Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ1065

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
12/01393
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Door failliet ingesteld cassatieberoep in een door curator overgenomen geding; niet-ontvankelijkheid, art. 27 lid 3 Fw (HR 11 januari 2002, LJN AD4929, NJ 2003/311 en HR 23 april 2010, LJN BL5450, NJ 2010/245). Geldt ook in verzoekschriftprocedure.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2013/39 met annotatie van mr. J.E.P.A. van Hooff
JOR 2014/111 met annotatie van mr. M.L.C. Snoeks
RvdW 2013/551
NJB 2013/891
NJ 2013/222
JWB 2013/213

Uitspraak

12 april 2013

Eerste Kamer

12/01393

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 111923/ES RK 09-704 van de rechtbank Alkmaar van 27 januari 2011;

b. de beschikking in de zaak 200.086.230/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 13 december 2011.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 De man verzoekt in deze procedure het bedrag te bepalen dat de vrouw aan hem dient te voldoen op grond van verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden die golden in hun inmiddels ontbonden huwelijk. In de loop van de procedure is de man in staat van faillissement verklaard. De curator heeft het geding in hoger beroep overgenomen.

3.2 Gelet op het feit dat de curator het geding heeft overgenomen, is de man niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. De overname van het geding door de curator heeft immers tot gevolg - in dit geval op grond van art. 27 lid 3 Fw - dat de gefailleerde buiten het geding wordt gesteld en derhalve geen procespartij meer is. Alleen de curator kwam dan ook het recht toe om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van het hof (HR 11 januari 2002, LJN AD4929, NJ 2003/311 en HR 23 april 2010, LJN BL5450, NJ 2010/245).

Dit wordt niet anders door het feit dat deze zaak een verzoekschriftprocedure betreft. De regeling van rechtsvorderingen in art. 25-30 Fw ziet op alle vorderingen als bedoeld in art. 25 en 26 Fw, ongeacht of de procedure met een dagvaarding of met een verzoekschrift wordt ingeleid (vgl. Van der Feltz I, p. 365).

3.3 Het door de man nog aangevoerde feit dat de curator heeft laten weten dat hij geen bezwaar ertegen heeft dat de man cassatieberoep instelt, maakt hem niet bevoegd om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van het hof.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.