Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY8665

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2013
Datum publicatie
29-03-2013
Zaaknummer
12/04254
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8665
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBMAA:2012:BX2038, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigening. In appartementsrechten gesplitste eigendom. Afzonderlijke onteigening van appartementsrechten? Stelsel Onteigeningswet, art. 4 en 59 Ow. ‘Titelzuiverende werking’ van de onteigening. Verplichting Staat tot minnelijke onderhandelingen met appartementseigenaren? Strekking art. 17 Ow.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet
Onteigeningswet 4
Onteigeningswet 17
Onteigeningswet 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/473
NJB 2013/805
RVR 2013/57
NJ 2013/474 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JWB 2013/168
JG 2013/41 met annotatie van B. de Kam
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2013

Eerste Kamer

12/04254

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Eiseres 3],

wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4],

wonende te [woonplaats],

5. [Eiser 5],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.

Eisers zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1], [eiser 2], [eiseres 3], [eiser 4] en [eiser 5] (en [eiser 1], [eiser 2], [eiseres 3] en [eiser 4] gezamenlijk als [eiser] c.s.). Verweerder zal hierna ook worden aangeduid als de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 167184/HA ZA 11-851 van de rechtbank Maastricht van 18 juli 2012;

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank hebben [eiser] c.s. en [eiser 5] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. en [eiser 5] heeft bij brief van 24 januari 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 2011, nr. 11.002027 (Stcrt. van 19 september 2011, nr. 16477), genomen op grond van art. 72a Ow, zijn onder meer acht in de Gemeente Maastricht gelegen gedeelten van percelen aangewezen ter onteigening ten name van de Staat.

De onteigening geschiedde, kort gezegd, ten behoeve van de aanleg van een tunnel in de rijksweg A2 en de aanpassing van het knooppunt Kruisdonk (A2/A79) met bijkomende werken in de gemeenten Meerssen en Maastricht, een en ander ter uitvoering van het Tracébesluit 'A2 Passage Maastricht'.

(ii) In het Koninklijk Besluit is de Vereniging van Eigenaars 'Wyckerveldflat' aangewezen als eigenaar van de betrokken percelen. Deze percelen zijn gesplitst in appartementsrechten. De eigenaren van de appartementen, onder wie [eiser] c.s. en [eiser 5], zijn gezamenlijk eigenaar van de onroerende zaken betrokken bij de splitsing.

(iii) Naast de genoemde gedeelten van percelen zijn in het Koninklijk Besluit ook appartementsrechten ter onteigening aangewezen. Daartoe behoren de appartementsrechten van [eiser 1].

(iv) De Staat heeft de appartementsrechten van [eiser 1] niet in minnelijk overleg kunnen verwerven. Voorafgaand aan deze procedure en nogmaals bij inleidende dagvaarding heeft de Staat aan [eiser 1] een bedrag aangeboden van € 38.000,-- voor alle schaden en kosten (exclusief de kosten van deskundige bijstand).

(v) Aan de appartementseigenaren met wie al overeenstemming is bereikt heeft de Staat, gelet op het bepaalde in art. 22 Ow, telkens een (symbolische) schadeloosstelling van € 1,-- aangeboden.

3.2 Voor zover in cassatie van belang heeft de Staat gevorderd dat de onteigening wordt uitgesproken van de in het Koninklijk Besluit genoemde gedeelten van percelen en van de in het Koninklijk Besluit genoemde appartementsrechten. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen onder 4.1 respectievelijk 4.2 van het dictum van haar vonnis.

3.3 In cassatie resteren twee kwesties:

(i) [Eiser] c.s. en [eiser 5] hebben betoogd dat de Onteigeningswet en het Burgerlijk Wetboek geen mogelijkheid bieden tot het onteigenen van een (gedeelte van een) appartementsrecht. De rechtbank heeft dit verweer behandeld en verworpen in rov. 3.2-3.5. Hiertegen keert zich onderdeel A van het middel.

(ii) [Eiser] c.s. en [eiser 5] hebben aangevoerd dat de Staat in strijd met art. 17 Ow heeft nagelaten ook met [eiser 2], [eiseres 3], [eiser 4] en [eiser 5] minnelijke onderhandelingen te voeren, hoewel zij als appartementseigenaar mede-eigenaar zijn van de percelen waarvan de onteigening wordt gevorderd. De rechtbank heeft dit verweer behandeld en verworpen in rov. 3.6-3.7. Hiertegen keert zich onderdeel B van het middel.

Het cassatieberoep ingesteld door [eiser 5]

3.4 [Eiser 5] heeft bij schriftelijke toelichting te kennen gegeven dat hij na het uitbrengen van de cassatiedagvaarding alsnog tot overeenstemming met de Staat is gekomen en dat voor hem dus belang bij dit cassatieberoep ontbreekt.

De Hoge Raad zal het cassatieberoep van [eiser 5] dan ook verwerpen.

Het cassatieberoep ingesteld door [eiser] c.s.

3.5.1 Onderdeel A van het middel bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 3.5 dat (ook) de appartementsrechten die een exclusief (gebruiks)recht geven op de te onteigenen delen van de percelen en/of gebouwen voor onteigening vatbaar zijn.

3.5.2 Buiten de door de titels V en Va van de Onteigeningswet bestreken gevallen van onteigening van - kort gezegd - octrooien en rechten voortvloeiende uit een octrooiaanvraag, is het stelsel van de Onteigeningswet gericht op de onteigening van onroerende zaken. Dit vindt bevestiging in art. 4 lid 2 Ow dat bepaalt dat 'overigens' - dat wil zeggen: buiten de gevallen die worden bestreken door het hierna te bespreken art. 4 lid 1 Ow - door toepassing van deze wet een zaak slechts kan worden bevrijd van de met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten door onteigening van die zaak, en in art. 4 lid 3 Ow dat bepaalt dat een aandeel in een zaak of een recht niet afzonderlijk kan worden onteigend. De in art. 4 lid 2 Ow bedoelde 'bevrijding' is nader uitgewerkt in art. 59 lid 3 Ow, inhoudende dat in geval van onteigening van een onroerende zaak door inschrijving van het vonnis de eigendom op de onteigenaar overgaat, vrij van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten.

Weliswaar voorziet art. 4 lid 1 Ow in een afzonderlijke onteigening van bepaalde rechten die op een onroerende zaak rusten, maar deze mogelijkheid staat slechts open indien de zaak toebehoort aan de onteigenende partij. Blijkens de wetsgeschiedenis, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6, is deze mogelijkheid bedoeld voor gevallen waarin de onteigenende partij reeds eigenaar van de onroerende zaak is, maar op deze zaak een van de in art. 4 lid 1 Ow genoemde rechten rust. Alsdan behoeft deze partij niet een onteigeningsgeding tegen zichzelf aan te spannen, maar kan het recht afzonderlijk worden onteigend.

Het bepaalde in art. 4 lid 1 Ow leent zich niet voor overeenkomstige toepassing in andere gevallen dan in deze bepaling zijn voorzien.

De Onteigeningswet voorziet aldus niet in de mogelijkheid van een afzonderlijke onteigening van een appartementsrecht. Voor zover de eigendom van een gebouw of een perceel op de voet van art. 5:106 lid 1 BW is gesplitst in appartementsrechten, brengt art. 59 lid 3 Ow echter wel mee dat de onteigening van het gebouw of het perceel tot gevolg heeft dat de met betrekking tot de onteigende zaak bestaande appartementsrechten vervallen.

3.5.3 Hoewel onderdeel A derhalve doel treft, leidt dit niet tot cassatie. Het onderdeel klaagt immers niet over de onteigening van de in het dictum onder 4.1 vermelde percelen. Art. 59 lid 3 Ow bepaalt dat in geval van onteigening van een onroerende zaak door inschrijving van het vonnis de eigendom op de onteigenaar overgaat, vrij van alle met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten. Onderdeel A bestrijdt - terecht (zie hiervoor onder 3.5.2) - niet dat deze 'titelzuiverende werking' van de onteigening mede het geval bestrijkt dat de eigendom van een gebouw of een perceel op de voet van art. 5:106 lid 1 BW is gesplitst in appartementsrechten, in dier voege dat door inschrijving van het vonnis van onteigening het onteigende gebouw of perceel wordt bevrijd van de appartementsrechten die met betrekking tot dit gebouw of perceel bestaan. Hieruit vloeit voort dat de Staat door inschrijving van het vonnis van onteigening kan bewerkstelligen dat de eigendom van de in het dictum onder 4.1 vermelde percelen op hem overgaat, en dat als gevolg daarvan de percelen worden bevrijd van de daarop betrekking hebbende appartementsrechten. Gegrondbevinding van de tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.5 gerichte klacht van onderdeel A kan derhalve niet beletten dat de appartementsrechten met betrekking tot de in het dictum onder 4.1 vermelde percelen, waaronder die van [eiser 1], als gevolg van de inschrijving van het vonnis van onteigening vervallen.

Het vorenstaande brengt mee dat [eiser] c.s. geen belang hebben bij hun in onderdeel A vervatte klacht dat de rechtbank in het dictum onder 4.2 ten onrechte de onteigening van de aldaar vermelde appartementsrechten heeft uitgesproken.

[Eiser] c.s. hebben evenmin belang bij hun in onderdeel A vervatte klacht dat de rechtbank in het dictum onder 4.2 de onteigening van de aldaar vermelde appartementsrechten heeft uitgesproken 'zonder de door de [eiser 1] gehanteerde begrenzing van de appartementsrecht-onteigening overeenkomstig de grondplannummers'. In het dictum onder 4.1 heeft de rechtbank immers de grondplannummers van de te onteigenen percelen vermeld, overeenkomstig de in het Koninklijk Besluit gehanteerde begrenzing.

3.6.1 Onderdeel B van het middel keert zich tegen de verwerping door de rechtbank in rov. 3.6 en 3.7 van het verweer van [eiser] c.s. dat de Staat in strijd met art. 17 Ow heeft gehandeld door niet (ook) met [eiser 2], [eiseres 3] en [eiser 4] te onderhandelen.

3.6.2 Art. 17 Ow strekt ertoe dat de onteigenende partij tracht - door het voeren van onderhandelingen - zo mogelijk een rechtsgeding te vermijden (vgl. HR 8 april 1998, LJN ZD2955, NJ 1999/24). Bij de beantwoording van de vraag of het voorschrift van art. 17 Ow behoorlijk is nageleefd, moet niet alleen worden gelet op deze strekking, maar ook op het feit dat het algemeen belang een spoedige verkrijging van de eigendom door de onteigenende partij verlangt (vgl. HR 17 maart 1965, LJN AB5065, NJ 1965/278).

3.6.3 In het onderhavige geval diende zich de situatie aan dat de eigendom van de te onteigenen percelen was gesplitst in appartementsrechten. Voorts stond vast - aldus de in cassatie onbestreden vaststelling van de rechtbank in rov. 2.6 - dat de Staat het appartementsrecht van [eiser 1] niet in minnelijk overleg heeft kunnen verwerven. Het mislukken van de onderhandelingen met (appartementseigenaar) [eiser 1] bracht derhalve mee dat de Staat ten behoeve van de verwerving van deze percelen was gedwongen een onteigeningsgeding aanhangig te maken, en dat de uitkomst van eventuele onderhandelingen met andere appartementseigenaren daaraan niet zou kunnen afdoen.

In het licht van deze omstandigheden is het oordeel van de rechtbank juist dat voor de Staat uit art. 17 Ow niet de verplichting voortvloeide om (ook) met [eiser 2], [eiseres 3] en [eiser 4] te onderhandelen over hun rechten met betrekking tot de te onteigenen percelen, omdat deze onderhandelingen zonder zin waren. Daarop stuiten de klachten van onderdeel B af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. en [eiser 5] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 799,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, C.E. Drion en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 29 maart 2013.