Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY2638

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2013
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
12/00917
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY2638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigening. Voorschot op schadeloosstelling. Art. 54i lid 4 Ow; gehoudenheid rechter een som als zekerheid te bepalen voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling. Hoge Raad doet zelf de zaak af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/276
NJB 2013/444
JWB 2013/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 februari 2013

Eerste Kamer

12/00917

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. W.J. Bosma,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon WATERSCHAP HOLLANDSE DELTA,

zetelende te Ridderkerk,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en het Waterschap.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 392535/HA ZA 11-2198 van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2012.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen het Waterschap is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de in de conclusie bedoelde zekerheid te bepalen. Voorts strekt de conclusie ertoe dat de Hoge Raad zal bepalen dat het Waterschap voor een bedrag van € 919,-- zekerheid zal stellen voor de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling door dit bedrag te storten op de derdengeldrekening van een door [eiser] aan te wijzen notaris.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij Koninklijk Besluit van 19 september 2011 is krachtens art. 62 Ow onder meer ter onteigening aangewezen een gedeelte groot 0.10.92 ha van het aan [eiser] toebehorende perceel kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie [A], nummer [001].

(ii) Het Waterschap heeft gevorderd bij vervroeging de onteigening van genoemd perceelsgedeelte uit te spreken, met bepaling van een som als zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling alsmede van de wijze waarop de zekerheidstelling zal plaatsvinden. Het Waterschap heeft daarbij aan [eiser] een schadeloosstelling aangeboden van € 9.190,--.

(iii) [Eiser] heeft zich ten aanzien van de verzochte onteigening gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar heeft het aanbod met betrekking tot de schadeloos-stelling verworpen.

(iv) De rechtbank heeft bij vonnis van 18 januari 2012 de vervroegde onteigening uitgesproken en op de voet van art. 54i Ow het voorschot op de schadeloosstelling bepaald op 90% van het door het Waterschap aangeboden bedrag van € 9.190,--, zijnde € 8.271,--. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu [eiser] geen zekerheid heeft verlangd. (rov. 4.8)

3.2 Het middel, dat klaagt dat de rechtbank in rov. 4.8 heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, slaagt.

De rechtbank heeft miskend dat art. 54i lid 4 Ow imperatief is geformuleerd. Het artikel houdt, voor zover thans van belang, in dat de rechtbank voor de onteigende partij een som als zekerheid bepaalt voor de voldoening van de verschuldigde schadeloosstelling. Mede gelet op de wetsgeschiedenis van dit artikel, waarin wordt vermeld dat zekerheidstelling op constitutionele gronden niet kan worden beperkt tot de gevallen waarin de onteigende partij daarom verzoekt (Kamerstukken II 1970/71, 10 590, nr. 5, blz. 18), heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij geen zekerheid zal bepalen nu [eiser] daarom niet heeft verzocht.

3.3 Het bestreden vonnis dient derhalve te worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten de hiervoor bedoelde zekerheid te bepalen. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door alsnog een som als zekerheid te bepalen. Ingevolge art. 54i lid 4 Ow wordt die som ingeval daaromtrent tussen partijen geen overeenstemming is bereikt, bepaald op tenminste het bedrag dat is aangeboden, verminderd met het voorschot. De Hoge Raad zal de som bepalen op € 919,-- (€ 9.190,-- minus € 8.271,--).

3.4 De Hoge Raad ziet aanleiding met betrekking tot de kosten te beslissen als hierna vermeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2012, doch uitsluitend voor zover daarin niet de hiervoor in 3.3 bedoelde zekerheid is bepaald;

bepaalt dat het Waterschap voor een bedrag van € 919,-- zekerheid zal stellen voor de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling door dit bedrag te storten op de derdengeldrekening van een door [eiser] aan te wijzen notaris;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 8 februari 2013.