Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY7845

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2013
Datum publicatie
01-03-2013
Zaaknummer
12/00714
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY7845
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6579, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2010:BT6272, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6275, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding immateriële schade, onrechtmatige kwalificatie in dagblad. Getuigenverhoor, bevoegdheid rechter te beletten dat aan vraag gevolg wordt gegeven, art. 179 lid 2 Rv. Botsing recht op journalistieke bronbescherming met recht op eerlijk proces en op bescherming persoonlijke levenssfeer. Reikwijdte art. 10 EVRM, ‘overriding requirement in the public interest’, EHRM 22 november 2012, Appl.nr. 39315/06)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/333
NJB 2013/561
RAV 2013/52
NJ 2013/337 met annotatie van E.J. Dommering
JWB 2013/128
NTM/NJCM-bull. 2013/54 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 maart 2013

Eerste Kamer

12/00714

EE/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], Duitsland,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.I. van Vlijmen,

t e g e n

1. UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V.,

gevestigd te Maastricht,

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. R.F. Thunnissen, thans mr. W.A. Hoyng.

Eiser zal hierna ook worden aangeduid als [eiser]; verweerders zullen in enkelvoud worden aangeduid als respectievelijk De Limburger, [verweerder 2] en [verweerder 3]; en gezamenlijk als De Limburger c.s.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 120425/HA ZA 07-548 van de rechtbank Maastricht van 12 maart 2008;

b. de arresten in de zaak HD 200.008.642 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 februari 2010, 27 mei 2010 en 27 september 2011.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Limburger c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor De Limburger c.s. mede door mr. W.A. Hoyng, advocaat te Amsterdam, en mr. J.L.J.E. Koster, advocaat te Maastricht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] heeft van 1997 tot eind 2006 in een appartementencomplex in Arcen gewoond. In die tijd heeft [eiser] gedurende twee periodes zitting gehad in het bestuur van de vereniging van eigenaren van het appartementencomplex.

(ii) [Eiser] was van begin 2003 tot het voorjaar van 2006 lid van de raad van de gemeente Arcen en Velden.

(iii) De Limburger is uitgeefster van het dagblad De Limburger, dat vooral in Limburg wordt verspreid en gelezen.

(iv) [Verweerder 2] en [verweerder 3] waren in de relevante periode in journalistieke functies werkzaam in dienst van De Limburger.

(v) In de maanden augustus en november 2005 zijn in het dagblad De Limburger artikelen gepubliceerd, geschreven door [verweerder 2] en [verweerder 3]. In deze artikelen werd een negatief beeld van [eiser] geschetst. In het kader daarvan werd bericht dat personen uit de omgeving van [eiser] hem betitelden als '(psychologisch) terrorist' en 'querulant'.

3.2 [Eiser] heeft gevorderd dat De Limburger c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van zijn immateriële schade, te begroten op € 10.000,--, daartoe aanvoerend dat hij door de betiteling '(psychologisch) terrorist' in zijn persoonlijke integriteit was aangetast, terwijl onvoldoende wederhoor had plaatsgevonden.

3.3.1 Voor zover in cassatie van belang spitste het geschil in hoger beroep zich toe op de vraag of het gebruik door De Limburger c.s. van de betiteling '(psychologisch) terrorist' jegens [eiser] onrechtmatig was.

3.3.2 In het tussenarrest heeft het hof voor de beoordeling van dit geschilpunt van beslissend belang geacht of zich inderdaad de situatie aandiende dat - voordat De Limburger c.s. tot publicatie overgingen - meerdere bewoners van het appartementencomplex [eiser] 'terrorist' en 'psychologisch terrorist' noemden dan wel dat De Limburger c.s. er niet lichtvaardig vanuit gingen dat dit het geval was. In aansluiting hierop heeft het hof aan De Limburger c.s. bewijs van hierop betrekking hebbende feiten en omstandigheden opgedragen.

3.3.3 In het kader van de bewijslevering is aan de kant van De Limburger c.s. een bewoner van het appartementencomplex, [betrokkene 1], als getuige opgeroepen en verschenen. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat onder meer tijdens een bijeenkomst waarop hij, andere bewoners van het appartementencomplex en een journalist van De Limburger aanwezig waren, inderdaad uitlatingen van die strekking zijn gedaan.

3.3.4 Tijdens het getuigenverhoor is van de kant van [eiser] aan [betrokkene 1] gevraagd naar (i) de naam van een tijdens de bijeenkomst aanwezige bewoner van het appartementencomplex van wie [betrokkene 1] verklaarde zich de identiteit te herinneren, en (ii) het adres van het appartement waar de bijeenkomst plaatsvond.

Van de kant van De Limburger c.s. is bezwaar gemaakt tegen beantwoording van deze vragen, omdat dit zou leiden tot openbaarmaking van de bronnen waarop De Limburger de gewraakte publicaties mede had gebaseerd, terwijl openbaarmaking van die bronnen in dit geval op ernstige bezwaren zou stuiten.

De raadsheer-commissaris heeft dit bezwaar gehonoreerd, en [betrokkene 1] belet op deze vragen antwoord te geven. Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor heeft de raadsheer-commissaris daartoe als volgt overwogen:

- Beide partijen gehoord hebbende belet de raadsheer-commissaris [betrokkene 1] antwoord te geven op de vraag hoe de naam luidt van de ene bewoner waarvan [betrokkene 1] zich de identiteit kan herinneren, en wat het adres is van het appartement waar de bespreking werd gehouden (art. 179 lid 2 Rv).

Ter motivering van deze beslissing stelt de raadsheer-commissaris voorop dat het gaat om een botsing van fundamentele rechten, namelijk aan de zijde van De Limburger c.s. het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder het recht op bronbescherming, en aan de zijde van [eiser] zijn recht op een eerlijk proces - waaronder zijn recht om zich naar behoren te kunnen verweren tegen de verklaringen van de getuigen van De Limburger c.s. en het (maatschappelijke) belang bij waarheidsvinding in rechte - alsmede het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Het antwoord op de vraag welk van de belangen in het onderhavige geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van de omstandigheden van het geval. Overigens komt [betrokkene 1] geen verschoningsrecht toe, nu hij niet als journalist bij de totstandkoming van de bewuste artikelen van 25 augustus en 15 november 2005 betrokken is geweest.

Naar het oordeel van de raadsheer-commissaris zou het niet beletten van beantwoording van de desbetreffende vraag naar alle waarschijnlijkheid ertoe leiden dat van tenminste één en mogelijk twee (wanneer de bewoner van het appartement waar de bespreking werd gehouden niet dezelfde is als degene van wie [betrokkene 1] zich de identiteit nog kan herinneren) van de bronnen van De Limburger c.s. de identiteit bekend zal worden. Hoewel deze identiteit alsdan niet zou zijn onthuld door de desbetreffende journalist, heeft het de facto toch bekend raken van de identiteit van de bron(nen) in het kader van een procedure waarin deze journalist op de desbetreffende publicatie wordt aangesproken, mogelijk een verkillend effect op de vrijheid van meningsuiting, met name het recht op bronbescherming. In dit stadium van de getuigenverhoren bestaat er naar het oordeel van de raadsheer-commissaris onvoldoende noodzaak voor een dergelijke inbreuk op de vrijheid van meningsuiting."

3.3.5 In het eindarrest heeft het hof geoordeeld dat De Limburger c.s. in voldoende mate erin waren geslaagd het aan hen opgedragen bewijs te leveren. Naar het oordeel van het hof was aldus niet komen vast te staan dat De Limburger c.s. jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld. Het hof heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3.4.1 Onderdeel 1 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de beslissing van de raadsheer-commissaris om de getuige [betrokkene 1] te beletten antwoord te geven op de hiervoor in 3.3.4 weergegeven vragen. Deze klachten missen doel.

3.4.2 In de eerste plaats is van belang dat de in art. 179 lid 2 Rv neergelegde bevoegdheid van de rechter om te beletten dat gevolg wordt gegeven aan een bepaalde vraag die door een partij of haar raadsman aan een getuige wordt gesteld, niet slechts is gegeven met het oog op de situatie dat deze vraag - naar het oordeel van de rechter - onbehoorlijk, suggestief of irrelevant is (Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 273). De rechter kan deze bevoegdheid ook aanwenden om te voorkomen dat beantwoording van de aan de getuige gestelde vraag het recht op journalistieke bronbescherming in gevaar brengt.

In de tweede plaats verdient opmerking dat voor de toepassing van art. 179 lid 2 Rv niet van belang is door welke partij de getuige is opgeroepen.

In de derde plaats merkt de Hoge Raad op dat de rechter zijn in art. 179 lid 2 Rv neergelegde bevoegdheid kan aanwenden zowel in het geval van het verhoor van een getuige die te kennen geeft geen beroep te doen op een hem - op de voet van art. 165 lid 2 of 3 Rv - toekomend verschoningsrecht, als in het geval van het verhoor van een getuige aan wie geen verschoningsrecht toekomt (vgl. voor het laatste geval HR 10 april 2009, LJN BG9470, NJ 2010/471, rov. 3.6.3). De rechter kan steeds beletten dat gevolg wordt gegeven aan een bepaalde vraag die door een partij of haar raadsman aan een getuige wordt gesteld, ongeacht of de getuige zelf bereid is deze vraag te beantwoorden.

Onderdeel 1.2 berust op een andere rechtsopvatting met betrekking tot art. 179 lid 2 Rv en faalt derhalve, evenals onderdeel 1.3 voor zover het van deze andere rechtsopvatting uitgaat.

3.4.3 In het onderhavige geval heeft de raadsheer-commissaris zijn beslissing om op de voet van art. 179 lid 2 Rv te beletten dat gevolg werd gegeven aan de aan [betrokkene 1] gestelde vragen, gestoeld op een afweging, aan de hand van de omstandigheden van het geval, van de hier botsende fundamentele rechten, te weten: enerzijds het recht van De Limburger c.s. op vrijheid van meningsuiting, waaronder het recht op bronbescherming, en anderzijds het recht van [eiser] op een eerlijk proces, waaronder zijn recht om zich naar behoren te kunnen verweren en het (maatschappelijke) belang bij waarheidsvinding in rechte, alsmede het recht van [eiser] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. In dit kader heeft de raadsheer-commissaris overwogen dat het niet beletten van de aan [betrokkene 1] gestelde vragen naar alle waarschijnlijkheid ertoe zou leiden dat van tenminste één (en mogelijk twee) van de bronnen van De Limburger c.s. de identiteit bekend werd, en dat - hoewel deze identiteit dan niet zou zijn onthuld door de betrokken journalist - het in feite toch bekend raken van de identiteit van de bron(nen) in het kader van een procedure waarin deze journalist op de desbetreffende publicatie werd aangesproken, mogelijk een verkillend effect op de vrijheid van meningsuiting, met name het recht van bronbescherming, heeft. Op grond van een en ander heeft de raadsheer-commissaris geoordeeld dat er in dat stadium van de getuigenverhoren onvoldoende noodzaak bestond voor een dergelijke inbreuk op de vrijheid van meningsuiting.

3.4.4 Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van het uit art. 10 EVRM voortvloeiende recht op journalistieke bronbescherming, waarop De Limburger c.s. zich jegens [eiser] in het kader van het verhoor van de getuige [betrokkene 1] hebben beroepen. Daarbij is van belang dat het EHRM heeft geoordeeld - onder beklemtoning van het belang van journalistieke bronbescherming voor de persvrijheid in een democratische samenleving en van het mogelijk verkillende effect op de uitoefening van deze vrijheid van een bevel om bronnen te onthullen - dat een dergelijk bevel niet met art. 10 EVRM strookt, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door 'an overriding requirement in the public interest' (vgl. EHRM 22 november 2012, Appl. nr. 39315/06, Telegraaf Media c.s./Nederland, rov. 127, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak).

Het oordeel van de raadsheer-commissaris is voorts voldoende gemotiveerd, ook wat betreft zijn overweging dat het aan [eiser] toekomende recht op een eerlijk proces, waaronder zijn recht om zich naar behoren te kunnen verweren tegen de aan de orde zijnde aantijgingen en het (maatschappelijke) belang bij waarheidsvinding in rechte, in dit geval moet wijken voor het recht op journalistieke bronbescherming.

De klachten van de onderdelen 1.3 en 1.4 stuiten op het vorenstaande af.

3.5 De klachten van onderdeel 2 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Limburger c.s. begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 maart 2013.