Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BZ1059

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
12/02593
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden na echtscheiding. Beroep op verrekening van in appel erkende vordering niet verdisconteerd eindbeschikking. Hoge Raad doet zelf af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 127
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/674
NJB 2013/1310
JWB 2013/262
JPF 2013/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 mei 2013

Eerste Kamer

12/02593

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats], Groot-Brittannië,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak 359221 FA RK 10-1219 van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 januari 2011 en 15 juli 2011;

b. de beschikking in de zaak 200.095.336/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 februari 2012.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In deze echtscheidingsprocedure gaat het in cassatie uitsluitend nog om de vraag of het hof terecht niet, dan wel afwijzend, heeft beslist op het bij wijze van nevenvoorziening gedane verzoek van de man om in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 13.408,69 ter zake van een lening aan de moeder van de vrouw.

3.2 Het hof heeft, naar aanleiding van de over en weer gepretendeerde verrekenvorderingen, de in hoger beroep tussen partijen nog in geschil zijnde verrekenposten beoordeeld en op grond daarvan geoordeeld dat de vrouw een bedrag van in totaal € 18.435,51 van de man te vorderen heeft, terwijl de vrouw een bedrag van € 7.251,30 aan de man moet vergoeden, zodat per saldo een bedrag van € 11.184,21 aan de vrouw toewijsbaar is (rov. 27). Daarbij heeft het hof ter zake van de lening aan de moeder van de vrouw overwogen dat de grief van de man tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn hiervoor in 3.1 bedoelde verzoek "geen verdere bespreking behoeft, nu de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij aan de man zal betalen het bedrag dat haar moeder ter zake aan haar heeft betaald" (rov. 11). Het hof heeft in het dictum van zijn beschikking de man veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 11.184,21, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.3 Blijkens het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 januari 2012 heeft de vrouw over de lening aan haar moeder onder meer verklaard:

"(...) Met de man is afgesproken dat hij het geld terug zou krijgen. Ik heb het op advies van mijn advocaat nog niet aan hem betaald. (...)"

3.4 Op grond van de hiervoor weergegeven rov. 11 en het proces-verbaal van de zitting, dient in cassatie te worden aangenomen dat de moeder van de vrouw een bedrag (volgens de man £ 12.944,--, volgens de vrouw £ 12.900,--) aan de vrouw heeft betaald ter aflossing van de lening en dat de vrouw heeft verklaard dit bedrag aan de man te zullen betalen. Uit het in rov. 11 in verbinding met rov. 27 overwogene volgt dat het hof dit bedrag niet heeft verdisconteerd in het aan de vrouw toegewezen saldo van € 11.184,21.

3.5 Het middel klaagt in het licht van het voorgaande terecht dat, nu de man zijn verzoek om de vrouw tot betaling van € 13.408,69 te veroordelen niet heeft ingetrokken en hij recht en belang heeft terzake een executoriale titel te verkrijgen, het hof hetzij ten onrechte niet heeft beslist op dat verzoek, hetzij ten onrechte dat verzoek geheel heeft afgewezen. De beschikking kan derhalve niet in stand blijven.

3.6 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De door de man gepretendeerde verrekenvordering ten bedrage van € 13.408,69 is gebaseerd op het door hem genoemde bedrag van £ 12.944,--, waarbij blijkens de eindbeschikking van de rechtbank (blz. 3) partijen uitgaan van een wisselkoers op de overeengekomen peildatum van 1 januari 2009 van 1 £ = € 1,0359. Nu de vrouw erkent dat zij een bedrag van £ 12.900,-- van haar moeder heeft ontvangen en heeft verklaard dit bedrag aan de man te zullen betalen, is ter zake van de lening aan de moeder van de vrouw aan de man toewijsbaar een door de vrouw te betalen bedrag van (12.900,-- x 1,0359 =) € 13.363,11.

Dit betekent dat, gelet op hetgeen het hof (in cassatie onbestreden) in rov. 27 heeft overwogen, de vrouw per saldo een bedrag van € 2.178,90 aan de man verschuldigd is.

3.7 De man heeft verzocht de vrouw in de proceskosten in cassatie te veroordelen. Daartoe ziet de Hoge Raad echter onvoldoende aanleiding.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 februari 2012, voor zover de man is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 11.184,21;

veroordeelt de vrouw ter zake van de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.178,90.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 3 mei 2013.