Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ1468

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
11/05592
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wanprestatie, onrechtmatige daad; onoordeelkundig medisch handelen; waardering deskundigenbericht. Door rechter benoemde deskundigen; partijdeskundige. Motiveringsplicht rechter (HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 152
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/673
NJB 2013/1303
RAV 2013/72
JWB 2013/247
JA 2013/99
JBPR 2013/42 met annotatie van mw. mr. H.L.G. Wieten
JIN 2013/117 met annotatie van L.F. Dröge
EeR 2013, afl. 3, p. 98
PS-Updates.nl 2019-0501
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2013

Eerste Kamer

11/05592

RM/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaten: mr. S. Kousedghi en mr. B.J. van Dorp,

t e g e n

1. STICHTING ZIEKENVERPLEGING ARUBA handelende onder de naam DR. HORACIO E. ODUBER HOSPITAAL,

gevestigd op Aruba te Oranjestad,

2. [Verweerder 2],

wonende op Aruba te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. N.T. Dempsey,

3. [Verweerder 3],

wonende op Aruba,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Verzoeker zal hierna worden aangeduid als [verzoeker]. Verweerders zullen in enkelvoud worden aangeduid als het Hospitaal, [verweerder 2] en [verweerder 3] en tezamen als verweerders in cassatie.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak AR nr. 399 van 2003 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 25 augustus 2004, 20 april 2005, 23 november 2005, 4 oktober 2006, 7 november 2007 en 2 april 2008;

b. de vonnissen in de zaak AR-399/03-H-498/08 van het gemeenschappelijk hof van justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 18 augustus 2009, 19 januari 2010 en 20 september 2011.

De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 20 september 2011 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Hospitaal en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. [Verweerder 3] heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 22 februari 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij de op 17 februari 1993 voortijdig geboren [verzoeker] (hierna ook [verzoeker] te noemen) heeft zich op 1 juni 1993 een 'apparently life threatening event' (ALTE) voorgedaan. Na hem 's nachts omstreeks 1.00 uur nog zonder (waarneembare) problemen te hebben gezien, trof de moeder van [verzoeker] hem 's ochtends tussen 7.00 en 7.30 uur aan op zijn buik liggend, niet ademend en lijkbleek.

De moeder is onmiddellijk met [verzoeker] naar het ziekenhuis van het Hospitaal gegaan. Na aankomst aldaar omstreeks 7.40 uur is aan [verzoeker] zuurstof toegediend, waarna zijn toestand zich even stabiliseerde. Omstreeks 9.00 uur deed zich bij [verzoeker] echter weer een met zuurstofgebrek gepaard gaand incident voor. Later op de ochtend is hij van de kinderafdeling naar de afdeling intensive care overgebracht.

(ii) Vanaf 4 juni 1993 is [verzoeker] behandeld door [verweerder 3].

(iii) Vanaf 3 juni 1993 heeft zich bij [verzoeker] een stridor ontwikkeld die tot respiratoire insufficiëntie leidde. In de periode 3 juni tot en met 15 juni 1993 en ook vanaf 14 juli 1993 heeft periodiek toediening van zuurstof plaatsgevonden.

(iv) Op 14 juni 1993 is [verweerder 2], KNO-arts, in consult geroepen. [Verweerder 2] heeft een inwendig onderzoek van het strottenhoofd uitgevoerd.

(v) Op 26 althans eind juni 1993 is een schedelechografie gemaakt, die niet op beeld is vastgelegd maar waarvan wel een op 29 juni 1993 gedateerd verslag is opgemaakt.

(vi) Vanaf 29 juni 1993 zijn 'intrekkingen' geconstateerd en daarna zijn periodes van zeer hoge of zeer lage hartslag, blauwachtige verkleuring van de huid dan wel zeer wit zien en neusvleugelen gezien.

(vii) Op 19 juli 1993 is [verzoeker] naar het Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam overgebracht. Bij opname is bij hem een lichte cerebrale functiestoornis vastgesteld. Vanaf 1 augustus 1993 heeft zich ook daar een toenemende inspiratoire stridor ontwikkeld. Bij een bronchoscopisch onderzoek op 4 augustus 1993 is een circulaire stenose ontdekt. Er heeft toen een spoed-tracheotomie plaatsgevonden. Op 6 augustus 1993 is een CT-scan uitgevoerd. [verzoeker] is tot 30 november 1993 in het Sophia Ziekenhuis gebleven.

(viii) De inmiddels meerderjarige [verzoeker] is wegens opgelopen ernstige hersenbeschadiging geestelijk en lichamelijk ernstig gehandicapt. Hij verblijft in een aangepaste woonomgeving.

3.2 [Verzoeker] (aanvankelijk wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders) vordert in dit geding een verklaring voor recht dat (a) het Hospitaal c.s. wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad jegens hem hebben gepleegd door - kort gezegd - hem na de opname in het Hospitaal en vooral in de periode na 29 juni 1993 gebrekkig en onoordeelkundig te behandelen, en (b) dat het Hospitaal c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door hem geleden en nog te lijden, in een schadestaatprocedure vast te stellen schade.

3.3 Het gerecht heeft zich door drie deskundigen laten voorlichten over de oorzaak van de hersenschade bij [verzoeker]. Hun conclusies komen erop naar dat een groot deel van de hersenbeschadiging bij [verzoeker] is te wijten is aan de ALTE op 1 juni 1993 's ochtends vroeg tot het moment van zuurstoftoediening op de Eerste Hulp en dat vervolgens het op diezelfde dag om 9.00 uur plaatsgevonden incident op de kinderafdeling, lijkend op dat van thuis, een tweede ernstig beschadigend moment is geweest. Volgens de deskundigen is nadien, hoogstwaarschijnlijk vanwege gebeurtenissen van 10 juli tot 14 juli 1993, sprake geweest van additionele hersenschade. Er is geen aanwijzing dat nog sprake is geweest van toegevoegde hersenschade op of na 19 juli 1993 in het Sophia Ziekenhuis te Rotterdam.

De deskundigen schatten dat 80-90% van de hersenschade op 1 juni 1993 is ontstaan, 10 tot 20% tussen 10 juli en 14 juli 1993 en 0% vanaf 19 juli 1993. Hieraan voegen de deskundigen toe dat 80-90% gelet op de aard van de schade een klinisch ernstige toestand betreft en dat 10-20% aan de morbiditeit een weinig relevante verergering toevoegt.

Het gerecht heeft de bevindingen van de deskundigen overgenomen en de vorderingen afgewezen.

3.4 Het hof heeft een deskundige benoemd in verband met de vraag of het medisch dossier van [verzoeker], dat tijdens zijn verblijf in het Hospitaal is opgebouwd, voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In zijn eindvonnis heeft het hof geoordeeld dat geen sprake is van een zodanige onvoldoende informatieverschaffing en/of incompleetheid van het medisch dossier dat daaraan in het kader van de bewijslastverdeling gevolgen moeten worden verbonden. Het hof heeft vervolgens ook de overige grieven verworpen. Daarbij heeft het hof het volgende overwogen naar aanleiding van de klacht van de ouders dat geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met hun stelling dat zij tot 11 juli 1993 goed oogcontact met [verzoeker] hebben gehad (rov. 2.12.6):

"In (...) hun in eerste aanleg genomen conclusie na deskundigenbericht klagen de ouders, kort gezegd, over het uitgangspunt van de GEA-deskundigen ter zake het oogcontact. De ouders klagen erover dat geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met hun stelling dat zij tot 11 juli 1993 goed oogcontact met [verzoeker] hebben gehad.

De GEA-deskundigen hebben in hun rapport over dit oogcontact bij Vraag 1(b) onder 2. onder meer opgemerkt 'het argument dat [verzoeker] in de periode tot 10 juli wel keek en volgde (indien dat inderdaad het geval was), pleit dus geenszins voor de afwezigheid van hersenschade.'. Het Hof begrijpt hieruit dat het antwoord op de vraag tot wanneer er al dan niet oogcontact is geweest, van onvoldoende belang is bij de onderhavige problematiek."

Voorts heeft het hof in rov. 2.15 geoordeeld:

"In de grieven 12 en 13 klagen de ouders in feite over de door het GEA in zijn eindvonnis onder 2.5 gegeven waardering en motivering van het GEA-deskundigenrapport en het daaruit voortvloeiende oordeel. Het hof acht die betreffende waardering, motivering en het oordeel juist en duidelijk en neemt deze over en maakt deze tot de zijne. De twee grieven falen dus."

3.5 De klachten in cassatie houden verband met antwoorden die [betrokkene 1] heeft gegeven op twee vragen van de ouders van [verzoeker] naar aanleiding van het voor het gerecht uitgebrachte deskundigenrapport. De ouders hebben zich voor het hof op die antwoorden beroepen ter bestrijding van de bevindingen van de door het gerecht benoemde deskundigen. Volgens [verzoeker] heeft het hof hierop niet dan wel onvoldoende gemotiveerd gerespondeerd. Meer in het bijzonder betreffen de klachten de volgende punten:

(a) de deskundigen hebben het blijven vertonen van visuele reacties direct na 1 juni 1993 verklaard als subcorticale visuele reacties, maar volgens [betrokkene 1] zijn dergelijke reacties bij de mens nimmer aangetoond;

(b) de deskundigen hebben hun conclusie mede gebaseerd op een interpretatie van de schedelechografie van eind juni 1993. Indien echter reeds op 1 juni 1993 een ernstige beschadiging van de hersenen zou hebben plaatsgevonden, is het volgens [betrokkene 1] onmogelijk dat op de echo van eind juni 1993 geen meer uitgebreide afwijkingen zijn gezien dan in het verslag van 29 juni 1993 beschreven; het ontbreken van die meer uitgebreide afwijkingen wijst erop dat op 1 juni 1993 geen ernstige hersenbeschadiging heeft plaatsgevonden.

3.6 Bij de beoordeling van deze klachten dient het volgende te worden vooropgesteld. In een geval als het onderhavige, waarin het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (zie onder meer HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).

3.7 De hiervoor in 3.5 onder (a) weergegeven klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 2.12.6 niet van belang geacht of er tot 11 juli 1993 oogcontact is geweest omdat het klaarblijkelijk zonder meer uitging van het standpunt van de door het gerecht benoemde deskundigen dat eventueel oogcontact kon worden toegeschreven aan subcorticale reacties. Daarbij heeft het hetzij niet onderkend dat de juistheid van dat standpunt van de zijde van [verzoeker] onderbouwd was betwist met een beroep op het afwijkende standpunt van [betrokkene 1], hetzij nagelaten (voldoende kenbaar) naar aanleiding van die betwisting een beslissing te geven.

Wat betreft de hiervoor in 3.5 onder (b) vermelde klacht wordt overwogen dat het hof in rov. 2.15 naar aanleiding van de twaalfde en de dertiende grief, waarin onder meer een beroep is gedaan op het standpunt van [betrokkene 1] over de uitleg van de echografie, heeft geoordeeld dat het de waardering, de motivering en het oordeel van de deskundigen "juist en duidelijk" acht. Op zichzelf ligt hierin het oordeel besloten dat het meningsverschil over de interpretatie van de echografie niet afdoet aan de overtuigingskracht van het eindoordeel van de deskundigen. In samenhang met de kwestie van het oogcontact levert het beroep op het standpunt van [betrokkene 1] echter een voldoende gemotiveerde betwisting op van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen in de hiervoor in 3.6 bedoelde zin. Het hof had derhalve moeten ingaan op dit bezwaar tegen het deskundigenrapport, hetgeen meebrengt dat ook de hiervoor in 3.5.2 onder (b) weergegeven klacht slaagt. Het vonnis van het hof kan dan ook niet in stand blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 20 september 2011;

verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt verweerders in cassatie in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 365,34 aan verschotten en op € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.