Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ3643

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-05-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
12/00480
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ3643
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8650, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Taak executeur nalatenschap, art. 4:144 lid 1 BW. Voldoening schulden nalatenschap uit legaat, vermindering legaten, art. 4:120 BW; begunstiging door uitkering sommenverzekeraar, art. 4:126 lid 1 en 2, aanhef en onder b BW. Wijziging hoedanigheid executeur in vereffenaar na beneficiaire aanvaarding, art. 4:195 en 4:149 lid 1 aanhef en onder d BW. Taken vereffenaar, art. 4:211 BW. Aansprakelijkheid vereffenaar, art. 4:184 lid 2 aanhef en onder d BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/689
NJB 2013/1396
RN 2013/76
NJ 2013/488 met annotatie van S. Perrick
JWB 2013/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 mei 2013

Eerste Kamer

12/00480

MD/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P. Garretsen, thans mr. K. Aantjes,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. G.R. den Dekker en mr. E.C. Rozeboom.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster].

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 265715/HA ZA 09-878 van de rechtbank Utrecht van 22 juli 2009 en 23 december 2009;

b. de arresten in de zaak 200.061.618 van het gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 2010 en 27 september 2011.

Het arrest van het hof van 27 september 2011 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 27 september 2011 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld.

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [verweerster] toegelicht door haar advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 15 maart 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 23 augustus 2004 is overleden [betrokkene 1] (hierna: de erflater). [eiser] c.s. zijn diens kinderen. De erflater had bij testament van 5 juli 2004 [verweerster] tot zijn enige erfgenaam en tot executeur benoemd en had aan elk van zijn kinderen een bedrag in contanten gelegateerd gelijk aan een vierde deel van het saldo van zijn nalatenschap (hierna: de nalatenschap) onder nadere in het testament opgenomen bepalingen.

(ii) Op het moment van zijn overlijden voerde de erflater een gemeenschappelijke huishouding met [verweerster], met wie hij bij notariële akte van 5 juli 2004 een samenlevingsovereenkomst was aangegaan.

(iii) De erflater had met ingang van 1 januari 1990 een verzekering afgesloten met verzekerde bedragen van ƒ 159.934,-- en ƒ 25.952,--. Op het polisblad is vermeld:

"Begunstiging

Bij overlijden van de verzekerde(n):

- ten gunste van de erfgenamen van de verzekerde".

(iv) [Verweerster] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft daartoe op 21 juli 2005 een volmacht afgegeven.

(v) Na het overlijden van de erflater heeft de verzekeraar aan [verweerster] een uitkering op de polis gedaan (hierna: de uitkering).

(vi) [Eiser] c.s. hebben blijkens een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2007 uit hoofde van geldlening een vordering op de nalatenschap tot een bedrag van € 35.853,17, te vermeerderen met de overeengekomen enkelvoudige rente van 10% per jaar vanaf 1 oktober 1980.

(vii) Bij brief van 14 december 2007 hebben [eiser] c.s. van [verweerster] betaling verlangd van deze vordering, die zij per 1 oktober 2007 inclusief rente stellen op € 132.657,05. [Verweerster] is niet tot betaling overgegaan.

(viii) Bij beschikking van 30 september 2009 heeft de rechtbank Utrecht op verzoek van [eiser] c.s. C. Schneider RA benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap op de grond dat de schulden vermoedelijk de baten zullen overtreffen.

3.2 [Eiser] c.s. hebben primair een verklaring voor recht gevorderd dat de uitkering in de nalatenschap valt. De rechtbank heeft die vordering afgewezen op de grond dat [verweerster] een zelfstandig recht heeft op de uitkering bij het overlijden van de verzekerde.

3.3.1 In hoger beroep hebben [eiser] c.s. hun eis vermeerderd. Voor zover in cassatie van belang hebben zij subsidiair gevorderd dat de uitkering wordt aangemerkt als een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2, aanhef en onder b, BW en dat [verweerster] gehouden is tot vergoeding van de waarde daarvan aan de nalatenschap. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de begunstiging van [verweerster] bij de sommenverzekering een gift is en dat [verweerster] verplicht is het uitgekeerde bedrag te vergoeden aan de nalatenschap. Voorts hebben zij meer subsidiair een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerster] haar taken op dit punt onbehoorlijk heeft vervuld met veroordeling van [verweerster] tot vergoeding aan [eiser] c.s. van de hierdoor geleden schade, bestaande uit het gemiste bedrag, althans een door het hof vast te stellen bedrag. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat [verweerster] de vermindering tegen zichzelf als begunstigde had kunnen en moeten inroepen en de vordering van [eiser] c.s. op de nalatenschap had moeten voldoen.

3.3.2 Het hof heeft geoordeeld dat ten aanzien van de uitkering sprake is van een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2, aanhef en onder b, BW, en dat [eiser] c.s. als legataris en schuldeiser van de nalatenschap belang kunnen hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. (rov. 4.14)

Het hof heeft vervolgens overwogen dat de in art. 4:127 BW opgenomen vervaltermijn aan vermindering op de voet van deze bepaling in de weg staat nu vaststaat dat [verweerster] in maart 2005 de uitkering heeft ontvangen en vermindering binnen drie jaar niet heeft plaatsgevonden. [eiser] c.s. hebben zich niet erop beroepen dat het beroep op deze vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

De gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster] op grond van art. 4:127 BW gehouden is tot vergoeding van de waarde van de uitkering aan de nalatenschap wordt daarom afgewezen, wat daarvan verder zij. Een andere grond waarop [verweerster] zou zijn gehouden tot vergoeding van de waarde van de uitkering aan de nalatenschap is gesteld noch gebleken. (rov. 4.15)

Wat betreft de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster] haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld heeft het hof geoordeeld dat, gelet op de taakomschrijving van de executeur, vermindering van quasi-legaten als de onderhavige begunstiging niet behoorde tot de taak van [verweerster], zodat niet aan haar kan worden verweten dat zij haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld en gehouden is tot schadevergoeding. Het hof overwoog nog dat [eiser] c.s. zich in het petitum van de memorie van grieven hebben beperkt tot het functioneren van [verweerster] als executeur. (rov. 4.16 en 4.17)

Het hof heeft voorts overwogen dat [eiser] c.s. aan hun vordering mede ten grondslag leggen art. 4:184 lid 2 BW, dat bepaalt dat een erfgenaam niet verplicht is een schuld van de nalatenschap ten laste van zijn overige vermogen te voldoen, tenzij zich één of meer van de daar beschreven situaties voordoen. Het hof oordeelde dat zelfs indien zich hier één of meer van de onder b tot en met d omschreven situaties zou(den) voordoen en daardoor - ondanks de beneficiaire aanvaarding door [verweerster] van de nalatenschap - voor de schulden van de nalatenschap verhaal op het eigen vermogen van [verweerster] mogelijk zou zijn, zulks niet kan leiden tot toewijzing van enig deel van het gevorderde. Dat [verweerster] mogelijk verplicht zou zijn om de schuld van de nalatenschap aan [eiser] c.s. ten laste van haar eigen vermogen te voldoen, betekent immers nog niet dat [verweerster] gehouden is tot vergoeding van de waarde daarvan aan de nalatenschap en kan niet ertoe leiden dat [verweerster] vanwege onbehoorlijke vervulling van haar taak als executeur verplicht is tot vergoeding aan [eiser] c.s. van de schade die zij stellen daardoor te hebben geleden. In deze procedure vorderen [eiser] c.s. niet betaling van de vordering van [eiser] c.s. op de nalatenschap door [verweerster] als erfgenaam, aldus het hof. (rov. 4.18)

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, heeft voor recht verklaard dat ten aanzien van de uitkering sprake is van een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2, aanhef en onder b, BW en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4 Bij de beoordeling van de hiertegen gerichte middelen wordt vooropgesteld dat het hof - in cassatie terecht onbestreden - de uitkering heeft aangemerkt als een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2, aanhef en onder b, BW. Voorts heeft het hof terecht de vordering van [eiser] c.s. afgewezen voor zover die ertoe strekt dat [verweerster] de waarde van de uitkering aan de nalatenschap dient te vergoeden. Anders dan in middel II kennelijk wordt verondersteld, hebben schuldeisers van de nalatenschap immers geen rechtstreekse aanspraak op vermindering als bedoeld in art. 4:127 BW. [Eiser] c.s. kunnen derhalve de verminderingsverplichting niet inroepen. In zoverre faalt middel II.

3.5.1 De middelen betogen voorts dat [verweerster] in haar hoedanigheid van executeur en vervolgens vereffenaar verplicht was om (tijdig) de op haar rustende verplichting tot inkorting of vermindering ter zake van de uitkering in te roepen en dat zij in de nakoming van die verplichting is tekortgeschoten.

3.5.2 Het hof heeft geoordeeld dat vermindering van de onderhavige begunstiging niet behoort tot de taak van [verweerster] als executeur (rov. 4.16). De onderdelen 1.5 en 1.7 klagen terecht dat het hof aldus de taak van [verweerster] als executeur te beperkt heeft opgevat. De executeur heeft op grond van art. 4:144 lid 1 BW onder meer tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan. Tot die taak kan behoren dat de executeur legaten vermindert teneinde de andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle te kunnen voldoen (art. 4:120 BW). Dat geldt eveneens voor een door een sommenverzekeraar gedane uitkering als de onderhavige (art. 4:126 lid 1 in samenhang met lid 2, aanhef en onder b, BW). Door te oordelen dat vermindering van de onderhavige begunstiging niet behoorde tot de taak van [verweerster] als executeur heeft het hof derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.3 De hoedanigheid van [verweerster] van executeur is gewijzigd in de hoedanigheid van vereffenaar toen zij de erfenis beneficiair aanvaardde (art. 4:195 en art. 4:149 lid 1, aanhef en onder d, BW). Ook de vereffenaar heeft tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen, en ook tot zijn taak behoort voor zover voor dat doel noodzakelijk dat hij legaten of uitkeringen als de onderhavige vermindert (art. 4:211 BW).

3.5.4 Het hof heeft overwogen dat [eiser] c.s. zich in het petitum van de memorie van grieven hebben beperkt tot het functioneren van [verweerster] als executeur. Onderdeel 1.6 klaagt over dit oordeel door erop te wijzen dat [eiser] c.s. zich in appel ook hebben beroepen op aansprakelijkheid van [verweerster] als vereffenaar met een beroep op art. 4:184 lid 2, aanhef en onder d, BW, zoals ook het hof in rov. 4.6 heeft vermeld. Deze klacht is gegrond. Inderdaad hebben [eiser] c.s. zich in appel (onder meer in hun memorie van grieven onder 3.12) beroepen op art. 4:184 lid 2, aanhef en onder b, c en d, BW, en het hof heeft zelfs overwogen dat zij die bepalingen ten grondslag leggen aan hun "onder b beschreven vordering" (rov. 4.5). Uit de stukken van het geding blijkt dat [verweerster] heeft betwist dat zij in de nakoming van haar taken als vereffenaar is tekortgeschoten (memorie van antwoord onder 27), zodat mag worden aangenomen dat zij niet is benadeeld in haar recht om zich naar behoren tegen de gewijzigde eis te kunnen verdedigen door de enkele omstandigheid dat het petitum alleen melding maakt van haar taakvervulling "als executeur". Hiervan uitgaande heeft het hof een onbegrijpelijke lezing gegeven aan het petitum van de memorie van grieven ter zake van de meer subsidiaire vordering. Dienaangaande was geen andere lezing mogelijk dan dat [verweerster] mede in haar hoedanigheid van vereffenaar werd aangesproken.

3.6 De uitspraak van het hof kan niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Het verwijzingshof dient op basis van de hiervoor in 3.5.4 vermelde lezing van het petitum nader te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de meer subsidiaire vordering van [eiser] c.s. uit hoofde van onbehoorlijke vervulling door [verweerster] van haar taak als executeur en als vereffenaar voor toewijzing in aanmerking komt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 27 september 2011;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 881,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 17 mei 2013.