Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY4119

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2013
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
11/05236
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY4119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigening. Bepalen schadeloossteling. Art. 40c Ow; voordelen of nadelen teweeggebracht door plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt. Proceskosten in cassatie; art. 50 Ow niet van toepassing in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/252
NJB 2013/395
NJ 2013/318 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
BR 2013/110 met annotatie van E.W.J. de Groot
JWB 2013/77
TBR 2013/44 met annotatie van E. van der Schans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2013

Eerste Kamer

11/05236

EE/DH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

BALLAST NEDAM ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk en mr. J.F. de Groot,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Ballast Nedam en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende vonnissen in de zaak 162723/HA ZA 03-1170 van de rechtbank Utrecht van 16 juli 2003, 30 juli 2003 en 21 september 2011 (eindvonnis).

Het eindvonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft Ballast Nedam beroep in cassatie ingesteld.

De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Onteigend zijn perceelsgedeelten met een gezamenlijke grootte van 0.65.74 hectare, bestaande uit grasland dat onderdeel uitmaakt van het weidegebied in de polders tussen Rijksweg A27 en de Eem. De onteigening is bij vervroeging geschied op de voet van art. 72a lid 1 Ow ten behoeve van de aanleg van een verzorgingsplaats aan de oostzijde van de Rijksweg A27 tussen het knooppunt Eemnes en de Stichtse Brug. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 12 september 2003 in de openbare registers ingeschreven.

3.2 Het onteigende had ten tijde van de onteigening ingevolge het Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1995 van de gemeente Eemnes de bestemmingen Verkeersdoeleinden I (interlokaal verkeer), Verkeersdoeleinden II (lokaal verkeer) en, voor een klein gedeelte, Verkooppunt van motorbrandstoffen. Het onteigende had voor het van kracht worden van het Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1995 een agrarische bestemming. Bij de waardering van het onteigende heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2010, LJN BL1634, NJ 2010/631, LJN BL1639, LJN BN0763, LJN BL1647 en LJN BN0761, die bestemmingen op de voet van art. 40c Ow weggedacht op grond van haar oordeel dat de in het bestemmingsplan van 3 juli 1995 aan het onteigende gegeven verkeersbestemmingen en de bestemming Verkooppunt van motorbrandstoffen zijn bepaald door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor het creëren van een verzorgingsplaats ter plaatse en dat dit bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch planologische onderbouwing en regeling te geven, die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk maakt (rov. 2.12-2.14). De rechtbank heeft daarbij overwogen, kort gezegd, dat die bestemmingen ook moeten worden weggedacht voor zover die een waardeverhogende invloed hebben (rov. 2.15-2.18).

3.3 Onderdeel 1 van het middel richt onder a - d rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de rechtbank dat genoegzaam is gebleken dat de verzorgingsplaats en het brandstofverkooppunt zijn gerealiseerd overeenkomstig een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2010. De rechtbank baseerde dit oordeel op een brief van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat van 11 november 1993 aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eemnes, waarin de wenselijkheid werd gemeld van realisatie op termijn van een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt aan de oostzijde van Rijksweg A27 bij Eemnes, en verzocht werd om in het ontwerp-bestemmingsplan Landelijk Gebied Eemnes een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt op te nemen conform een uitgewerkt voorontwerp dat reeds in bezit van Burgemeester en Wethouders was. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd. De onder 1a aangevoerde stelling dat aan Burgemeester en Wethouders in de brief van 11 november 1993 niet, zoals de rechtbank in rov. 2.14 overwoog, werd voorgeschreven dat er aan de oostzijde van de Rijksweg A27 bij Eemnes een verzorgingsplaats/brandstofverkooppunt zou komen, maakt dat niet anders, nu het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan een (concreet) plan bestond om ter plaatse van het onteigende een verzorgingsplaats met brandstofverkooppunt te realiseren, daarop niet steunt, en ook voldoende begrijpelijk is als ervan wordt uitgegaan dat het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat niet heeft voorgeschreven maar slechts heeft verzocht om in het ontwerp-bestemmingsplan rekening te houden met de wenselijk geachte verzorgingsplaats ter plaatse.

De klachten falen daarom.

3.4 Ook de klacht van onderdeel 1b dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van Ballast Nedam dat voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet ervoor gekozen was om de door Rijkswaterstaat wenselijk geachte verzorgingsplaats ter plaatse van het onteigende te realiseren en dat de concrete locatiekeuze daarvan aan de gemeenteraad was overgelaten, is ongegrond. De rechtbank heeft kennelijk, en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat deze door Ballast Nedam aangevoerde omstandigheid niet wegneemt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan gekozen was voor de locatie die mede de onteigende gronden omvat als uiteindelijke locatie van de verzorgingsplaats. Dat de keuze van die uiteindelijke locatie ingegeven is door het eigen gedecentraliseerde planologische beleid van de gemeente Eemnes staat niet eraan in de weg dat het bestemmingsplan de juridische en planologische onderbouwing en regeling opleverde van het (concrete) plan voor de aanleg van het werk waarvoor later is onteigend.

3.5 Onderdeel 1c wijst op de bij de pleidooien voor de rechtbank door Ballast Nedam aangevoerde bijzondere omstandigheid dat pas een jaar na de totstandkoming van het bestemmingsplan door de directeur-generaal van Rijkswaterstaat een plan voor de verzorgingsplaats Eemnes-Noord is vastgesteld. Ballast Nedam leidt uit deze omstandigheid af dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog geen (concreet) plan bestond voor het werk waarvoor is onteigend en klaagt dat de rechtbank op de desbetreffende argumentatie had moeten ingaan.

Ook deze klacht faalt, omdat de rechtbank, ook zonder op deze bijzonderheid met zoveel woorden in te gaan, uit de hiervoor in 3.3 bedoelde brief heeft kunnen afleiden, dat ten tijde van de totstandkoming van het bestemmingsplan reeds een voor toepassing van art. 40c Ow voldoende concreet plan bestond voor het werk waarvoor onteigend is en dat een verdere concretisering van dat plan na vaststelling van het bestemmingsplan daaraan niet afdoet. Op het voorgaande stuiten ook de onderdelen 1d en 1e af.

3.6 Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.16 dat bij de waardebepaling van het onteigende niet alleen een waardeverminderende, maar ook een eventuele waardevermeerderende invloed van een planbestemming die aan het onteigende gegeven is teneinde een reeds (concreet) bestaand plan voor het werk waarvoor onteigend wordt uitvoerbaar te maken, moet worden geëlimineerd. Dat oordeel is echter juist, zodat alle klachten van het onderdeel falen. Art. 40c Ow schrijft voor dat bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening wordt gehouden met voordelen of nadelen, teweeggebracht door (onder meer) de plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt. Deze in 1981 ingevoerde bepaling brengt een beginsel onder woorden dat reeds geruime tijd in de rechtspraak was aanvaard, en dat ook toepassing vond in gevallen waarin het plan voor het werk waarvoor onteigend werd een waardeverhogende invloed had op de grondprijzen ter plaatse van het onteigende (zie reeds HR 19 maart 1909, W 8843, onteigening ten behoeve van de ontginning van de Staatsmijn "Emma").

3.7 Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 2.17 dat de discussie van partijen over (de strekking en toepassing van) art. 40e Ow in het midden kan blijven. Dat oordeel geeft echter niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Daarbij moet worden bedacht dat in de door de rechtbank bedoelde discussie de Staat het standpunt innam dat art. 40e Ow zou moeten worden toegepast indien bij de waardebepaling de bestemming "motorbrandstoffen" niet zou worden weggedacht en bovendien zou komen vast te staan dat die bestemming een waardevermeerderende invloed heeft. Die waardevermeerdering zou dan volgens de Staat met toepassing van art. 40e moeten worden afgeroomd. Ballast Nedam nam het standpunt in dat art. 40e geen toepassing behoort te vinden. Bij die stand van zaken behoefde de rechtbank, nadat zij had geoordeeld dat de bestemming Verkooppunt van motorbrandstoffen moet worden geëlimineerd, niet nader in te gaan op het partijdebat over art. 40e.

3.8 Ook de onderdelen 4 en 5 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.9 Onderdeel 6 klaagt over de beslissing van de rechtbank in rov. 3.3 om het te vergoeden nadeel dat Ballast Nedam heeft geleden door het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot overtreft (€ 13.301,--), in het voetspoor van de deskundigen, vast te stellen op de waarde van dat gemiste genot, en wel op jaarbasis 3,5% van dat bedrag, te rekenen vanaf 12 september 2003 tot de dag van het vonnis van de rechtbank. Het onderdeel klaagt dat de rechtbank het nadeel dat Ballast Nedam lijdt als gevolg van vorenbedoeld gemis had moeten begroten op de wettelijke rente daarover, samengesteld berekend. De klacht mist feitelijke grondslag voor zover die ervan uitgaat dat de rechtbank heeft beslist dat de toegekende vergoeding van 3,5% per jaar enkelvoudig moet worden berekend.

Voor het overige faalt de klacht, nu begroting van de waarde van het gemiste genot van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat, een beoordeling van feitelijke aard behelst, hetgeen meebrengt dat die waarde niet in alle gevallen behoeft te worden begroot op de (samengesteld te berekenen) wettelijke rente. Tot een nadere motivering van haar beslissing op dit punt was de rechtbank niet gehouden.

3.10 Onderdeel 7 betoogt dat de rechtbank in de ten laste van de Staat uitgesproken proceskostenveroordeling een vergoeding had moeten opnemen van de kosten die Ballast Nedam gemaakt heeft voor het inwinnen van een cassatieadvies met betrekking tot het vonnis van vervroegde onteigening. Dit betoog faalt, omdat dergelijke kosten niet vallen onder de in art. 50 Ow bedoelde kosten van het proces.

3.11 Met betrekking tot de proceskosten in cassatie heeft Ballast Nedam aangedrongen op toepassing van art. 50 Ow. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 21 november 2008, LJN BF0415, NJ 2009/303 heeft geoordeeld, heeft art. 50 Ow evenwel uitsluitend betrekking op het geding voor de rechtbank. Ballast Nedam zal daarom, nu haar cassatieberoep wordt verworpen, in de kosten van het geding in cassatie worden veroordeeld, te begroten op de gebruikelijke voet.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Ballast Nedam in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, A.H.T. Heisterkamp, M.A. Loth en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.