Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ3568

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2013
Datum publicatie
08-03-2013
Zaaknummer
12/03195
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BW7243, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Scholingsuitgaven. Kosten vwo-opleiding alleen onder bijzondere omstandigheden aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/580
NJB 2013/621
V-N 2013/14.12 met annotatie van Redactie
BNB 2013/113 met annotatie van J.W. Zwemmer
FutD 2013-0639
NTFR 2013/585 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 maart 2013

nr. 12/03195

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 mei 2012, nr. 11/00663, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende voor het jaar 2007, het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek bij beschikking vastgesteld op nihil. De beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 11/24) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en het bedrag van de beschikking vastgesteld op € 15.000.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende, geboren in 1991, is in 2004 aangevangen met haar middelbare schoolopleiding aan een niet-particuliere scholengemeenschap. Aldaar heeft zij de brugklas en klas 2 van de havo doorlopen.

3.1.2. In het jaar 2006, voor het eerst voor het studiejaar 2006-2007, is belanghebbende overgestapt naar de vwo-opleiding aan een particuliere school voor vmbo/havo/vwo genaamd 'A' te Q. Zij is aldaar gestart in klas 3 van het vwo.

3.1.3. In de maand mei 2010 heeft belanghebbende haar vwo-diploma behaald. In september 2011 is zij aangevangen met de studie technische natuurkunde aan B.

3.1.4. Belanghebbende heeft in het jaar 2007 bedragen betaald ter zake van het volgen van haar vwo-opleiding voor het studiejaar 2007-2008, vwo klas 4.

3.1.5. Bij haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2007 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van nihil. Tevens heeft zij daarbij een bedrag van € 15.000 als scholingsuitgaven in aanmerking genomen.

3.1.6. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de scholingsuitgaven niet in aftrek toegelaten. Hij heeft daartoe de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek bij beschikking op de voet van artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001 vastgesteld op een bedrag van nihil.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de hiervoor in 3.1.4 bedoelde betalingen kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning in de zin van artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001.

3.3. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij, beoordeeld naar het moment waarop de betalingen werden verricht, die uitgaven heeft gedaan met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning en dat die uitgaven gelet op de omstandigheden van het geval in hun onderlinge verband bezien, in een te ver verwijderd verband staan tot het verwerven van inkomen uit werk en woning om als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27, Wet IB 2001 te kunnen worden aangemerkt. Tot de hiervoor bedoelde omstandigheden van het geval heeft het Hof gerekend (a) dat belanghebbende in 2007 16 jaar oud was en nog geen andere algemeen vormende middelbare schoolopleiding had afgerond, (b) dat zij de opleiding volgde omdat haar moeder tot de conclusie was gekomen dat de aanvankelijk door belanghebbende gevolgde middelbare schoolopleiding voor haar niet deugdelijk was, (c) dat de uitgaven betrekking hebben op het schooljaar 4-vwo en (d) dat bij belanghebbende op dat moment nog in het geheel geen plannen bestonden voor een mogelijke vervolgopleiding. Hiertegen keert zich middel 1.

3.4.1. Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte zijn beslissing mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat belanghebbende in 2007 nog geen concrete keuze had gemaakt voor een vervolgopleiding. Die omstandigheid laat volgens het middel onverlet dat belanghebbende de vwo-opleiding volgde om in aansluiting daarop een vervolgopleiding te kunnen doen en met die vervolgopleiding haar inkomen te gaan verwerven. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1980, nr. 20049, BNB 1980/291, betoogt het middel verder dat voor de aftrekbaarheid van de kosten bepalend is of de belastingplichtige de opleiding is gaan volgen met het doel om inkomen te gaan verwerven.

3.4.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat uitgaven voor het volgen van een algemeen vormende opleiding zoals het vwo in het algemeen in een te ver verwijderd verband staan tot een concrete vorm van inkomensverwerving om te kunnen worden aangemerkt als scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001. Bijzondere omstandigheden, zoals die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1980, nr. 20049, BNB 1980/291, kunnen ertoe leiden dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. In het onderhavige geval bieden 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding geen aanwijzingen dat zodanige bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan. 's Hofs oordeel dat de onderhavige betalingen niet kunnen worden aangemerkt als scholingsuitgaven in de zojuist bedoelde zin, wordt daarom tevergeefs door het middel bestreden.

3.5. Middel 2 kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2013.