Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY0547

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
11/03950
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY0547
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervroegde onteigening; art. 72a Ow. Waardering onteigende gronden op basis van “complexwaarde”? Art. 40d Ow. Vergoeding inkomensschade; berekening renteopbrengsten uit vergoeding waarde onteigende. Art. 50 Ow; proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/172
NJB 2013/249
NJ 2013/303 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JWB 2013/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 januari 2013

Eerste Kamer

11/03950

RM/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 247283/HA ZA 08-786 van de rechtbank Utrecht van 21 mei 2008, 24 september 2008 en 22 juni 2011.

Het vonnis van de rechtbank van 22 juni 2011 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld vonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep en op het incidenteel cassatieberoep: tot vernietiging van het bestreden vonnis van 22 juni 2011, doch uitsluitend wat betreft de beslissing over de kosten van rechtsbijstand (het salaris van de advocaat van [eiser]) in eerste aanleg.

Voorts strekt de conclusie ertoe dat de Hoge Raad de zaak in zoverre zelf afdoet, door het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 23.660,17 te splitsen in een bedrag dat overeenkomt met de kosten van rechtsbijstand tussen de aanvang van het geding en het vonnis van 24 september 2008 en anderzijds een bedrag dat overeenkomt met de kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg vanaf het vonnis van 24 september 2008 en de Staat in deze laatste kosten te veroordelen, met compensatie van de proceskosten voor het overige.

De advocaat van [eiser] en mr. Wiegerink hebben bij brieven van 26 oktober 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 Onteigend zijn percelen en perceelsgedeelten met een gezamenlijke grootte van 2.58.78 hectare.

De onteigening is bij vervroeging geschied op de voet van art. 72a lid 1 Ow ten behoeve van de aanleg van de aansluiting Woerden-Oost op de Rijksweg A12 met bijkomende werken in de gemeente Woerden. Het vonnis van vervroegde onteigening is op 28 november 2008 in de openbare registers ingeschreven.

3.2 De rechtbank heeft, in het voetspoor van de deskundigen, de op de onteigende gronden rustende verkeersbestemming weggedacht en heeft daaraan een agrarische waarde toegekend van € 5,50 per m².

3.3 [Eiser] heeft gesteld, samengevat, dat er een dusdanige samenhang bestaat tussen de onteigende grond en het gebied Leidsche Rijn dat van een complex moet worden gesproken, en heeft erop gewezen dat op het onteigende een aansluiting op de A12 wordt aangelegd die dient ter ontsluiting van het gebied Leidsche Rijn. De waardering van de onteigende gronden moet volgens [eiser] daarom worden gebaseerd op een complexwaarde als bedoeld in

art. 40d lid 1 Ow en niet op de agrarische waarde van de grond. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van dit betoog vooropgesteld dat krachtens art. 40d lid 2 Ow onder een complex moet worden verstaan de als één geheel in exploitatie gebrachte of te brengen zaken en dat het enkele feit dat een weg mede dient tot ontsluiting van een bepaald (woon)gebied nog niet maakt dat sprake is van een complex. Zij heeft vervolgens beoordeeld of de aansluiting op de A12 waarvoor is onteigend en het gebied Leidsche Rijn tot een als één geheel in exploitatie gebracht of te brengen gebied behoren. In het kader daarvan onderzocht zij twee aspecten, te weten de functionele (in verband met de geografische) samenhang en de financiële samenhang tussen de aansluiting op de A12 en het gebied Leidsche Rijn. De rechtbank oordeelde

(rov. 2.9), kort weergegeven, dat de op het onteigende te realiseren aansluiting op de A12 een regionaal karakter heeft en daarmee een veel meer omvattend karakter heeft dan louter een aansluiting van het (woon)gebied Leidsche Rijn op de A12, dat dit regionale karakter zich ertegen verzet de weg te zien als een deel van het complex Leidsche Rijn in de zin van art. 40d Ow en dat er dan ook geen reden is om op geografische gronden uit te gaan van een complex. Voorts oordeelde de rechtbank dat zij ook in exploitatietechnisch opzicht geen complex aanwezig achtte. De rechtbank verwierp daarom het betoog van [eiser] dat de onteigende gronden op basis van complexwaarde moeten worden gewaardeerd.

3.4 Onderdeel I voert klachten aan tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.9. Dat oordeel geeft evenwel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank behoefde, na te hebben vastgesteld dat noch in functioneel en geografisch noch in exploitatietechnisch opzicht kan worden gezegd dat de aansluiting op de A12 en het gebied Leidsche Rijn als één geheel in exploitatie worden gebracht, niet ook nog, zoals de eerste klacht van het onderdeel verlangt, afzonderlijk te motiveren waarom naar haar oordeel ook in gecombineerd functioneel, geografisch en exploitatietechnisch opzicht niet van een complex als bedoeld in art 40d Ow kan worden uitgegaan. Ook de overige klachten van het onderdeel falen, omdat zij begrijpelijke oordelen van feitelijke aard bestrijden en te hoge eisen stellen aan de rechterlijke motiveringsplicht met betrekking tot oordelen als hier aan de orde.

3.5 De klachten van de onderdelen II en III kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6 [Eiser] heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van inkomensschade gedurende de periode waarin hij nog geen vervangende grond zal hebben aangekocht, door hem begroot op € 6.219,--. De deskundigen waren van mening dat [eiser] inderdaad gedurende de zoekperiode, respectievelijk de periode gemoeid met de aankoop van het aangeboden vervangingsperceel, enige inkomsten zal derven. Deze inkomensschade wordt echter volgens de deskundigen gecompenseerd door de rente op het vrijkomende kapitaal. De deskundigen menen, kort gezegd, dat het vrijkomende kapitaal niet minder aan rente zal opleveren dan de inkomsten die [eiser] als gevolg van de onteigening zal derven. De rechtbank heeft de deskundigen hierin gevolgd en geoordeeld dat [eiser] een verkeerd uitgangspunt aan zijn berekeningen ten grondslag legt, te weten een marktrente van 1,6%. Gerekend moet evenwel worden met de rente die de onteigende kan maken met een belegging die wat risico en liquiditeit betreft de investering die voor hem verloren ging zo dicht mogelijk benadert, aldus de rechtbank.

In het voetspoor van de deskundigen gaat de rechtbank ervan uit dat een opbrengend vermogen van 4% gangbaar is en oordeelt zij dat [eiser] weliswaar heeft opgemerkt dat een dergelijk percentage niet realistisch is, maar dit niet verder heeft onderbouwd (rov. 2.30).

3.7 Onderdeel IV komt hiertegen terecht op. Het gaat in deze om het inkomensverlies dat een onteigende lijdt doordat hij gedurende het betrekkelijk korte tijdvak dat naar verwachting gemoeid zal zijn met de verwerving van vervangende grond, de opbrengsten mist die de exploitatie van het onteigende hem opleverde. In mindering op dat als onteigeningsgevolg te vergoeden verlies komen de renteopbrengsten over de in de schadeloosstelling begrepen vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende. De vergoeding van die werkelijke waarde kan niet worden aangemerkt als "vrijkomend kapitaal" in de gebruikelijke onteigeningsrechtelijke betekenis, omdat die vergoeding is bestemd voor de aankoop van de vervangende grond. Er kan dan ook niet zonder meer van worden uitgegaan dat de onteigende met het bedrag van die vergoeding zodanige renteopbrengsten kan genereren als hij zou kunnen behalen met een belegging die wat risico en liquiditeit betreft de investering die voor hem verloren ging zo dicht mogelijk benadert. Veeleer ligt het voor de hand om uit te gaan van de rente over dat bedrag die de onteigende in het betrekkelijk korte tijdvak tussen de onteigening en de verwerving van de vervangende grond bij een solide bankinstelling zou kunnen bedingen. Het oordeel van de rechtbank berust dus op een onjuiste rechtsopvatting.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat aan [eiser] een vergoeding van € 5.000,-- toekomt wegens waardevermindering van het overblijvende, met name van de woning, voortvloeiende uit overlast van het verkeer op het onteigende. De overweging van de rechtbank dat deze door [eiser] gestelde waardevermindering haar niet onredelijk voorkomt, geeft inderdaad geen inzicht in de wijze waarop zij die waardevermindering heeft begroot, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechtbank daarbij een verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Waar, zoals de rechtbank heeft vastgesteld, deze door [eiser] gestelde schadepost niet is weersproken door de Staat en partijdebat daarover achterwege is gebleven, behoefde de rechtbank geen meeromvattende motivering voor haar oordeel te geven dan zij in rov. 2.17 gaf. Het onderdeel faalt derhalve.

4.2 Onderdeel 2 bestrijdt de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van de Staat in de door [eiser] gemaakte proceskosten. De Staat klaagt dat de rechtbank met haar oordeel dat art. 50 lid 1 Ow ziet op de kosten van het hele proces en dus ook op de kosten gemaakt in de fase waarin verweer is gevoerd tegen de onteigening als zodanig, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 50 lid 1 Ow slechts aanspraak geeft op vergoeding van de proceskosten die de onteigende heeft gemaakt in de fase waarin de schadeloosstelling wordt vastgesteld.

Deze klacht is ongegrond. Art. 50 lid 1 Ow bepaalt dat de kosten van het proces ten laste komen van de onteigenende partij, zonder daarbij een onderscheid te maken tussen de proceskosten ter zake van de onteigening als zodanig en de proceskosten ter zake van de vaststelling van de schadeloosstelling. Waar de kostenbepaling van art. 50 lid 1, in iets andere versie, reeds in de wet stond voordat de wijzigingswet van 27 oktober 1972, Stb. 578 de vervroegde onteigening mogelijk maakte, en uit niets blijkt dat de wijzigingswetgever een dergelijke splitsing van de kosten voor ogen heeft gestaan, kan niet worden aangenomen dat art. 50 lid 1 de onteigende slechts aanspraak geeft op vergoeding van dat deel van de door hem gemaakte proceskosten dat betrekking heeft op de vaststelling van de schadeloosstelling. Opmerking verdient hierbij dat de onteigeningsrechter wèl toetst of de kosten waarvan de onteigende partij op de voet van art. 50 lid 1 Ow vergoeding verlangt redelijkerwijs zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, en dat hij daarbij tot het oordeel kan komen dat buitensporige kosten die de onteigende gemaakt heeft voor het voeren van een bij voorbaat kansloos verweer tegen de vordering tot vervroegde onteigening, niet of in verminderde mate voor vergoeding in aanmerking komen. Bij die toets geeft de wet aan de rechter een grote vrijheid terwijl het vierde lid van art. 50 hem door de gebezigde bewoordingen in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht (zie rov. 3.4 van HR 6 maart 1991, LJN AB9358, NJ 1991/818).

Ook de motiveringsklachten van het onderdeel zijn ongegrond. De rechtbank heeft haar beslissing toereikend gemotiveerd.

4.3 Ten overvloede wordt nog overwogen dat art. 50 Ow in overeenstemming met het hiervoor overwogene ook van toepassing is in gevallen waarin de rechter de vordering tot vervroegde onteigening afwijst of niet-ontvankelijk verklaart. Dit strookt met de strekking van deze bepaling om kosten die redelijkerwijs gemaakt worden met het oog op verweer tegen een vordering tot (vervroegde) onteigening niet voor rekening van de rechthebbende te laten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2011;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 januari 2013.