Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ1477

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
13/00256
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bopz. Verzoek voorlopige machtiging op de voet van art. 2 Wet Bopz. Stoornis van de geestvermogens in de zin van art. 1 lid 1, aanhef en onder d, Wet Bopz.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2013/22 met annotatie van Red
NJ 2013/223
RvdW 2013/552
NJB 2013/894
RFR 2013/91
JWB 2013/211

Uitspraak

12 april 2013

Eerste Kamer

13/00256

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

OFFICIER VAN JUSTITIE TE 'S-HERTOGENBOSCH,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 252910/FA RK 12-5019 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2012.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft de rechtbank op 21 september 2012 verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Bij het verzoekschrift was een op 14 september 2012 ondertekende geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater (hierna: de psychiater). In die verklaring was in antwoord op de vraag: "Tot welke diagnose bent u gekomen op basis van uw onderzoek?" vermeld: "Lichte verstandelijke handicap bij een man met middelen misbruik (cocaïne, cannabis).

Het middelen misbruik is in huidige context in remissie".

3.2 De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 11 oktober 2012. Bij beschikking van 12 oktober 2012 heeft de rechtbank een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden verleend. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:

"De geneeskundige verklaring maakt melding van de diagnose stoornis door gebruik van middelen en een licht verstandelijke handicap. Ter zitting hebben de behandelend psycholoog [betrokkene 1] en de AVG tevens eerste geneeskundige [betrokkene 2] erop gewezen, dat niet de verstandelijke handicap maar de zeer gebrekkige sociaal emotionele ontwikkeling van betrokkene doet veroorzaken dat hij bijna zeker weer zal vervallen in veelvuldig crimineel gedrag. Deze aanlegstoornis beheerst het recidiverend crimineel gedrag van betrokkene. Hoewel de psychiater deze stoornis niet in de geneeskundige verklaring benoemt als een diagnose maar wel uitdrukkelijk wijst op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkelings-achterstand in combinatie met een zwak normbesef en in verband brengt met de recidiverende verwervings criminaliteit, neemt de rechtbank aan dat hier sprake is van een stoornis als bedoeld in de BOPZ."

3.3 Onderdeel 1 van het middel klaagt onder meer dat de rechtbank ten onrechte een stoornis van de geestvermogens heeft aangenomen. De psychiater was voor zijn diagnose gebonden aan de diagnostische criteria zoals vermeld in de DSM IV. De door de rechtbank aangenomen stoornis is niet in de DSM IV vermeld en kan daarom volgens de klacht niet gelden als een stoornis in de zin van de Wet Bopz.

3.4 Met de DSM IV doelt het onderdeel op de 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders' (DSM), vierde versie, van de American Psychiatric Association voor diagnose en statistiek van psychiatrische aandoeningen.

3.5 Voor de toepassing van de Wet Bopz wordt volgens art. 1 lid 1, aanhef en onder d, van die wet onder een stoornis van de geestvermogens verstaan: een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Geen rechtsregel brengt mee dat een stoornis van de geestvermogens in de zin van deze bepaling slechts kan worden aangenomen indien die is omschreven in de DSM IV. De rechtbank heeft dan ook niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in het hiervoor in 3.2 bedoelde oordeel niet beslissend te achten of betrokkene leed aan een stoornis van de geestvermogens die was vermeld in de DSM IV.

3.6 Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. Drion en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.