbij.

Naar het oordeel van het hof dient de beantwoording van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen de verweten gedragingen en de dood van het slachtoffer te geschieden aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening. Zodoende dient thans de vraag te worden beantwoord of de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het uitgeoefende geweld van het slachtoffer kan worden toegerekend. Niet vereist is derhalve dat zijn dood uitsluitend het gevolg is geweest van het mishandelen en evenmin is vereist dat andere oorzaken volledig kunnen worden uitgesloten.

Naar het oordeel van het hof dient toepassing van de maatstaf van de redelijke toerekening tot de conclusie te leiden dat er sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en zijn mededaders en de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1]. De verdachte en/of zijn mededaders hebben het slachtoffer mishandeld - aangeefster [slachtoffer 2] spreekt van schoppen en slaan -, waardoor [slachtoffer 1] - onder meer - beschadiging van het ruggenmerg heeft opgelopen. Blijkens de verklaring van de deskundige Van de Goot bij de rechter-commissaris is uit micro-onderzoek van het nekletsel gebleken dat het nekletsel bij leven is opgetreden. Deze beschadiging van het ruggenmerg kan volgens de deskundige zonder meer een neurogene shock tot gevolg hebben, die het intreden van de dood bij het slachtoffer zonder meer kan verklaren. Uit het sectierapport blijkt, zoals vermeld, dat kort na het oplopen van dit letsel de hartslag staakte. Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande - waaronder het gegeven dat sprake was van een licht hartinfarct - de niet uit te sluiten mogelijkheid dat het slachtoffer ook zonder de handelingen van verdachte en zijn mededaders zou zijn overleden niet aan toerekening in de weg staat."

2.4. Vooropgesteld moet worden dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door de verdachte verrichte gedraging - te weten het door hem en/of zijn mededader(s) uitoefenen van geweld - en de dood van het slachtoffer, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedraging aan de verdachte kan worden toegerekend.

Indien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedraging in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg, zoals het Hof blijkens zijn overwegingen als mogelijkheid niet heeft uitgesloten, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de bewezenverklaarde gedraging gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (vgl. HR 27 maart 2012, LJN BT6362, NJ 2012/301).

2.5. Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen het bovenstaande niet miskend, zodat zijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het oordeel van het Hof dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs aan de bewezenverklaarde gedraging van de verdachte kan worden toegerekend, is ook toereikend gemotiveerd. In de overwegingen van het Hof ligt immers niet alleen besloten dat die gedraging een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, maar ook dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedraging is veroorzaakt. Die vaststellingen zijn ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat zij heeft geleid tot het intreden van het gevolg, terwijl het "lichte hartinfarct" - voor zover het optreden hiervan al niet het gevolg zou zijn van de bewezenverklaarde gedraging - als niet meer dan een "niet uit te sluiten" oorzaak is beoordeeld.

2.6. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 maart 2013.