Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY8651

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
11/04553
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY8651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Informatieplicht bank jegens cliënt die borgstellingsovereenkomst afsluit; geen zorgplicht jegens echtgenote van borg in verband met toestemmingsvereiste borgstelling, art. 1:88 BW. Zelfstandige zorgplicht bank jegens echtgenote uit hoofde van klantrelatie; beperkende werking redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/194 met annotatie van Mr. G.J.L. Bergervoet
RvdW 2013/550
NJB 2013/888
RCR 2013/46
RI 2013/77
JONDR 2013/609
RF 2013/60
NJ 2013/390
JWB 2013/207

Uitspraak

12 april 2013

Eerste Kamer

11/04553

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. G.R. den Dekker,

t e g e n

De COÖPERATIEVE RABOBANK HILVARENBEEK-OISTERWIJK U.A.,

gevestigd te Oisterwijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1], [eiseres 2] en de Bank.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 177011/HA ZA 08-1213 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 oktober 2008 en 15 juli 2009;

b. het arrest in de zaak 200.046.554/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2011.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser 1] en [eiseres 2] toegelicht door hun advocaat en mr. E.C. Rozenboom, advocaat bij de Hoge Raad. Voor de Bank is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. J.W.A. Biemans, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De advocaat van de Bank en mr. Biemans voornoemd hebben bij brief van 25 januari 2013 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser 1] en [eiseres 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd.

(ii) Bij akte van 23 februari 2001 hebben [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank een recht van eerste hypotheek verleend op hun woning te [plaats] voor een bedrag van € 1.361.340,60 vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] te vorderen heeft of mocht hebben.

(iii) Bij akte van 13 november 2003 heeft de Bank aan [eiser 1] en [eiseres 2] een geldlening verstrekt van € 950.000,--. [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben hierna bij akte van 13 november 2003 een recht van tweede hypotheek op hun woning gevestigd ten behoeve van de Bank voor een bedrag van € 500.000,-- vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] en [eiseres 2], zowel van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben.

(iv) Medio november 2005 heeft de Bank een krediet in rekening-courant ten bedrage van € 3.200.000,-- verstrekt aan Peko-Group B.V., Fire Up B.V., Belex Kerkrade B.V. en Baronie/Fire-up Kaarsen, waarvan [eiser 1] directeur-grootaandeelhouder was. Tot de voorwaarden voor dit krediet behoorden dat [eiser 1] een borgtocht zou afgeven voor een bedrag van € 3.000.000,-- en dat hij voor die borgtocht zekerheid zou geven, onder meer in de vorm van een hypotheekrecht op de woning van hem en [eiseres 2].

(v) [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben bij akte van 8 november 2005 een derde hypotheek op hun woning gevestigd ten behoeve van de Bank voor een bedrag van € 1.200.000,-- vermeerderd met renten en kosten. Blijkens de hypotheekakte strekt de hypotheek tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank blijkens haar administratie van [eiser 1] en [eiseres 2] in privé alsmede van Belex Kerkrade B.V., Peko Group B.V. en Fire Up B.V., zowel van hen tezamen als van ieder afzonderlijk, te vorderen heeft of mocht hebben.

(vi) Bij akte van 9 november 2005 heeft [eiser 1] zich borg gesteld tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de Bank van Peko-Group B.V., Belex Kerkrade B.V. en Fire-up B.V. te vorderen heeft of mocht hebben. De borg bedraagt maximaal € 3.000.000,--. In de akte is opgenomen dat "De borg verklaart deze borgtocht te hebben gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de debiteur". [Eiseres 2] heeft de akte mee ondertekend, onder de in de akte opgenomen vermelding "Toestemming geregistreerde/gehuwde partner o.g.v. (art. 80b samen met) artikel 88 Boek 1 B.W."

(vii) Op 12 september 2006 is het faillissement van Peko-Group B.V. uitgesproken.

(viii) Medio januari 2007 is de woning van [eiser 1] en [eiseres 2] in opdracht van de Bank onderhands verkocht voor € 2.400.000,--. De Bank heeft de opbrengst in de eerste plaats doen strekken in mindering op de schulden waarvoor [eiser 1] de borgtocht had afgegeven. Daardoor resteerde een privéschuld van [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank van (op dat moment) € 991.115,50.

(ix) Bij brief van 5 mei 2008 heeft de Bank aan [eiser 1] en [eiseres 2] meegedeeld de aan hen verstrekte leningen met onmiddellijke ingang op te zeggen en hen gesommeerd de openstaande vordering (inmiddels opgelopen tot € 1.041.130,03) te voldoen.

3.2 De Bank vordert in deze procedure van [eiser 1] en [eiseres 2] betaling van € 1.047.552,03 uit hoofde van de door haar opgezegde leningen en de debetstand van de rekening-courantrekening.

[Eiser 1] en [eiseres 2] voeren als verweer dat de Bank geen beroep toekomt op de hiervoor in 3.1 onder (iv)-(vi) vermelde borgtocht en hypotheekverlening omdat de Bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht bij de totstandkoming daarvan. Zij had [eiser 1] en [eiseres 2], die beiden ook in privé klant waren van de Bank, moeten informeren omtrent de risico's van de borgtocht en hypotheekverlening. In dit verband hebben [eiser 1] en [eiseres 2] aangevoerd dat als gevolg van de borgtocht en de daarop aansluitende hypotheekverlening de Bank voor de schulden van de vennootschappen verhaal kon nemen op de woning van [eiser 1] en [eiseres 2], waardoor de kans bestond dat zij hun privéschulden aan de Bank niet meer uit (de tot dan toe daarvoor toereikende goederen van) de huwelijksgoederengemeenschap konden voldoen. Voor [eiseres 2] zou dit laatste bovendien tot gevolg hebben dat het privévermogen dat zij heeft verkregen uit de erfenis van haar ouders, daartoe voor een aanzienlijk bedrag zou moeten worden aangewend. Een en ander was de Bank duidelijk, maar [eiser 1] en [eiseres 2] niet. In verband met een en ander hebben [eiser 1] en [eiseres 2] een beroep gedaan op dwaling en misbruik van omstandigheden. Voorts hebben zij onder meer aangevoerd dat de Bank hen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de borgtocht en aan de daarvoor door [eiseres 2] op grond van art. 1:88 BW gegeven toestemming heeft kunnen houden, noch aan de in verband met die borgtocht verleende hypotheek.

In reconventie hebben [eiser 1] en [eiseres 2] onder andere terugbetaling door de Bank gevorderd van hetgeen door hen op grond van borgtocht en hypotheekverlening is voldaan van de schulden van de vennootschappen.

3.3 De rechtbank heeft de vordering van de Bank toegewezen en die van [eiser 1] en [eiseres 2] afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof (dat blijkens rov. 19 van zijn arrest veronderstellenderwijs tot uitgangspunt heeft genomen dat in dit geval geen sprake is van een borgtocht als bedoeld in art. 1:88 lid 5 BW) onder meer het volgende overwogen.

(a) Het beroep op dwaling en misbruik van omstandigheden is onvoldoende onderbouwd. [Eiser 1] en [eiseres 2] hebben in dit verband niet gesteld dat de Bank wist dat zij uitgingen van een onjuist beeld van de gevolgen van de borgtocht. Evenmin hebben zij aangevoerd dat sprake was van een zwakkere positie die hen heeft bewogen met de borgtocht in te stemmen (rov. 8-14). Deze oordelen zijn in cassatie niet bestreden.

(b) De Bank behoefde [eiser 1] niet nader te informeren omtrent de risico's van de borgtocht. Het was duidelijk voor welke schulden hij zich borg stelde. De reikwijdte van de zorgplicht van een bank in geval van een particuliere borgtocht moet steeds worden bezien in de context van de algemene en specifieke deskundigheid van beide partijen. In dat verband stelt het hof vast dat [eiser 1], die een studie notarieel recht heeft voltooid en vervolgens een zestal jaren als kandidaat-notaris respectievelijk bankfunctionaris heeft gewerkt, niet geacht kan worden te behoren tot de groep van meest kwetsbare en mitsdien beschermingswaardige deelnemers aan het rechtsverkeer, welke specifieke kennis hij dan ook mag hebben overgehouden van zijn studie en de daarop volgende werkzaamheden in een juridische functie. Bovendien was [eiser 1] de bestuurder van de rechtspersonen waarvoor hij borg stond, zodat niet gesproken kan worden van een particulier die zich onwetend van de risico's die hij loopt en ondoordacht of in misplaatst vertrouwen op een goede afloop dan wel op basis van een persoonlijke relatie tot de schuldenaar, stort in een hachelijk financieel avontuur (rov. 40-41).

(c) De Bank behoefde evenmin [eiseres 2] te informeren omtrent de gevolgen van de borgtocht en van haar toestemming voor het aangaan daarvan op grond van art. 1:88 BW. Anders dan [eiser 1] en [eiseres 2] aanvoeren vloeit die plicht niet voort uit het feit dat [eiseres 2] klant was bij de Bank, omdat de contractuele relatie tussen [eiseres 2] en de Bank op een andere grondslag berust en van een andere aard is dan de in de art. 1:88 en 89 BW besloten liggende beschermingsconstructie die (ook) los van elke contractuele relatie zijn werking heeft. Overigens is er onvoldoende grond om aan te nemen dat de Bank [eiser 1] welbewust op het verkeerde been heeft gezet of dat sprake is van boos opzet van haar zijde. Niet kan dan ook worden geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Bank [eiseres 2] houdt aan de door haar gegeven toestemming (rov. 21-24).

3.4 De klachten van onderdeel 1 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Hetzelfde geldt voor de klachten van onderdeel 6, die zich richten tegen het hiervoor in 3.3 onder (b) weergegeven oordeel van het hof. Een en ander behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu deze klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5.1 De onderdelen 2-5 keren zich tegen het hiervoor in 3.3 onder (c) weergegeven oordeel van het hof, welk oordeel aldus moet worden verstaan dat het mede berust op de overweging van de rechtbank die het hof in rov. 20 van zijn arrest aanhaalt, dat de taak van de schuldeiser om de borg te informeren omtrent de betekenis, gevolgen en risico's van de borgstelling zich niet uitstrekt tot het tevens informeren van de echtgenoot die op grond van art. 1:88 BW toestemming dient te geven.

3.5.2 Voor zover de onderdelen opkomen tegen laatst-genoemd oordeel van het hof, zijn ze ongegrond.

De zorgplicht van de schuldeiser jegens de borg strekt zich in beginsel niet uit tot de echtgenoot die op grond van art. 1:88 BW toestemming dient te geven voor de borgtocht. Een andere beslissing zou niet in overeenstemming zijn met de rechtszekerheid en de eisen van een vlot en ongestoord rechtsverkeer.

3.5.3 De onderdelen zijn echter gegrond voor zover zij betrekking hebben op het verwijt van [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank dat zij is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [eiseres 2] als haar klant. [eiser 1] en [eiseres 2] hebben in dit verband onder meer aangevoerd (i) dat, gelet op de vaststaande feiten dat [eiseres 2], net als [eiser 1], reeds geruime tijd (privé) vaste klant was van de Bank, dat zij tezamen met [eiser 1] een eerste en tweede hypotheek aan de Bank had verleend voor ten dele hun gemeenschappelijke privéschulden aan de Bank en dat zij tezamen met haar echtgenoot in verband met de borgstelling een derde hypotheek aan de Bank verleende, een contractuele relatie bestond tussen [eiseres 2] en de Bank waaruit voor de Bank een zorgplicht voortvloeide jegens haar, ook met betrekking tot de verlening van de borgtocht, (ii) dat de Bank wist dat [eiseres 2] (een aanzienlijk) privévermogen had, (iii) dat de Bank wist en overzag dat borgstelling en hypotheek tot gevolg konden hebben dat dit privévermogen zou (moeten) worden aangesproken voor de gemeenschappelijke schulden van [eiser 1] en [eiseres 2] aan de Bank die voordien geheel gedekt werden door de reeds verleende eerste en tweede hypotheek, en (iv) dat [eiseres 2] dit voor haar ernstige gevolg - haar privévermogen fungeerde als pensioenvoorziening - niet heeft voorzien en overzien ten tijde van (haar medewerking aan) borgstelling en hypotheek.

Het hof is ten onrechte zonder enige motivering voorbijgegaan aan deze stellingen die - indien feitelijk juist, en afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval - kunnen meebrengen dat de Bank bij het aangaan van de borgstelling en de verlening van de derde hypotheek gehouden was om [eiseres 2] te waarschuwen voor het risico dat haar privévermogen daardoor liep. Het tekortschieten in deze waarschuwingsplicht kan meebrengen dat de Bank door de werking van art. 6:248 lid 2 BW wordt beperkt in de mogelijkheid tot verhaal op het privévermogen van [eiseres 2] voor de gemeenschappelijke schulden van [eiser 1] en [eiseres 2]. Daarbij verdient opmerking dat de zorgplicht die de Bank in dit geval volgens de onderdelen heeft, geen verband houdt met het vereiste van art. 1:88 BW en dus niet afhangt van het antwoord op de vraag of voor de borgstelling de toestemming van [eiseres 2] was vereist.

3.5.4 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven. De overige klachten van de onderdelen 2-5 behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 augustus 2011;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;

veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] en [eiseres 2] begroot op € 1.926,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.