Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY8733

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
10/00568
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8733
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2340, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling lidmaatschapsbijdrage VvE. Ontstaansvereisten VvE, splitsingsakte gebouw inhoudende akte van oprichting en statuten, art. 5:111 aanhef en onder d in verbinding met art. 5:112 lid 1 aanhef en onder d BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 4
Burgerlijk Wetboek Boek 2 111
Burgerlijk Wetboek Boek 2 112
Burgerlijk Wetboek Boek 2 124
Overgangswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/95 met annotatie van P.C.M. Kemp
NJB 2013/885
RvdW 2013/628
NJ 2013/475

Uitspraak

12 april 2013

Eerste Kamer

10/00568

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.W. Bogaardt,

t e g e n

De rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN [a-straat 1-10],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de VvE.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 195127\CV EXPL 07-1841 van de kantonrechter te Venlo van 24 oktober 2007;

b. het arrest in de zaak HD 200.003.174 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 september 2009.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen VvE is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In dit geding heeft de VvE de veroordeling gevorderd van [eiser] tot betaling aan haar van (kwartaal)bijdragen op de grond dat [eiser], als enig erfgenaam van zijn inmiddels overleden ouders, eigenaar is van het appartementsrecht op de woning [a-straat 7]. Hij is dus lid van de VvE, die heeft besloten dat haar leden deze bijdragen zijn verschuldigd.

[eiser] heeft als primair verweer aangevoerd dat de VvE geen bestaande rechtspersoon is.

3.2 Zowel de kantonrechter als, in hoger beroep, het hof, heeft het primaire verweer van [eiser] verworpen. Het hof overwoog daartoe:

"3.3.2 De vereniging van eigenaars is als onderdeel van de appartementsrechten geregeld in de negende titel van boek 5 BW in de artikelen 124 t/m 135. Deze titel is bij wet van 19 februari 2005, Stb. 160 per 1 mei 2005 ingrijpend gewijzigd. Door de invoering van deze wet per 1 mei 2005 ontstaat een vereniging van eigenaars, een rechtspersoon, door de ondertekening van de akte van splitsing.

Een oprichtingshandeling als waarop artikel 2:4 BW ziet, is hiervoor niet nodig (vgl. art. 5:124 BW).

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de splitsing van de onroerende zaak [a-straat 1-10] te [plaats] - waarvan het appartementsrecht van [eiser] deel uitmaakt - heeft plaatsgevonden bij akte van splitsing op 18 januari 1957 verleden voor notaris Seelen te Venlo. Hoewel deze splitsing heeft plaatsgevonden (ruim) voor de inwerkingtreding van de wet van 19 februari 2005, is de VvE op grond van het bepaalde in artikel 5:124 BW, welk artikel volgens artikel 68a van de Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft, in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege ontstaan. Gelet op de ingestelde vordering, de servicekosten vanaf 2006, is de vraag of de VvE reeds vóór 1 mei 2005 bestond niet relevant. Het verweer van [eiser] dat de VvE niet is opgericht faalt."

3.3 Het hof heeft niet vastgesteld, en evenmin is door de VvE gesteld, of uit de overgelegde splitsingsakte gebleken, dat de splitsingsakte - die, zoals tussen partijen vaststaat, notarieel is verleden op 18 januari 1957 - mede de akte van oprichting en de statuten van de VvE inhield. Daarom dient ervan te worden uitgegaan dat dit niet het geval is.

3.4.1 Zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 2.7 was op 18 januari 1957 het appartementsrecht geregeld in de art. 638a-638t (oud) BW. Deze bepalingen schreven niet de oprichting van een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging van eigenaars voor, maar regelden slechts de vorm van haar organisatie voor het geval zij werd opgericht.

3.4.2 Bij wetswijziging van 1972 (Wet van 7 september 1972, Stb. 467) is de oprichting van een vereniging van eigenaars verplicht gesteld in geval van splitsing van een gebouw in appartementen (art. 875e lid 1, aanhef en onder d, (oud) BW). Ingevolge art. 875f lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW, deed het ondertekenen van een splitsingsakte echter niet zonder meer een vereniging van eigenaars ontstaan. Dit was pas het geval indien de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhield.

3.4.3 Bij de invoering van de huidige wet in 1992 is art. 875f lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW vernummerd tot art. 5:112 lid 1, aanhef en onder e, BW. In de parlementaire geschiedenis van art. 5:124 is opgemerkt:

"Ook artikel 4 van Boek 2 - als eerste uitdrukkelijk uitgezonderd - kan hier geen toepassing vinden. Een vereniging van eigenaars ontstaat van rechtswege bij de splitsing in appartementsrechten (artikel 5.10.1.2 in verbinding met artikel 5.10.1.5) en wordt door opheffing van rechtswege ontbonden. Een oprichtingshandeling als waarop artikel 4 ziet, komt hieraan niet te pas" (MvA II Inv., Parl. Gesch. Boek 5 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1099, onder 4).

3.4.4 Bij Wet van 19 februari 2005, in werking getreden op 1 mei 2005, Stb. 160, is art. 5:125 lid 3 BW komen te vervallen. Hierin werd bepaald dat indien op het tijdstip van de inschrijving van de splitsingsakte alle appartementsrechten nog aan één persoon of dezelfde personen toebehoren, de vereniging van eigenaars eerst ontstaat zodra de appartementsrechten aan verschillende personen toebehoren (vgl. Kamerstukken II 2002-2003, 28 614, nr. 3, p. 6).

3.5 De bestreden overweging moet aldus worden verstaan dat het hof zijn oordeel, dat de VvE op grond van het bepaalde in art. 5:124 BW in ieder geval per 1 mei 2005 van rechtswege is ontstaan, heeft gebaseerd op de onmiddellijke werking die de per 1 mei 2005 gewijzigde bepaling had op de verhouding die toen tussen de appartementseigenaren bestond, en mede gelet op de hiervoor in 3.4.3 geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis van art. 5:124 BW in samenhang met de onder 3.4.4 aangehaalde wetswijziging. Aldus heeft het hof, mede gelet op de bewoordingen en de daarbij behorende wetsgeschiedenis van de in de tijd aan art. 5:124 BW voorafgegane bepalingen, miskend dat dit artikel, ook in het geval alle appartementsrechten aanvankelijk nog in één hand zijn, aldus moet worden verstaan dat een vereniging van eigenaars van rechtswege ontstaat bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten, mits de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhoudt. Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, heeft het hof dit laatste niet vastgesteld, en is dit evenmin door de VvE gesteld of uit de overgelegde splitsingsakte gebleken.

3.6 De op het vorenstaande gerichte klachten van het middel treffen dus doel. Het bestreden arrest kan niet in stand blijven. Nu de VvE haar vordering uitsluitend heeft gebaseerd op de stelling dat [eiser] lid is van de VvE, zodat de vordering ook niet langs de weg van art. 25 Rv geheel of ten dele toewijsbaar is, kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen op na te melden wijze.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 september 2009 alsmede het vonnis van de rechtbank Roermond van 24 oktober 2007 en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de VvE alsnog af;

veroordeelt de VvE in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op

- in eerste instantie: € 200,--,

- in hoger beroep: € 971,44,

- in cassatie: € 567,14 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren M.A. Loth, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.