Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2013:971

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
12/00287
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:6120, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

KB-Lux. Art. 67d AWR. Boete bij primitieve aanslag niet mogelijk als aangiftetermijn niet is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2318
V-N 2013/53.4 met annotatie van Redactie
BNB 2013/252
FutD 2013-2619
NTFR 2014/241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2013

nr. 12/00287

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 december 2011, nr. 04/01654, betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) over de jaren 1990 tot en met 2000 opgelegde belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde belastingaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB), de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 maart 2013 heeft de Staatssecretaris het eerste, tweede en derde middel van zijn beroep in cassatie ingetrokken.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Het Hof heeft de Inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat belanghebbende op 31 januari 1994 rekeningen aanhield bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: de KB-Lux-rekening) met saldi van in totaal ƒ 215.632. Belanghebbende ontkent rekeninghouder te zijn geweest en heeft geen gegevens omtrent de saldi van de KB-Lux-rekening en omtrent de daaruit genoten inkomsten verstrekt.

2.1.2.

De Inspecteur heeft op 25 april 2003 aangekondigd dat hij, bij gebrek aan gegevens omtrent de werkelijke saldi en inkomsten van de KB-Lux-rekening, voor de jaren 1991 tot en met 2000 zal uitgaan van door hem geschatte bedragen en daarbij verhogingen dan wel boeten van 100 percent zal opleggen. Ten tijde van die mededeling had belanghebbende geen aangiften IB/PVV voor de jaren 1999 en 2000 gedaan.

2.1.3.

De Inspecteur heeft de aangekondigde aanslagen IB/PVV voor de jaren 1999 en 2000, met boeten van 100 percent, met dagtekening 31 mei 2003 opgelegd. Belanghebbende heeft op 8 januari 2004 ingevulde en ondertekende aangiftebiljetten voor die jaren ingediend waarin hij geen gegevens omtrent de KB-Lux-rekening heeft opgenomen.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat voor de indiening van de aangiften IB/PVV 1999 en 2000 uitstel is verleend en dat de duur van dit uitstel onzeker is. Het Hof heeft in dit verband overwogen dat de Inspecteur heeft gesteld dat het uitstel van de aangifte 1999 is geëindigd op 25 april 2003. Verder heeft het Hof aannemelijk geacht dat het uitstel van de aangifte 2000 niet eerder is verstreken.

2.2.2.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het voor belanghebbende op 25 april 2003 duidelijk moet zijn geweest dat de op 28 november 2002 aangekondigde correcties zouden worden aangebracht in het geval hij zou blijven zwijgen over het bestaan en het verloop van de KB-Lux-rekening, dat belanghebbende een boete zou hebben kunnen vermijden door een aangifte in te dienen waarin de door de Inspecteur in het vooruitzicht gestelde correcties waren opgenomen, en dat onder die omstandigheden een boete achterwege dient te blijven. Het Hof acht niet bewezen dat de aangiften opzettelijk achterwege zijn gebleven met het oogmerk te ontkomen aan de door de Inspecteur in het vooruitzicht gestelde correcties. Door belanghebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte is het niet meer passend om belanghebbende te beboeten voor het eerder opzettelijk niet doen van aangiften, aldus het Hof.

2.2.3.

Het middel komt op tegen ’s Hofs beslissing om de boetebeschikkingen IB/PVV voor de jaren 1999 en 2000 te vernietigen.

2.3.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 67d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan (onder meer) een vergrijpboete worden opgelegd indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aangifte niet is gedaan.

2.3.2.

Van het niet doen van aangifte in de hiervoor bedoelde zin is alleen sprake indien de inspecteur de betrokkene heeft uitgenodigd tot het doen van aangifte (vgl. HR 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180). Verder dient de door de inspecteur gestelde termijn waarbinnen aangifte moet worden gedaan te zijn verstreken.

2.3.3.

Het Hof heeft niet vastgesteld of aan de hiervoor in 2.3.2 bedoelde eisen is voldaan. Het heeft immers met betrekking tot de IB/PVV 1999 en 2000 in het midden gelaten of ten tijde van het opleggen van de boeten de door de Inspecteur gestelde termijn voor het doen van de desbetreffende aangiften was verstreken.

2.3.4.

Het Hof heeft de boeten vernietigd omdat naar zijn oordeel niet was voldaan aan de voorwaarde dat de desbetreffende aangiften opzettelijk niet zijn gedaan. Daarbij heeft het Hof mede van betekenis geacht de omstandigheid dat de Inspecteur belanghebbende tevoren reeds had aangekondigd dat hij aanslagen naar geschatte bedragen zou opleggen indien belanghebbende zou volharden in zijn weigering de juiste gegevens van de KB-Lux-rekening te verstrekken.

2.3.5.

Het middel slaagt. Bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende het in artikel 67d AWR bedoelde vergrijp heeft gepleegd, is de bekendheid van de Inspecteur met het bestaan van de KB-Lux-rekening niet van betekenis (vgl. HR 2 februari 2000, nr. 35202, ECLI:NL:HR:2000:AA4644, BNB 2000/135).

2.4. ’

s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde beoordeling van de onderhavige boeten. Daarbij zal moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van beboetbare feiten en (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat daarvan sprake is) of elk van de boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover daarbij de boetebeschikkingen IB/PVV voor de jaren 1999 en 2000 zijn vernietigd, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, R.J. Koopman en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2013.