Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:BX7959

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
10/04815
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afpersing, art. 317 Sr. De opvatting dat aan een bij afpersing verkregen ‘gegeven’ onmiddellijk of middellijk enige economische waarde moeten kunnen worden toegerekend vindt, gezien de tekst van art. 317 Sr en de wetsgeschiedenis, geen steun in het recht. Blijkens de wetsgeschiedenis blijft de door het schrappen van de zinsnede ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’ bewerkstelligde verruiming van de strafbaarstelling van afpersing in art. 317 Sr echter beperkt door het vereiste oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling. Mede in dat licht bezien geeft de overweging van het Hof ‘dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, welk voordeel economische waarde had’ niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt echter terecht erover dat de bewezenverklaring in dit opzicht ontoereikend is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2013/746
NJB 2013/1501
NJ 2014/350 met annotatie van prof. mr. E.J. Dommering
NBSTRAF 2013/223
VA 2014/10
JIN 2013/120 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 mei 2013

Strafkamer

nr. S 10/04815

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2010, nummer 20/000452-10, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. D. Moszkowicz en mr. H.M.W. Daamen, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt

daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaarde afpersing.

2.2.1. Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte onder 1. bewezenverklaard dat:

"hij op 3 november 2008, in de gemeente Weert, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten informatie over een poging tot diefstal van een hoeveelheid hennep (weed) ten nadele van hem, verdachte, welk geweld heeft bestaan uit het tezamen en in vereniging met zijn mededader meermalen slaan van [slachtoffer] met een ploertendoder op of tegen een schouder en zijn benen en zijn borst en schoppen van [slachtoffer], toen deze op de grond lag, in of tegen diens gezicht en schoppen of slaan van [slachtoffer] en welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het tezamen en in vereniging met zijn mededader dreigend tonen of richten van een pistool op [slachtoffer] en (daarbij) dreigend tegen [slachtoffer] zeggen: "Voor de laatste keer, anders schiet ik je door je knieën, heb je het gedaan?" en "Je kunt het beste eerlijk zijn, anders schiet ik je kapot" en "Zie dit als een waarschuwing, als je me probeert te bestelen ga je eraan", in elk geval woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking."

2.2.2. Deze bewezenverklaring berust onder meer op het volgende bewijsmiddel:

"1. Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van 5 december 2008, proces-verbaalnummer 2008007287-17, opgemaakt door [verbalisant 1] (hoofdagent van politie), dossierpagina's 22 tot en met 24, voor zover zakelijk weergegeven inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op een maandag (het hof begrijpt op grond van de andere bewijsmiddelen: maandag 3 november 2008) kwamen [verdachte] en [betrokkene 1] aan de deur (het hof begrijpt: te Weert, zijnde de woonplaats van [slachtoffer]). Ik deed het raampje open van de voordeur en ze vroegen of ze me konden spreken. Ik zei: Dat gaat nu niet, mijn ouders zijn thuis, kom over een half uur maar terug. Toen ik binnen kwam vroeg mijn moeder nog: Wie was dat. Ik zei toen: [Verdachte]. Mijn ouders gingen daarna weg, ik was nog alleen met mijn vriendin, [betrokkene 2]. Een half uurtje later kwam [verdachte] terug met [betrokkene 1] en ze vroegen aan mij om in te stappen in hun auto want ze wilden met me praten. Ik zei tegen mijn vriendin: Ik ben zo terug. Daarna stapte ik bij hun in de auto. Ze reden met mij via de Kazernelaan, linksaf de Lozerweg op, aan het einde rechtsaf richting kanaal en dan links richting straalbedrijf [A]. Toen we daar reden zei [verdachte] tegen mij: We gaan je een paar vragen stellen en als je niet eerlijk bent dan kom je er dadelijk wel achter. Daarna vroeg hij: Klopt het dat jij me een jaar geleden hebt proberen te rippen.

[Verdachte] zei toen: Je hebt bij mij in de loods weed proberen te jatten. Voor [A] zijn we toen een zandweg ingereden. Deze weg gaat dan iets naar rechts en net achter de bocht stopten ze. Zij stapten voor uit de auto en [betrokkene 1] deed mijn deur open en zei: Uitstappen. Ik zei: Nee. Hierop pakte [betrokkene 1] een ploertendoder en sloeg me hiermee op mijn schouder. Dit deed hij 3 tot 4 maal en schreeuwde: Uitstappen nu. Ik stapte uit de auto. Daarna werd ik door [betrokkene 1] onderuit geschopt zodat ik tegen de grond viel. Toen ik op de grond lag begon [betrokkene 1] te slaan en [verdachte] schopte me in mijn gezicht. Daarna probeerde [verdachte] handboeien om te doen. Ik had er één om en verzette mij hevig. Hierdoor trok ik het kettinkje kapot. Ik schreeuwde heel hard en ik bloedde uit mijn gezicht. Ze hielpen me omhoog. Ik zag dat [verdachte] handschoenen aantrok terwijl hij voor me stond. Dit waren handschoenen met zand erin. Dat zag ik aan de verdikking bovenop. [Verdachte] zei toen: Nu vraag ik je nog één keer, heb je me proberen te bestelen of niet. Ik zei toen: Echt niet. Terwijl ik dit zei, liep het bloed langs mijn gezicht. Hierop haalde [verdachte] vol uit. Hij sloeg met zijn rechtervuist vol in mijn gezicht. Hierdoor viel ik achterover. [Betrokkene 1] trok me toen over het zand en begon op mijn benen te slaan en [verdachte] liep terug naar de wagen. [Verdachte] kwam toen terug en ik zag dat hij een wapen in zijn hand had. Ik dacht: die schieten me dood, die willen mij vermoorden. [Verdachte] kwam toen naar mij toegelopen en zei: Voor de laatste keer, anders schiet ik je door je knieën, heb je het gedaan. Terwijl hij dit zei, richtte [verdachte] het pistool op mijn knieën. Ik begon te huilen en zei: Moet ik dan iets bekennen wat ik niet gedaan heb. [Verdachte] zei toen: Je kunt het beste eerlijk zijn anders schiet ik je kapot. Terwijl [verdachte] dit zei, richtte hij het pistool op mijn borst. Hierop zei ik toen: Ja, ik heb het gedaan. [Verdachte] liet het pistool zakken. Ik zei toen nog: Het was niet mijn bedoeling en ik zal het nooit meer doen. [Verdachte] zei toen: Als je dit direct had gezegd was dit nooit gebeurd. Hierna hielpen zij mij op de been. [Verdachte] zei toen: Zie dit als een waarschuwing, als je me probeert te bestelen ga je er aan. Ik strompelde naar de auto en daarna bracht men mij naar huis. Ik bloedde op dat moment hevig. Men probeerde het bloed nog met de voet uit te vegen."

2.2.3. De bestreden uitspraak houdt onder het opschrift "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs", voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met een ander, te weten [betrokkene 1], [slachtoffer] heeft meegenomen naar een buitengebied van Weert en aldaar tezamen met die [betrokkene 1] geweld jegens [slachtoffer] heeft gepleegd en [slachtoffer] heeft bedreigd met geweld, waarbij verdachte een pistool op [slachtoffer] heeft gericht. Het doel van het toepassen van het geweld en het bedreigen van [slachtoffer] was het loskrijgen van informatie van [slachtoffer] met betrekking tot een door verdachte en zijn mededader veronderstelde poging tot diefstal van hennep.

Van afpersing in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien het slachtoffer door geweld en/of bedreiging met geweld is gedwongen tot het ter beschikking stellen van gegevens, met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen. Hieronder moet worden begrepen elke verbetering van positie, mits het voordeel economische waarde heeft.

Het hof is van oordeel dat verdachte en zijn mededader de informatie met betrekking tot diefstal van hennep uit een hennepkwekerij van [slachtoffer] hebben willen verkrijgen met de kennelijke bedoeling om [slachtoffer] er van te weerhouden hem (opnieuw proberen) te bestelen. Anders dan de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, welk voordeel voor verdachte economische waarde had."

2.3.1. Het in de tenlastelegging voorkomende begrip "gegevens" is ontleend aan art. 317, eerste lid, Sr dat als volgt luidt:

"Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie."

2.3.2. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (fraude niet-chartaal geldverkeer) bij wet van 21 april 2004 (Stb. 2004, 180) houdt ten aanzien van art. 317 Sr onder meer het volgende in:

"Bij besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 mei 2001 is aangenomen het kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (PbEG L 149). Het doel van het kaderbesluit is om te verzekeren dat fraude met alle vormen van andere betaalmiddelen dan contanten als strafbaar feit wordt erkend en kan worden gestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties in alle EU-lidstaten. Aanvullend optreden van de Europese Unie werd noodzakelijk geacht naast de werkzaamheden die in dit verband reeds door verscheidene internationale organisaties (te weten de Raad van Europa, de G-8, de OESO, Interpol en de VN) worden verricht, gelet op de ernst en ontwikkeling, ook op internationale schaal, van deze vormen van fraude.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal is tijdens de totstandkoming van het kaderbesluit geïnformeerd over de stand van zaken (onder meer Kamerstukken II 1999/2000, 23 490, nrs. 7F en 156, 7G en 157, 160 en Kamerstukken II 2000/01, 23 490, nrs. 6H en 191, 6I en 192).

Het kaderbesluit is een ten aanzien van het resultaat verbindend instrument ingevolge artikel 34, tweede lid, onder b, van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. De uitvoering van dit kaderbesluit vergt de aanpassing en aanvulling van enkele bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Daartoe strekt dit wetsvoorstel.

Daarnaast wordt een kleine wijziging gebracht in het artikel betreffende afpersing, teneinde ook het afpersen van pincodes onder het bereik van dat artikel te laten vallen. Tegen een dergelijke handelwijze kan, blijkens de jurisprudentie, op grond van de bestaande strafbepalingen niet adequaat worden opgetreden. De ernst van betaalpasfraude en de gevoelens van onveiligheid op straat die incidenten met betrekking tot de afpersing van pincodes oproepen, geven aanleiding tot aanpassing van de desbetreffende strafbepaling. Hoewel het kaderbesluit niet tot deze wijziging noopt, past deze in het geheel van aanpassingen op het gebied van betaalpas- en betaalkaartfraude, waartoe het kaderbesluit wél verplicht. Bij wijze van uitzondering wordt deze wijziging meegenomen bij de implementatie van het kaderbesluit omdat de wijziging verband houdt met de inhoud en de strekking van de communautaire regelgeving. (...)

In artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht is onder meer strafbaar gesteld het door geweld of met bedreiging van geweld iemand dwingen tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer. Het gaat hierbij om gegevens die in het economische verkeer verhandelbaar zijn. Onder gegevens wordt verstaan een weergave van feiten, begrippen of instructies op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of door automatische middelen (Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, pag. 5 en 8). Een pincode valt onder het begrip 'gegeven', maar heeft als zodanig geen geldswaarde in het handelsverkeer. Daarom wordt voorgesteld om de zinsnede 'met geldswaarde in het handelsverkeer' te schrappen. Bij deze verruiming van de strafbaarstelling in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht kan aldus gedacht worden aan het ter beschikking stellen van een pincode, maar bijvoorbeeld ook aan het ter beschikking stellen van bedrijfsgeheimen. De verruiming van de strafbaarstelling blijft echter in zoverre beperkt, dat artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat er sprake is van het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling en dat de afpersing plaats vindt met geweld of bedreiging met geweld."

(Kamerstukken II 2002-2003, 29025, nr. 3 p. 1-2, 7-8)

2.4. Voor zover het middel berust op de opvatting dat aan een bij afpersing verkregen "gegeven" onmiddellijk of middellijk enige economische waarde moet kunnen worden toegekend, is het tevergeefs voorgesteld. Die opvatting vindt, gezien de tekst van art. 317 Sr en de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis, geen steun in het recht.

2.5. Blijkens diezelfde wetsgeschiedenis blijft de door het schrappen van de zinsnede "met geldswaarde in het handelsverkeer" bewerkstelligde verruiming van de strafbaarstelling van afpersing in art. 317 Sr echter beperkt door het vereiste oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling.

Mede in dat licht bezien geeft de overweging van het Hof "dat verdachte het oogmerk heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen, welk voordeel economische waarde had", waarbij het Hof dus - anders dan voor het hiervoor onder 2.4 besproken bestanddeel "gegevens" - voor het oogmerk van de wederrechtelijke bevoordeling wel van belang achtte dat het voordeel economische waarde had, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel klaagt echter terecht erover dat de bewezenverklaring in dit opzicht ontoereikend is gemotiveerd, nu het Hof blijkens zijn "bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" slechts de omstandigheid dat "verdachte en zijn mededader de informatie met betrekking tot diefstal van hennep uit een hennepkwekerij van [slachtoffer] hebben willen verkrijgen met de kennelijke bedoeling om [slachtoffer] ervan te weerhouden hem (opnieuw proberen) te bestelen" voldoende heeft geacht voor het bewezenverklaarde "bevoordelen" uit de zinsnede "oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen".

2.6. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3. Beoordeling van het derde middel.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 28 mei 2013.