Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY4126

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2013
Datum publicatie
22-02-2013
Zaaknummer
12/01085
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY4126
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBHAA:2009:BH1221, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Luchtvaartwet. Art. 55-vordering; niet-ontvankelijkverklaring Luchthaven; eisen goede procesorde; belang van samenhangende beoordeling met vorderingen in de art. 50-procedure. Leer bindende eindbeslissing. Grenzen rechtsstrijd. Cassatie; ontvankelijkheid; art. 78 lid 5 RO, art. 398 Rv. Proceskostenveroordeling; toepasselijkheid art. 50 Ow.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/503
RvdW 2013/304
NJ 2013/432 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JWB 2013/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 februari 2013

Eerste Kamer

12/01085

EE/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

CHIPSHOL III B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. J.F. de Groot,

t e g e n

N.V. LUCHTHAVEN SCHIPHOL,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. P.A. Ruig, thans mr. M. Ynzonides.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Chipshol en de Luchthaven.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de navolgende vonnissen in de zaak 138638/HA ZA 07-1113 van de rechtbank Haarlem van 28 januari 2009 en 21 december 2011.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vonnissen van de rechtbank heeft Chipshol beroep in cassatie ingesteld. De Luchthaven heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Chipshol toegelicht door haar advocaat en mr. J.F. de Groot, advocaat te Amsterdam. Voor de Luchthaven is de zaak toegelicht door haar advocaat en mr. J.W.M.K. Meijer, advocaat te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank Haarlem van 21 december 2011 en tot verwijzing naar het gerechtshof te Amsterdam en in het incidentele cassatieberoep tot niet-ontvankelijkverklaring van de Luchthaven in dat beroep.

Zowel de advocaat van Chipshol als de advocaat van de Luchthaven heeft bij brief van 30 november 2012 op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij akte van 22 december 1993 heeft [betrokkene 1] enige percelen land nabij de Fokkerweg in de gemeente Haarlemmermeer (hierna ook: het [A-]terrein) in economische eigendom overgedragen aan Chipshol.

(ii) Op 11 februari 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het [A-]terrein (fase I).

(iii) Bij besluit van 19 februari 2003, bekendgemaakt op 20 februari 2003, heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat de bouwmogelijkheden op het [A-]terrein ingevolge art. 38 LVW beperkt (hierna: het bouwverbod).

(iv) Krachtens het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) geldt vanaf 20 februari 2003 een strikt regime voor de maximale hoogte van bouwwerken rondom het luchtvaartterrein Schiphol. Deze maximale bouwhoogten zijn gelijk aan de maximale bouwhoogten uit het bouwverbod.

(v) Op 6 mei 2003 heeft de gemeente Haarlemmermeer aan Chipshol twee bouwvergunningen verleend voor het bouwen van bedrijfspanden en kantoren op het [A-]terrein (fase II).

(vi) Op 16 september 2003 heeft Chipshol de Luchthaven gedagvaard voor de rechtbank Haarlem (hierna: de art. 50-procedure) en gevorderd dat - kort samengevat - de Luchthaven op grond van art. 50 LVW wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die Chipshol heeft geleden ten gevolge van het bouwverbod op het [A-]terrein. Chipshol heeft op grond van een provisioneel vonnis van de rechtbank Haarlem van 13 juni 2007 in de art. 50-procedure op 19 juli 2007 van de Luchthaven een voorschot op door haar geleden schade ontvangen van € 19.000.000,--.

(vii) Bij besluit van 28 juni 2007 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat het bouwverbod met onmiddellijke ingang en onvoorwaardelijk opgeheven.

(viii) Bij akte van 23 november 2007 heeft [betrokkene 1] het na onteigening en gedeeltelijke overdrachten nog resterende gedeelte van het [A-]terrein geleverd aan Chipshol die dit vervolgens, met uitzondering van een door haarzelf behouden gedeelte, heeft geleverd aan 37 besloten vennootschappen (de Airside B.V.'s).

(ix) Bij eindvonnis van 30 januari 2008 heeft de rechtbank de Luchthaven in de art. 50-procedure veroordeeld tot betaling aan Chipshol van een bedrag van € 16.000.000,--, met rente.

(x) De Luchthaven en Chipshol hebben beiden cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank in de art. 50-procedure, alsmede tegen daaraan voorafgegane tussenvonnissen, waaronder het provisionele vonnis van 13 juni 2007. Bij arrest van 19 februari 2010, LNJ BK 4476, NJ 2011/121, heeft de Hoge Raad in beide cassatieberoepen het eindvonnis van de rechtbank van 30 januari 2008 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

3.2.1 In het onderhavige geding (hierna: de art. 55-procedure) heeft de Luchthaven diverse vorderingen ingesteld tegen Chipshol. Samengevat weergegeven komen deze vorderingen erop neer dat Chipshol zal worden veroordeeld het hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde bedrag van € 19.000.000,-- aan haar terug te betalen, met nevenvorderingen. De Luchthaven heeft deze vorderingen gebaseerd op onverschuldigde betaling, art. 55 LVW, ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad.

3.2.2 De rechtbank heeft dienaangaande in haar tussen-vonnis van 28 januari 2009, samengevat weergegeven, als volgt geoordeeld:

(a) de Luchthaven is niet-ontvankelijk in haar vordering uit onverschuldigde betaling voor zover deze erop is gebaseerd dat de Hoge Raad de door de rechtbank in de art. 50-procedure gewezen vonnissen zal vernietigen (rov. 5.1);

(b) de opheffing van het bouwverbod heeft niet tot waardevermeerdering van het [A-]terrein geleid, zodat de vordering van de Luchthaven zal worden afgewezen voor zover deze is gegrond op art. 55 LVW (rov. 5.2-5.17);

(c)de vordering van de Luchthaven zal worden afgewezen voor zover deze is gegrond op ongerechtvaardigde verrijking (rov. 5.18-5.19);

(d) omdat de opheffing van het bouwverbod niet tot waardevermeerdering van het [A-]terrein heeft geleid, heeft de Luchthaven geen vordering op grond van art. 55 LVW in verrekening kunnen brengen. De nadien gedane betaling aan Chipshol is derhalve niet onverschuldigd (rov. 5.21);

(e) de Luchthaven heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de gestelde handelwijze van Chipshol onrechtmatig is, zodat de vordering uit hoofde van onrechtmatig handelen zal worden verworpen (rov. 5.24);

(f) de vorderingen van de Luchthaven jegens Chipshol zullen dus worden afgewezen (rov. 5.25).

3.2.3 De rechtbank heeft evenwel nog geen eindvonnis uitgesproken maar de zaak, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, naar de parkeerrol van 7 oktober 2009 verwezen. Zij overwoog daartoe:

"5.26. De voorgaande overwegingen bevatten (...) bindende eindbeslissingen. Om redenen van proces-economie zal de rechtbank deze beslissing thans evenwel nog niet in een dictum neerleggen.

Die redenen zijn dat tal van uitgangspunten, die de rechtbank in de artikel 50 procedure heeft aanvaard en die de rechtbank ook in deze procedure tot uitgangspunt heeft genomen, thans onderwerp van debat zijn in de bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure. Niet ondenkbaar is dat de Hoge Raad uiteindelijk op een of meer punten anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Door nu reeds een eindvonnis te wijzen zouden partijen zich daarom, al was het maar ter bewaring van rechten, gedwongen kunnen voelen om daartegen cassatie in te stellen (voor zover de Luchthaven haar vordering op artikel 55 LVW heeft gebaseerd) dan wel in hoger beroep te gaan (voor zover de Luchthaven haar vordering op andere grondslagen heeft gebaseerd). Met name voor partij [betrokkene 1] zou dit een onaanvaardbare - en weinig nuttige - belasting vormen, maar ook voor de andere procespartijen zou dit alleen maar nadeel brengen en zou de procesrechtelijke kluwen van deze zaak alleen maar groter worden.

5.27. Het gegeven dat dit tussenvonnis bindende eindbeslissingen bevat, brengt met zich dat de rechtbank daarop, behoudens uitzonderingen, in haar eindvonnis niet zal kunnen terugkomen. In NJ 2008, 553 heeft de Hoge Raad, voor wat betreft die uitzonderingen, overwogen dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

5.28. Indien in de bij de Hoge Raad aanhangige cassatieprocedure in de artikel 50 procedure uiteindelijk zal blijken dat de Hoge Raad op een of meer punten anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan, zal dit voor de rechtbank aanleiding zijn om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissingen.

De rechtbank zal de zaak daarom naar de parkeerrol verwijzen teneinde de meest gerede partij de gelegenheid te geven het arrest van de Hoge Raad in de artikel 50 procedure in het geding te brengen."

3.2.4 Vervolgens heeft de Luchthaven het in de art. 50-procedure gewezen arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010 (zie hiervoor in 3.1 onder (x)) in het geding gebracht. Zij heeft primair geconcludeerd tot plaatsing van de zaak op de parkeerrol, in afwachting van de definitieve uitkomst van de art. 50-procedure, en subsidiair tot benoeming van deskundigen op de voet van art. 54 LVW. Chipshol heeft bij antwoord nadere conclusie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Luchthaven op de grond dat het arrest van de Hoge Raad in de art. 50-procedure geen afbreuk doet aan de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2009.

Zij heeft de rechtbank verzocht eindvonnis te wijzen overeenkomstig haar beslissingen in het tussenvonnis.

3.2.5 Bij eindvonnis heeft de rechtbank de Luchthaven niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen in de art. 55-procedure. Zij heeft daartoe het volgende overwogen (rov. 2.5):

"(...)

Gelet op het door de Hoge Raad gekozen uitgangspunt dat de in artikel 55 LVW bedoelde financiële gevolgen van de opheffing van het bouwverbod betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van artikel 50 LVW en het feit dat daarom na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure onder meer zal moeten worden bezien wat de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod betekent voor de door de Luchthaven te betalen schadevergoeding, ziet de rechtbank in deze artikel 55 LVW-procedure thans geen rol meer voor zich weggelegd. In dit rechtsvorderlijk vacuüm kiest zij er daarom uit oogpunt van doelmatigheid en goede procesorde voor om de Luchthaven niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu daarop reeds in de eerder dan deze procedure aanhangig gemaakte artikel 50 LVW-procedure door het gerechtshof zal worden beslist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit voormeld arrest volgt dat - anders dan bij tussenvonnis van 28 januari 2009 is aangenomen - de leer van de bindende eindbeslissing (ook) niet geldt in een procedure op de voet van artikel 55 LVW. Het moet daarom voor mogelijk worden gehouden dat de rechtbank in hetgeen partijen na bedoeld tussenvonnis in deze procedure naar voren hebben gebracht aanleiding ziet op eerdere beslissingen terug te komen op een wijze die mogelijk van invloed is op, of samenhangt met beslissingen die thans na verwijzing in de artikel 50 LVW-procedure expliciet aan het gerechtshof Amsterdam zijn opgedragen en voorbehouden. Dat acht de rechtbank onwenselijk.

Voorts valt niet uit te sluiten dat de inhoudelijke beslissing van de rechtbank op de artikel 55 LVW-vordering partijen zou nopen tot het instellen van cassatie, terwijl evenmin valt uit te sluiten dat ook het eindarrest van het gerechtshof in de artikel 50 LVW-procedure voor partijen daartoe aanleiding geeft. Daar waar uiteindelijk in een en dezelfde uitspraak beslist moet worden over de totale schadeloosstelling, komt het de rechtbank geraden voor dat die beslissing in al haar onderdelen nu al bij één instantie wordt geconcentreerd.

Anders dan de Luchthaven ter gelegenheid van het pleidooi heeft betoogd, laat het arrest van de Hoge Raad geen ruimte voor de mogelijkheid om na eindarrest in de artikel 50 LVW-procedure alsnog de onderhavige artikel 55 LVW-procedure inhoudelijk voort te zetten. Er bestaat daarom geen rechtens te respecteren belang om de zaak terug te plaatsen op de parkeerrol."

Ten slotte veroordeelde de rechtbank de Luchthaven, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten, berekend op de voet van het liquidatietarief.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het door Chipshol aangevoerde middel tegen de vonnissen van de rechtbank bevat met name de volgende, hierna kort samengevatte, klachten:

(1) De rechtbank is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden en heeft verzuimd de door partijen gewenste inhoudelijke uitspraak te doen. Geen van beide partijen heeft immers de niet-ontvankelijkverklaring van de Luchthaven in de art. 55-procedure gevorderd of daartoe geconcludeerd. Zonder bijzondere grondslag, ontleend aan fundamentele rechtsbeginselen of de openbare orde, bestaat voor de rechtbank geen ruimte om het door de Luchthaven aangevangen geding af te doen met een niet-toelaatbare verrassingsbeslissing die in feite neerkomt op het weigeren van een inhoudelijk oordeel (onderdeel 2.1.1).

(2) Voor zover de rechtbank zich heeft laten leiden door rov. 6.6.4 van het arrest van de Hoge Raad in de art. 50-procedure heeft zij een onjuiste, althans onbegrijpelijk gemotiveerde, toepassing aan dat arrest gegeven. De procedure na cassatie en verwijzing in de art. 50-procedure raakt immers op zichzelf niet het samenstel van beslissingen dat de rechtbank in haar tussenvonnis had gegeven (onderdeel 2.1-2.1.5).

(3) Het zou in strijd zijn met een goede procesorde als de Luchthaven ten overstaan van het hof in de art. 50-procedure een integrale herkansing zou krijgen (onderdeel 2.1.6).

(4) Het oordeel van de rechtbank dat de Luchthaven ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard wat betreft de andere grondslagen van haar vorderingen dan art. 55 LVW is onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd (onderdelen 2.2.2-2.2.3).

(5) De beslissing van de rechtbank omtrent de proceskosten is onjuist, althans onbegrijpelijk gemotiveerd, nu zij heeft miskend dat de art. 55-procedure naar redelijke wetsuitleg wordt beheerst door de bepalingen van de Onteigeningswet, zodat de veroordeling moet plaatsvinden op basis van de werkelijk gemaakte proceskosten (onderdelen 2.3.2-2.3.3).

De niet-ontvankelijkverklaring van de Luchthaven in haar vorderingen, voor zover gebaseerd op art. 55 LVW

4.2 De hiervoor in 4.1 onder (1)-(3) samengevat weergegeven klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld.

Bij de beoordeling van de klachten dient tot uitgangspunt hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn hiervoor al enkele malen genoemde arrest van 19 februari 2010 dat is uitgesproken in de art. 50-procedure:

"6.6.3 Weliswaar heeft de wetgever voor de vergoedingsverplichting die ontstaat na waardevermeerdering van de grond door opheffing van een eerder ten aanzien van die grond opgelegd bouwverbod in een aparte procedure voorzien bij art. 55 LVW, maar de parlementaire geschiedenis van de Luchtvaartwet biedt geen aanknopingspunt voor de opvatting dat vergoeding van een waardevermeerdering uitsluitend in een afzonderlijke procedure kan worden gevorderd. De wetgever heeft met art. 55 LVW beoogd uit een oogpunt van billijkheid de exploitant van een luchtvaartterrein in de gelegenheid te stellen de door hem betaalde schadevergoeding geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, om te voorkomen dat de gerechtigden op de terreinen onredelijk zouden worden verrijkt (...). De keuze van de wetgever voor een aparte procedure is klaarblijkelijk slechts ingegeven door de mogelijkheid dat een bouwverbod pas wordt opgeheven als de naar aanleiding van de oplegging van dat bouwverbod in gang gezette procedure van art. 50 LVW reeds is afgerond.

De omstandigheid dat vergoeding van de waardevermeerdering in de procedure van art. 50 LVW niet bij wege van reconventie is gevorderd, staat evenmin eraan in de weg met deze waardevermeerdering rekening te houden bij de vaststelling van de schadeloosstelling in het geval, zoals hier, het bouwverbod reeds in de loop van de procedure is opgeheven.

6.6.4. Resteert de vraag of de in art. 55 LVW bedoelde financiële gevolgen van de opheffing van het bouwverbod in het onderhavige geval betrokken dienen te worden bij de vaststelling van de schadeloosstelling op de voet van art. 50 LVW.

Voor een bevestigende beantwoording pleit dat de eventuele waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod rechtstreeks van invloed is op de schade die als gevolg van de oplegging van het verbod is geleden, hetgeen strookt met het algemene uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht dat de gelaedeerde niet meer kan verkrijgen dan de door hem werkelijk geleden schade. Daarvoor pleiten bovendien eisen van doelmatigheid: de gehele schadebegroting blijft aldus bijeen en kan, zonodig na nadere bewijslevering, in een en dezelfde procedure worden beslist.

De (...) afzonderlijke procedure op de voet van art. 55 LVW behoeft aan een gezamenlijke beoordeling van de schadebegroting niet in de weg te staan. Mogelijk is immers dat na verwijzing de rechter in de onderhavige procedure op het punt van de waardevermeerdering de uitkomst van de art. 55 LVW-procedure afwacht. Mogelijk is ook dat de art. 55 LVW-procedure wordt beëindigd en het debat op voormeld punt in de onderhavige procedure wordt gevoerd."

4.3.1 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis de art. 55-procedure aangehouden vanwege de mogelijkheid dat de Hoge Raad in de art. 50-procedure op een of meer punten anders zou oordelen dan de rechtbank in de art. 55-procedure had gedaan. Uit rov. 6.6.3 van het arrest van de Hoge Raad in de art. 50-procedure bleek vervolgens dat in een geval als het onderhavige, waarin het bouwverbod met betrekking tot het [A-]terrein reeds in de loop van de art. 50-procedure is opgeheven (zie hiervoor in 3.1 onder (vii)), het debat over de daardoor eventueel veroorzaakte waardevermeerdering van dat terrein niet noodzakelijk in een afzonderlijke art. 55-procedure behoeft te worden gevoerd. Met deze waardevermeerdering kan rekening worden gehouden bij de vaststelling van de schadeloosstelling in de art. 50-procedure, ook zonder dat een daartoe strekkende vordering in reconventie is ingesteld, aldus nog steeds het arrest.

Het daarop door de rechtbank gewezen eindvonnis in de onderhavige art. 55-procedure moet in die zin worden verstaan dat de rechtbank, gelet op de uit het arrest van de Hoge Raad gebleken mogelijkheden om de art. 55-procedure af te doen, bij heroverweging de voorkeur eraan gaf de Luchthaven niet-ontvankelijk in haar vorderingen te verklaren, gelet op de nauwe samenhang tussen enerzijds de schade die Chipshol heeft geleden door het bouwverbod, en anderzijds de waardevermeerdering die eventueel voor Chipshol voortvloeide uit de opheffing van dat verbod. Deze nauwe samenhang brengt mee dat de daarop door partijen over en weer gebaseerde vorderingen uit een oogpunt van doelmatigheid en een goede procesorde in dezelfde procedure moeten worden beoordeeld, namelijk in de bij het gerechtshof Amsterdam aanhangige art. 50-procedure.

Dit aldus te begrijpen oordeel van de rechtbank berust niet op een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

4.3.2 Anders dan Chipshol betoogt, is zij door dat oordeel niet onaanvaardbaar in haar belangen geschaad; daaraan doet niet af dat de rechtbank de vrijheid had de art. 55-procedure zelf op inhoudelijke gronden af te doen. Het is op zichzelf waar dat zij in rov. 5.25 van haar tussenvonnis heeft overwogen dat de vorderingen van de Luchthaven jegens Chipshol zullen worden afgewezen, en in rov. 5.26 dat de daaraan ten grondslag liggende oordelen als eindbeslissingen zijn aan te merken (zie hiervoor in 3.2.2 onder (f) en in 3.2.3). Maar zoals de rechtbank terecht in haar eindvonnis heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in zijn voormelde arrest geoordeeld dat de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt in een procedure op de voet van art. 50 LVW. Op dezelfde gronden als in dat arrest onder 6.5.2 uiteengezet, geldt dit ook in een procedure op de voet van art. 55 LVW.

Ook in de onderhavige procedure had de rechtbank dus, anders dan zij in haar tussenvonnis nog had aangenomen, zonder beperking de vrijheid haar oordelen uit het tussenvonnis te heroverwegen, voor zover dat de onderhavige grondslag van de vorderingen van de Luchthaven betrof. De rechtbank mocht derhalve haar beslissingen in het tussenvonnis als niet-bindend aanmerken, en alsnog op andere gronden de Luchthaven in haar op art. 55 LVW gebaseerde vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Het feit dat de Luchthaven hierdoor de kans krijgt haar standpunt opnieuw te bepleiten ten overstaan van het gerechtshof, brengt niet mee dat de rechtbank in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld, gelet op het door haar uit een oogpunt van doelmatigheid aangenomen belang van een samenhangende beoordeling van alle aspecten van de door Chipshol in de art. 50-procedure gevorderde schadeloosstelling.

4.3.3 Ten slotte is de rechtbank, oordelend zoals hiervoor in 3.2.5 weergegeven, niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. De Luchthaven heeft immers in haar pleitnotities van 3 november 2011 onder 6 (vii) aangevoerd dat zij niet-ontvankelijk in haar vorderingen diende te worden verklaard indien de rechtbank van oordeel zou zijn - zoals vervolgens inderdaad het geval bleek - dat het gerechtshof Amsterdam als verwijzingsrechter in de art. 50-procedure ook over de waardevermeerdering van het [A-]terrein zou behoren te oordelen.

4.4 Het vorenoverwogene brengt mee dat de hiervoor in 4.1 onder (1)-(3) samengevat weergegeven klachten van Chipshol falen, dan wel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden.

De ontvankelijkheid in cassatie van Chipshol wat betreft de andere grondslagen van de vorderingen van de Luchthaven dan art. 55 LVW

4.5 Voor zover de vorderingen van de Luchthaven op andere grondslagen berusten dan op art. 55 LVW (zie hiervoor in 3.2.1), dient Chipshol niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar tegen de beslissing van de rechtbank ingestelde cassatieberoep, gelet op het bepaalde in art. 78 lid 5 RO in verbinding met art. 398 Rv, nu is gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen in zoverre het hoger beroep over te slaan. De hiervoor in 4.1 onder (4) samengevat weergegeven klacht van Chipshol stuit hierop af.

Ter voorkoming van misverstand wordt opgemerkt dat het de Luchthaven vrijstaat zich in de thans bij het gerechtshof Amsterdam aanhangige art. 50-procedure, als verweer tegen (de omvang van) de door Chipshol daarin gevorderde schadeloosstelling, mede te beroepen op hetgeen zij in de onderhavige procedure in verband met deze overige grondslagen heeft aangevoerd (zie ook hiervoor in 4.3.1, eerste alinea, met betrekking tot de grondslag van de art. 55-vordering). Zou dat anders zijn, dan had de rechtbank niet kunnen oordelen dat de door haar in de art. 55-procedure uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring strookt met de eisen van een goede procesorde, omdat de Luchthaven dan onaanvaardbaar in haar processuele positie zou zijn benadeeld door die niet-ontvankelijkverklaring. Weliswaar gaat de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring door het onderhavige arrest in kracht van gewijsde, maar de door de rechtbank in haar tussenvonnis gegeven oordelen krijgen daardoor geen bindende kracht, nu zij niet dragend zijn voor de beslissing in het eindvonnis de Luchthaven in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

De beslissing van de rechtbank omtrent de proceskosten

4.6 De rechtbank heeft de Luchthaven, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld, berekend op de voet van het liquidatietarief.

De hiertegen door Chipshol aangevoerde klacht, die hiervoor in 4.1 onder (5) samengevat is weergegeven, faalt. Art. 50 Ow is immers in art. 54 lid 1 LVW niet overeenkomstig van toepassing verklaard, zodat geen aanspraak bestaat op een kostenveroordeling op de voet van eerstgenoemde bepaling.

4.7 De overige door het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

De proceskostenveroordeling in cassatie

4.8 Chipshol heeft gevorderd dat de proceskosten in cassatie aan de hand van de werkelijk gemaakte kosten zullen worden begroot. Zij beroept zich daartoe op het naar analogie toe te passen art. 50 Ow. Dit beroep faalt. Nog daargelaten dat art. 50 Ow uitsluitend ziet op het geding voor de rechtbank (HR 21 november 2008, LJN BF0415, NJ 2009/303) en dus geen betrekking heeft op het geding in cassatie, stuit het af op hetgeen hiervoor in 4.6 is overwogen.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De Luchthaven heeft onvoorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis van de rechtbank. Zij heeft daaraan toegevoegd dat, indien de Hoge Raad in het principale beroep van oordeel zou zijn dat aan de beslissingen van de rechtbank in haar tussenvonnis geen bindende kracht toekomt, de Luchthaven niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar incidentele beroep bij gebrek aan belang. Nu de Hoge Raad, blijkens het hiervoor in 4.3.2 en 4.5 overwogene, in het principale beroep inderdaad in deze zin heeft geoordeeld, dient in dit incidentele beroep niet-ontvankelijkverklaring te volgen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verklaart Chipshol niet-ontvankelijk in haar beroep ten aanzien van de hiervoor in 4.5 bedoelde andere grondslagen van de vorderingen van de Luchthaven;

verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt Chipshol in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Luchthaven begroot op € 6.118,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verklaart de Luchthaven niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt de Luchthaven in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Chipshol begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 22 februari 2013.