Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY5307

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2013
Datum publicatie
22-03-2013
Zaaknummer
12/02180
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY5307
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1131, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 13 Wet BRV. Verkoop appartement na oplevering.Vermindering van overdrachtsbelasting i.v.m. door vorige verkrijgers betaalde grondprijs, omdat die vorige verkrijging (zijnde een levering in de zin van de Wet OB) heeft plaatsgevonden binnen de zesmaandstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2871
V-N Vandaag 2013/722
V-N 2013/17.22 met annotatie van Redactie
RN 2013/57
Belastingadvies 2013/9.9
BNB 2013/133 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
FED 2013/54 met annotatie van A. Rozendal
FutD 2013-0788 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2013

Nr. 12/02180

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 maart 2012, nr. BK 11/00187, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van een onroerende zaak op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen de voldoening van dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 10/6869 OVDRBL) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 13 november 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 13 juli 2007 hebben B en C (hierna: de vorige verkrijgers) een koop/aanneemovereenkomst gesloten met A B.V. betreffende een appartementsrecht, recht gevend op 123/4506ste aandeel in een te stichten gebouw met bijbehorende grond. De totale koop/aanneemsom bedroeg € 394.000 (inclusief omzetbelasting).

3.1.2. Bij akte van 19 oktober 2007 is het appartementsrecht aan de vorige verkrijgers geleverd. Bij die levering is door de vorige verkrijgers een bedrag van € 158.000 inclusief omzetbelasting (dat is € 132.773 exclusief omzetbelasting) betaald, zijnde de grondkosten. Tot de oplevering van het appartement hebben de vorige verkrijgers vervolgens in zeven termijnen in totaal een bedrag van € 236.000 inclusief omzetbelasting betaald (dat is € 198.319 exclusief omzetbelasting). De vorige verkrijgers konden de omzetbelasting niet in aftrek brengen. De oplevering van het appartement vond plaats op 17 juni 2009.

3.1.3. Op 8 juli 2009 heeft belanghebbende het appartementsrecht van de vorige verkrijgers gekocht voor een bedrag van € 410.000. De levering heeft plaatsgevonden op 11 september 2009. Ter zake van deze verkrijging heeft belanghebbende op aangifte € 12.699 aan overdrachtsbelasting voldaan, waarbij de regeling van artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet BRV) is toegepast in die zin, dat de waarde van het appartementsrecht daarbij is verminderd met het hiervoor in 3.1.2 bedoelde bedrag van € 198.319.

3.2. Voor het Hof was in geschil tot welk bedrag belanghebbende op de voet van artikel 13 van de Wet BRV recht heeft op vermindering van overdrachtsbelasting wegens verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van een vorige verkrijging. Het geschil spitste zich toe op de vraag of ook het bedrag dat de vorige verkrijgers bij de in 3.1.2 vermelde levering in 2007 (exclusief omzetbelasting) hebben betaald, geheel of ten dele op de voet van artikel 13 van de Wet BRV in mindering kan worden gebracht op de waarde waarover belanghebbende overdrachtsbelasting dient te voldoen.

3.3. De Rechtbank heeft overwogen dat alleen de oplevering van het appartement heeft plaatsgevonden binnen zes maanden vóór de verkrijging door belanghebbende, zodat vermindering van de overdrachtsbelasting op de voet van artikel 13 van de Wet BRV slechts wordt verleend voor het bedrag waarover ter zake van de oplevering van het appartement omzetbelasting verschuldigd was.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat de vorige verkrijgers eigenaar zijn geworden van het gebouwde door natrekking. Ingevolge artikel 3, lid 1, letter c, van de Wet BRV wordt verkrijging door natrekking niet onder het begrip verkrijging in de zin van de Wet BRV gebracht, zodat de verkrijging door natrekking geen onderdeel kan vormen van de vorige verkrijging in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet BRV, aldus het Hof.

3.4.1. Tegen deze in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof richten zich de middelen. Het middel wordt terecht voorgesteld voor zover het zich richt tegen het oordeel van het Hof dat artikel 13, lid 1, van de Wet BRV in het onderhavige geval niet kan worden toegepast omdat de vorige verkrijgers eigenaar zijn geworden van het gebouw door natrekking.

3.4.2. Op grond van artikel 13, lid 1, van de Wet BRV wordt in geval van verkrijging binnen zes maanden na een vorige verkrijging van dezelfde goederen door een ander, de waarde verminderd met het bedrag waarover ter zake van de vorige verkrijging hetzij overdrachtsbelasting, hetzij op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet aftrekbare omzetbelasting verschuldigd was. Aangezien omzetbelasting niet wordt geheven ter zake van een verkrijging maar, voor zover hier van belang, ter zake van een levering, brengt een zinvolle uitleg van deze bepaling mee dat in gevallen waarin sprake is geweest van verschuldigdheid van omzetbelasting, onder "vorige verkrijging" wordt verstaan: een vorige levering in de zin van de omzetbelasting (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 41510bis, LJN BN0646, BNB 2012/140, onderdeel 2.3). Daarop wijst ook de in onderdeel 5.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal geciteerde parlementaire geschiedenis. Daaruit volgt dat artikel 13, lid 1, van de Wet BRV onder meer van toepassing is indien een particulier door een aannemer een huis laat bouwen en dat huis binnen de in artikel 13 van de Wet BRV genoemde termijn na de oplevering verkoopt. Nu deze parlementaire toelichting daarvoor geen uitzondering maakt, moet worden aangenomen dat zij ook ziet op gevallen waarin het huis wordt gebouwd op eigen grond van een particulier. Ook dan is immers sprake van een aan de heffing van omzetbelasting onderworpen levering (artikel 3, aanhef en lid 1, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968). De omstandigheid dat in dat geval de eigendom van de opstal door natrekking wordt verkregen, staat niet in de weg aan toepassing van artikel 13, lid 1, van de Wet BRV.

3.5.1. De hiervoor in 3.1.1 en 3.1.2 vermelde feiten laten in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van 19 november 2009, Don Bosco, C-461/08, BNB 2011/14, geen andere conclusie toe dan dat de handelingen van de aannemer jegens de vorige verkrijger met betrekking tot de grond en het appartement voor de heffing van omzetbelasting tezamen als één prestatie moeten worden beschouwd, en wel als de levering van een onroerende zaak in de zin van artikel 11, lid 1, letter a, 1e, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Die levering heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009, zijnde de datum waarop het appartement aan de vorige verkrijger werd opgeleverd.

3.5.2. In het licht van hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen met betrekking tot het begrip vorige verkrijging, brengt dit mee dat ook de verkrijging door belanghebbende van een breukgedeelte van de grond op 11 september 2009 geacht moet worden te hebben plaatsgevonden binnen zes maanden na de verkrijging daarvan door de vorige verkrijger. De hiervoor in 3.3 bedoelde oordelen van het Hof geven derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het eerste middel slaagt.

3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De middelen 2 en 3 behoeven geen behandeling.

3.7. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet de waarde van de verkrijging door belanghebbende worden verminderd met het bedrag van de totale door de vorige verkrijgers betaalde koop/aanneemsom, derhalve ook met de grondkosten (exclusief omzetbelasting). Dit brengt mee dat aan belanghebbende een teruggaaf van overdrachtsbelasting moet worden verleend van 6 percent van het hiervoor in 3.1.2 vermelde bedrag van € 132.773 = € 7967.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur,

verleent een teruggaaf ten bedrage van € 7967,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 112 en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 41, derhalve in totaal € 268,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.W.C. Feteris, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2013.