Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY9287

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
10/01621
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2010:BL7942, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 1, lid 5, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen; BPM is verschuldigd bij duurzaam gebruik in Nederland van een auto met een buitenlands kenteken; rechterlijke onpartijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/187
V-N 2013/7.6 met annotatie van Redactie
BNB 2013/64
FutD 2013-0243 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 januari 2013

nr. 10/01621

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 maart 2010, nr. 08/00539, betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd, alsmede een boete. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd respectievelijk verminderd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/2932) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 april 2012, L.A.C. van Putten, P. Mook en G. Frank, C-578/10 tot en met C-580/10, BNB 2012/191, en op de beschikking van het Hof van Justitie van 27 april 2012, U. Notermans-Boddenberg, C-114/11.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

3. Klachten over rechterlijke partijdigheid

3.1. In zijn reactie op de in onderdeel 2 vermelde beschikking van het Hof van Justitie heeft belanghebbende gesteld dat uit bij die reactie gevoegde informatie volgt dat twee leden van het Hof, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. R.F.C. Spek, die betrokken waren bij het vaststellen van de bestreden uitspraak, met een schijn van bevooroordeeldheid of partijdigheid de zaak hebben behandeld en mitsdien niet is voldaan aan de eis van rechterlijke onpartijdigheid.

3.2. Voor zover in de hiervoor in 3.1 bedoelde reactie wordt gesteld dat mr. J.P.M. Kooijmans ten tijde van de behandeling van de zaak voor het Hof nog steeds werkzaam was bij het Ministerie van Financiën, wordt deze stelling wegens gebrek aan feitelijke grondslag verworpen. Voor zover de reactie voor het overige betrekking heeft op mr. J.P.M. Kooijmans, en op mr. R.F.C. Spek, kan deze niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid (vgl. HR 11 mei 2012, nr. 10/02081, LJN BW5393, BNB 2012/207).

4. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2013.