Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BY0535

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
12/00503
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY0535
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzoek vaststelling Nederlandse nationaliteit; art. 1 onder c van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892. Aanvulling argumenten en bewijsstukken na tussenbeschikking rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/181
NJB 2013/250
JWB 2013/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 januari 2013

Eerste Kamer

12/00503

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak 326444/HA RK 08-1303 van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 januari 2011 en 17 november 2011;

De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank van 17 november 2011 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 26 oktober 2012 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [Verzoeker] heeft op 11 december 2008 de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en die nationaliteit nog altijd heeft. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats], Ghana, is geboren als zoon van de ongehuwde vrouw [betrokkene 1] die toen de Nederlandse nationaliteit had, zodat hij op grond van art. 1 onder c van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap van 1892 (hierna: WNI) door geboorte het Nederlanderschap heeft verkregen. Zijn biologische vader, die hij nooit heeft gekend, is [betrokkene 2], die is overleden toen [verzoeker] ongeveer zeven jaar oud was. Zijn ouders zijn nooit met elkaar gehuwd geweest en hij is nimmer door zijn biologische vader erkend.

3.2 Voor zover in cassatie van belang, heeft de rechtbank in haar tussenbeschikking overwogen dat [betrokkene 1] ten tijde van de geboorte van [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit bezat, zodat beoordeeld moet worden of [betrokkene 1] werkelijk de biologische moeder van [verzoeker] is (rov. 3.2). De overgelegde zes geboorteakten roepen bedenkingen op, zodat aan de hand daarvan niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat [betrokkene 1] zijn biologische moeder is; dit heeft tot gevolg dat het verzoek afgewezen moet worden als geen ander bewijs wordt bijgebracht (rov. 3.3 - 3.6). De rechtbank stelt [verzoeker] in de gelegenheid zich te beraden over zijn medewerking aan een DNA-onderzoek (rov. 3.7).

In haar eindbeschikking heeft de rechtbank vooropgesteld dat de behandeling van de zaak alleen was aangehouden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zijn medewerking aan een DNA-onderzoek, zodat de door [verzoeker] na de tussenbeschikking naar voren gebrachte nieuwe argumenten buiten beschouwing zullen worden gelaten (rov. 2.1). [Verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij uit geloofsovertuiging niet aan een DNA-onderzoek kan meewerken; de religieuze bezwaren die [verzoeker] aanvoert tegen DNA-onderzoek blijven voor zijn rekening en kunnen niet meebrengen dat bewijslevering achterwege kan blijven; nu [verzoeker] er niet in is geslaagd aan te tonen dat [betrokkene 1] zijn biologische moeder is, zal de rechtbank, gelet op hetgeen reeds is overwogen in de tussenbeschikking, het verzoek van [verzoeker] afwijzen (rov. 2.1 - 2.5).

3.3 In cassatie komt [verzoeker] uitsluitend op tegen rov. 2.1 van de eindbeschikking. Het middel klaagt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat [verzoeker] tot aan de eindbeschikking bevoegd was de gronden van zijn verzoek te wijzigen (art. 283 Rv), waarbij ook nieuwe argumenten naar voren gebracht kunnen worden. [Verzoeker] verwijst in dit verband naar zijn beroep in de brief aan de rechtbank van 22 maart 2011 op "bezit van staat" ten betoge dat "zijn bezit van staat omtrent zijn afstamming van moederszijde niet zonder meer kan worden betwist". Deze klacht faalt, nu de rechtbank dit betoog kennelijk en niet onbegrijpelijk niet heeft opgevat als een nieuwe grondslag voor het verzoek.

3.4 Het middel klaagt voorts dat de rechtbank zonder motivering is voorbijgegaan aan een tweetal schriftelijke verklaringen die [verzoeker] na de tussenbeschikking heeft overgelegd ten bewijze van het feit dat [betrokkene 1] zijn moeder is. Deze verklaringen houden in dat de declarant de oom respectievelijk de neef van [verzoeker] is, dat [betrokkene 1] de moeder van [verzoeker] is, en dat [verzoeker] in Ghana bij zijn tante heeft gewoond totdat hij zich in 1988 bij [betrokkene 1] in Nederland voegde.

De rechtbank had inderdaad niet op de enkele grond dat zij in de tussenbeschikking [verzoeker] slechts gelegenheid had gegeven zich uit te laten omtrent medewerking aan een DNA-onderzoek, aan deze nieuwe bewijsstukken mogen voorbijgaan. Hoewel de klacht in zoverre gegrond is, kan zij niet tot cassatie leiden. In het licht van hetgeen de rechtbank in haar tussenbeschikking reeds had overwogen over de ongenoegzaamheid van de overgelegde geboorteakten en de noodzaak van ander bewijs zoals een DNA-onderzoek, had zij tot geen ander oordeel kunnen komen dan dat ook deze verklaringen, gelet op hun summiere inhoud en bij gebreke van objectieve en verifieerbare gegevens en van een nader bewijsaanbod, ongenoegzaam zijn voor het verlangde bewijs dat [betrokkene 1] werkelijk de biologische moeder is van [verzoeker].

3.5 Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 773,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 18 januari 2013.