Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY7886

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
22-01-2013
Zaaknummer
11/00699
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY7886
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BH3079. Het Hof heeft ervan blijk gegeven te hebben onderzocht of verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor en of hem de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Het in ’s Hofs overweging besloten liggende oordeel dat verdachte uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht, is niet onbegrijpelijk en, in het licht van het verweer dat “niet kan worden uitgesloten dat [de verdachte] niet uit vrije wil het vakje heeft aangekruist dat hij geen gebruik wenste te maken van het consultatierecht”, toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/350
RvdW 2013/204
NJ 2013/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 januari 2013

Strafkamer

nr. S 11/00699

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 februari 2011, nummer 21/000558-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat sprake is van een vormverzuim, nu de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht, niet begrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

2.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar, voor zover van belang, het volgende aangevoerd:

"Er is gehandeld in strijd met de Salduzjurisprudentie. Mijn cliënt is onvoldoende gewezen op het recht om voorafgaand aan de inhoudelijke verhoren door de politie een advocaat te consulteren. Ik wijs in dit verband op pagina 107 van het dossier. In dat betreffende proces-verbaal is opgenomen dat indien mijn cliënt gebruik wilde maken van zijn consultatierecht hij in verzekering zou worden gesteld. Niet kan worden uitgesloten dat mijn cliënt niet uit vrije wil het vakje heeft aangekruist dat hij geen gebruik wenste te maken van het consultatierecht. We kunnen er niet vanuit gaan dat er sprake is van een 'informed conscent'. Nu niet kan worden aangenomen dat mijn cliënt afstand heeft gedaan, kunnen zijn verklaringen niet tot het bewijs worden gebezigd."

2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van 4 augustus 2009 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], (hoofd)inspecteur van politie verbonden aan de politie Gelderland-Zuid en tevens hulpofficier van justitie, inhoudende - voor zover hier van belang - (dossier pagina 107):

"Ik, verbalisant, [verbalisant 1], (hoofd)inspecteur van politie, tevens hulpofficier van justitie, verklaar hierbij dat ik de verdachte heb gewezen op zijn/haar recht om voorafgaand aan zijn/haar eerste verhoor overleg te plegen met een advocaat.

Verdachte:

Naam: [verdachte]

Geboren te: [geboorteplaats], op: [geboortedatum]-88

Wonende te: [woonplaats]

Deze verklaarde:

U heeft mij gewezen op mijn recht, om voorafgaand aan mijn eerste verhoor overleg te plegen met een advocaat.

U heeft mij ook uitgelegd dat indien ik gebruik wens te maken van dit recht, ik conform de richtlijnen in verzekering zal worden gesteld door een hulpofficier van justitie.

- Ik wens gebruik te maken van het recht tot consultatie van een advocaat voor aanvang van het verhoor.

- Ik wens GEEN gebruik te maken van het recht tot consultatie van een advocaat voor aanvang van het verhoor.

------------[handtekening van de verdachte]

Verdachte"

2.4. Het Hof heeft het verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:

"Salduz

Door de raadsman is naar voren gebracht dat door de politie in strijd is gehandeld met de zogenaamde Salduzjurisprudentie en dat zijn cliënt niet of onvoldoende is gewezen op het recht om voorafgaand aan de inhoudelijke verhoren door de politie een advocaat te consulteren. De raadsman heeft in dit verband ook gewezen op een passage op pagina 107 van het proces-verbaal waarin is opgenomen dat de verdachte in verzekering zal worden gesteld indien hij gebruik wenst te maken van het consultatierecht. Naar de stelling van de raadsman kan niet worden uitgesloten dat zijn cliënt om die reden heeft aangekruist geen gebruik te willen maken van het recht tot consultatie van een advocaat.

Het hof is van oordeel dat de door de raadsman aangehaalde tekst enigszins ongelukkig is geformuleerd maar dat op grond daarvan niet kan worden vastgesteld dat verdachte niet vrij is geweest om een keuze te maken. Het hof gaat er van uit dat met de door de raadsman aangehaalde passage bedoeld is om indien daarvoor aanleiding is, in het belang van de verdachte, versneld de procedure van de inverzekeringstelling in gang te kunnen zetten zodat niet nodeloos tijd verloren gaat en dat van die inverzekeringstelling melding kan worden gedaan aan een advocaat.

Het hof stelt vast dat de verdachte hiermee is gewezen op zijn consultatierecht hetgeen betekent dat de door de verdachte nadien afgelegde verklaringen kunnen worden gebruikt voor het bewijs."

2.5. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349, het volgende overwogen:

"2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken."

2.6. Het Hof heeft, blijkens diens onder 2.4 weergegeven overwegingen, ervan blijk gegeven te hebben onderzocht of de verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaand aan het eerste politieverhoor en of hem de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de verdachte uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht. Dat oordeel is, gelet op de inhoud van het onder 2.3 weergegeven proces-verbaal, niet onbegrijpelijk en in het licht van het hiervoor onder 2.2 weergegeven verweer dat "niet kan worden uitgesloten dat [de verdachte] niet uit vrije wil het vakje heeft aangekruist dat hij geen gebruik wenste te maken van het consultatierecht", toereikend gemotiveerd.

2.7. Het middel faalt.

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 22 januari 2013.